De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Verboden christendom (9)

13 minuten leestijd

Verboden Christendom (9)
„De mensch die naar zijn innerlijk wezen goed is en, door den Geest verwekt, ook door den Geest bezield wordt om te leven in liefde, heiligheid en rechtvaardigheid, in solidariteit met God en mede-mensch, aanschouwt de werkelijkheid van dit aardsch bestaan en ziet dat dit niet goed, noch liefdevol en heilig is, maar vol verkeerdheid, kwaad en liefdeloosheid", zegt ds. Theesing in een slot-hoofdstuk, waar boven staat: „De eeuwige herrijzenis Gods". Dat te aanschouwen — zegt hij — brengt de ziel des menschen tot wanhoop en tot ongeloof. Wat baat het goed te zijn, als toch de wereld slecht is. En zoo gevoelen de waarachtig goede, heilige en liefdevolle menschenkinderen zich in deze wereld als gevangen in een kerker, omringd door muren, die ondoordringbaar zijn. Maar hij heeft één troost. Zijn geest, zijn ziel kan de muren verbreken, zijn gedachten kunnen den kerker ontvluchten naar de wijde velden der fantasie. Dan schept de mensch zich een hoogere wereld achter deze werkelijke wereld, zooals een kind, dat een stoel voor zich heeft, fantaseert dat het een paard is. Zoo fantaseert de mensch, dat er eenmaal een betere wereld, een „nieuwe" aarde wezen zal. Deze gedachte, opgekomen in de fantasie van den menschelijken geest, is de troost die voor den goeden mensch het aardsche leven dragelijk maakt (blz. 62). Er is een ideale maatschappij op komst, een hoogere wereldorde in wording en wij moeten als mensch trachten dit hoogere te bereiken. Maar — wat van de wereld geldt, laat zich evenzeer gelden van den mensch zelf. Zelf is hij evenmin volmaakt; in hem is menige verkeerdheid en zoolang hij leeft is hij geketend aan zijn onvolmaaktheid, hij is een gevangene van zijn eigen fouten en gebreken. Maar — geen nood. De Geest, die geen grenzen kent, schept zich in de fantasie het beeld van een heiliger, hooger en volmaakter mensch, die nu nog geen werkelijkheid is, maar eenmaal werkelijkheid zal wezen. En nu is dit het doel des levens, dit de waarde van ons bestaan, dat wij trachten dien hoogeren mensch te verwezenlijken in ons zelven, hem na te volgen in ons leven!
In de eeuwen die achter ons liggen is het beeld van den „hoogeren mensch" verbonden geweest aan den persoon van den historischen Jezus. Aan het beeld van dezen profeet heeft de menschheid de gedachte van den ideaalen mensch verbonden.
Door de eeuwen heen wijzigt zich dat beeld. In het orthodoxe Christendom zal de nadruk worden gelegd op zijn stille, duldende natuur. In het vrijzinnig Christendom op zijn liefde en wijsheid. Beide beelden kunnen den modernen mensch van dezen tijd niet meer bekoren. De moderne mensch ziet in hem de revolutionaire held, de heldhaftige revolutionair.
Hij was immers een afbreker van het gangbaar geloof! De schriftgeleerden schold hij voor adderengebroedsel. Welke vervloekingen sprak hij niet telkens uit! Hij was geen moraliseerend rabbi of rondreizend zedeprediker. In hem brandde het vuur van den goddelijken Geest en deze Geest is steeds revolutionair. Hebt gij nimmer gelezen, dat hij anti-traditie, anti-priesters, anti-wetgeleerden, anti-de brave fatsoenlijkheid en anti-den rijkdom was? Deze waarheid is door de eeuwen heen verborgen gehouden, (blz. 63).
Wel geloofde men in de opstanding zijns lichaams ten derden dage uit het graf, maar de geest van Jezus werd in het graf besloten en gekerkerd. Wachters zijn er bij gesteld, gewapende huurlingen! Want de Geest, deze revolutionaire Geest, mag niet opstaan uit den dood, wijl hij in Staat en Kerk verwarring brengt en men bevreesd is voor geweld en bloed en chaos. Jezus wordt vereerd, maar — ontdaan van zijn opstandigen geest.
