FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
31)
Nieuwsgierig geworden, beproefde ik eerst of ik het ook dicht kon krijgen, maar geen van onze sleutels paste er bij, dus dat lukte niet; toen schroefde en brak ik het slot er uit. Het bleek een zeer ingewikkeld slot te zijn, zooals ik er nooit een gezien had, en een ijzeren stangetje bleef in het kistje zitten en scheen onder den bodem met een veer verbinding te hebben. Kortom, ik brak er aan, totdat de twee voorste pootjes waarop het stond, verschuifbaar bleken en die omschuivende, ging de bodem open. Tot mijn groote verbazing zag ik, dat het kistje een dubbelen bodem had en dat tusschen deze beide een kleine bergplaats was, van binnen met fluweel bekleed; en daar in lagen behalve een stapeltje bankpapier, de kostbaarheden van den Beukenhof. Gij kunt u niet voorstellen, dominé