Daarom — als Jezus heden uit het graf verrees en hij kon opnieuw leven in de menschelijke samenleving en hij verhief zijn stem tegen de huidige wereldorde, hij richtte zijn aanval op de grooten en machtigen en kwam op voor recht en waarheid in Staat, Kerk en Maatschappij, meent gij niet, dat men niet eerder rusten zou, voor hem het zwijgen was opgelegd ? Zijn Christendom zou verboden zijn!
Want — de revolutionaire geest wordt eeuwig geknecht, eeuwig geoordeeld, eeuwig gemarteld. En de revolutionaire menschen-geest is de eenige levende Geest, de eenige Gods-Geest — waartegen zich natuurlijk de overheden der Kerken, de bewakers van de traditioneele godsdienstleer zullen verzetten.
Steeds zal hij zich verzetten tegen maatschappelijk onrecht — en dit zullen de heerschers nooit kunnen toelaten. Steeds zal hij strijden tegen leugen en huichelarij in onze samenleving en dit zullen de brave burgers ergerlijk vinden. En steeds zal de revolutionaire profeet, die een Godsgezant is, worden uitgekreten voor oproermaker en dwaalleeraar. (blz. 64).
Maar nog is dit 't ergste niet. Het ergste is dit, dat de profeet, die eerst door de menigte wordt gevolgd, door deze zelfde menigte al spoedig wordt verlaten, zoodat hij eenzaam staan blijft. Door eigen volgelingen wordt iedere profeet verraden en verloochend, en in eenzaamheid gaat de heldhaftige mensch ten onder. Altijd leeft Judas, die hem verraadt; altijd leeft Petrus, die hem verloochent. De lijdenstragedie van Jezus is hierin een eeuwig voorbeeld.
Als hij heden onder ons opstond als een nieuwe Leidsman en ons opriep tot den strijd voor gerechtigheid, opriep om de machten der reactie, godsdienstig en maatschappelijk te onttronen, wat zouden wij doen?
Beginnen met Hosanna, eindigen met: Kruisigt Hem?
Beginnen met te volgen, eindigen met te verloochenen?
Beginnen met gehoorzamen, eindigen met verraad?
Gij en ik, wij zouden hem oordeelen, zouden hem kruisigen, zouden hem sluiten in een graf met den allerzwaarsten steen er op! Want wij zijn wel gereed te volgen met den „mond", maar geenszins met de „daad".
Wel met den mond — want de revolutionaire gedachte, als geestelijke gedachte, is ons niet vreemd. Wij, moderne menschen, zijn wel zóó wijs te beseffen, dat al het bestaande in eeuwige wording is en alles te zijner tijd blijkt volkomen te zijn omgekeerd. Alleen verstokt-conservatieven zullen kunnen volhouden, dat de maatschappij, de godsdienst, de zedelijke normen niet veranderen mogen en in dezelfde vormen gehandhaafd moeten blijven.
Laat hen rustig waken voor het heil van maatschappij en Kerk — ze zijn machtelooze wachters, want leven, historie, Goddelijke Geest zijn machtiger dan zij en alles keert zich om en vervormt zich tot het hoogere!
De revolutionaire gedachte is ons allen eigen. Wij zijn belijders van deze gedachte met de lippen. Maar voor de daad schrikken we terug, 't Moet, zoolang wij leven, maar blijven zooals het is.
Wij willen niet beginnen bij ons eigen leven. We weten zoo goed, dat de nieuwe wereldorde, waarvan de revolutionaire gedachte spreekt, niet komen kan zonder „nieuwe" menschen, „hoogere" menschen. Geen maatschappelijke opbouw zonder geestelijk fundament. Geen herleving van den godsdienst zonder herleving van ons persoonlijk leven. Wij moeten afstand doen van ons oude leven; en dat willen wij niet. Wij hechten aan de menschen en hun oordeel; aan onze schatten en hun waarde; aan de Kerkleer met zijn veiligheid. Maar het geldt hier: wie zijn leven zal willen verliezen, die zal het behouden. Want wie het oude van zich doet, die zal het nieuwe deelachtig worden. Maar wij willen niet brengen: het offer. En toch zal in ons het oude moeten sterven, we zullen het in ons moeten dooden — opdat het nieuwe kan verrijzen. En hier komt ons voor den geest het woord uit het evangelie: dat velen zijn geroepen en weinigen uitverkoren; of dat andere woord: smal is de weg, die ten leven leidt en weinigen vinden dezelve.
De vraag is maar: hebben wij de revolutionaire ommekeer verwezenlijkt, allereerst in ons hart? Verstaan wij het reeds, de onverbiddelijkheid van het evangelie; verstaan wij het, dat Jezus volgen voor ons beteekenen moet een innerlijke revolutie? Verstaan wij het, dat de revolutionaire(?) massa in Jezus' dagen er geen begrip van had? Verstaan wij 't, dat de revolutionaire(?) massa, zooals in Rusland, er geen weet van heeft? Verstaan wij 't nu, dat de revolutionaire massa, overal waar gij maar wilt, aan het evangelie nog niet toe is? Want in ons zijn de gedachten der boosheid, zelfzucht en zonde, in ons is de macht der traditie en de onwil tot vernieuwing. In ons is Pilatus, die spottend vraagt: „wat is waarheid?" In ons zijn de geesten der boosheid traagheid en onverschilligheid en alle trachten onze goddelijke kern, ons goddelijk levens-centrum te doen sterven. In onze ziel speelt zich af het eeuwig drama. Het rechtvaardige wordt gekruisigd, de revolutionaire gedachte wordt vernederd. God wordt in 't graf geborgen.
De tragedie van den revolutionairen Jezus is het drama Gods in ons, dat eeuwig zich herhaalt in het menschenhart, eeuwig zich herhaalt in der menschheid historie, (blz. 68).
Alles is eeuwige herhaling. Heden en morgen en tot in alle eeuwigheid wordt „God in ons hart" gekruisigd. Heden en morgen en tot in alle eeuwigheid wordt „God in het hart der menschheid" in het graf geborgen. Eeuwig keert hetzelfde weer. Maar de herhaling, die eeuwig is, vindt telkenmale plaats op een hooger plan, zoodat de weg der menschheid een eindelooze spiraal mag heeten.
En als we dit verstaan hebben: alles eeuwige herhaling, maar op een hooger plan, dan beseffen we opeens — en hier gaat in stralende heerlijkheid het Licht der Waarheid op — dat niet dit het treffende is: de eeuwige kruisiging; noch dit: de eeuwige verzegeling in het graf, maar dat dit is het: dat wat in het graf verzegeld wordt: eeuwig uit het graf verrijst. Dat het hoogere, het goddelijke, de revolutionaire gedachte, Christus, God zelf in ons eeuwig uit den dood opstaat. Heden en morgen en tot in eeuwigheid rijst de gekruisigde Geest uit het graf!
Nooit stond een mensch lichamelijk op uit de dooden, maar de schare, die onwetend is, gelooft in een Jezus, die uit het graf verrees, wijl Hij Gods Zoon was. Dit is de waarheid van het „historisch" feit. Voor ons: een fabel! De schare der ongeloovigen ontkent het wonder der historie. Zij komt tot de negatie. Dat is de waarheid van het verstand. De onwetenden, die in de lichamelijke verrijzenis gelooven en de ongeloovigen, die het wonder ontkennen, weten echter niet wat waarheid is. Méér dan de schare der onwetenden, méér dan de schare der ongeloovigen zijn wij, als wij de eeuwige herrijzenis Gods ervaren hebben als ziels-waarheid in ons hart.
Dit is het hoogste. Hier wordt geloof tot zekerheid. Hier is de weg des twijfels doorleden en doorstreden, hier ligt het pad van ons leven, de weg der menschheid voor ons open als een weg tot het Licht. Geen duisternis kan ons ontrusten, wijl in waarheid wordt beleefd dat mensch noch wereld ooit „van God verlaten' is".
Tot zoover ds. Theesing, die dit laatste hoofdstuk schreef op Goeden Vrijdag 1923. Zooals we ons herinncren, is volgens ds. Theesing „de heiland Jezus Christus een door de christenen gemaakten heiland, toegevoegd aan de talloos vele verlossers, die er bij de onderscheidene volkeren waren". „De mensch Jezus wordt opgesmukt met allerlei wonderverhalen — maar zoo berust de leer van de Christelijke Kerk op een oude „fabel" en de Bijbel moet dan bewijzen, dat de „fabel" gebeurd is. (blz. 11—12). „Voor zoover eenige Christelijke leer zich beroept op leven en opstanding van Jezus Christus als historisch feit, beroept zij zich op wat in de historie nimmer plaats vond" (blz. 13—14). „Van „fabel" moeten we terug tot werkelijkheid".
Daarom spreekt ds. Theesing van: de oude „fabel" van het Christendom. De „rechtzinnige" waarheid is gebouwd op vroegere kennis, wetenschap en ervaring; maar de traditioneel-godsdienstige waarheid is voor de moderne wetenschap niet houdbaar (blz. 19). Bij de orthodoxen wordt de wetenschap achter gesteld bij den Bijbel. Maar dat fundament is niet onaantastbaar! De Schrift is niet op bovennatuurlijke wijze ontstaan, maar door menschen, vatbaar voor dwaling, geschreven. De evangeliën zijn tendenz-geschriften. Men wil het wonder van Jezus' opstanding als historisch feit blijven handhaven. Maar de wetenschap ontnam het absoluut gezag aan den Bijbel; en we kunnen geen geloofswaarheden meer aannemen of ze moeten verstandelijk en wetenschappelijk houdbaar zijn (blz. 22). God openbaart Zich zelven en zoo is wat wij nu weten zuiverder en ideëeler dan wat men vroeger wist. We zijn gekomen tot een verhevener Christendom (blz. 24).
Jezus' prediking is ook van maatschappelijke strekking, waarbij hij zich onvoorwaardelijk aan de zijde van de armen stelt en hun voorvechter wordt (blz. 26). Maar dan voelt de menigte, die hem eerst volgt, zich misleid; het wonder, dat zij verwacht had, is uitgebleven; en dan moet hij sterven (blz. 26—27).
De Kerk heeft dat alles verdraaid en vergeestelijkt; heeft van Jezus een Gods-Zoon gemaakt. Maar de moderne vrijzinnige christenen moeten dat weer herstellen en moeten weer terug tot 't evangelie van Jezus (blz. 29—30). De Kerk had de menschen in hun strijd om aardsch geluk moeten helpen. Heeft niet een ieder recht op al de schatten der aarde, die er zijn? (blz. 30). Daarom valt alle bloedschuld terug op de leidende Christelijke Kerken. Wie de evolutie verwerpt, heeft de revolutie te wachten. We moeten medewerker zijn van den Eeuwigen Geest. De Goddelijke Geest wil uit den lageren maatschappijvorm den hoogeren doen worden. Hierin moeten we mede arbeiders Gods zijn.
Wat het traditioneel Christendom echter God noemt, is, volgens ds. Theesing, de „oude" God; met welke „oude" God hij afrekent, om er voor in de plaats te stellen de Al-Geest. Bij dien „ouden" God hoort een middelaar, die de zonden vergeeft. De moderne mensch heeft een lieflijker Godsvoorstelling, die overeenkomstig het evangelie van Jezus is (blz. 41). We zijn allen zonen Gods en wij moeten Gods eer verkondigen; God wil door ons God worden in deze wereld (blz. 50). Dat is de taak van den „nieuwen mensch". De „oude"  mensch had vroeger andere voorstellingen; de „nieuwe" mensch weet, dat de gansche schepping ontwikkeling is van den Eeuwigen Geest, die langs den weg van „evolutie" voortvaart tot volmaking. Eén is de mensch met de natuur, maar één ook met den Geest. Zijn levensrichting is niet allereerst hemelwaarts gericht, maar gericht op de aarde en de Geest wekt in hem de drift, het vuur, den drang om deze wereld aan te grijpen en te vervormen naar de idealen van liefde en gerechtigheid. De Goddelijke Geest zal daarbij ten slotte de massa bekwamen. Het goede is onze ware natuur en hierin is de „nieuwe" mensch volgeling van Jezus. De oude waarheden bevredigen daarbij niet meer; die waren op den hemel en op den dood gericht; maar nu hebben we solidair met den Geest solidair te zijn met onzen naaste. De kapitalistische maatschappij past hierbij niet. Wij hebben te sterven voor elkander. Dat is het profetenwoord der toekomst en we kunnen de grafstem van het traditioneele Christendom missen.
Zoo spreekt de pantheïst-modernist-socialist ds. Theesing! De „oude" God is weg; de Bijbel is weg; Jezus Christus, de Middelaar, is weg — en de Al-Geest wordt in en door den „nieuwen" mensch hoe langer hoe meer tot „God", om een nieuwe maatschappij te geven. We hebben te gelooven in dien Geest, die als de rijzende zon zal opgaan, gelijk Jezus geleerd heeft. Dat is „het evangelie van Jezus"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's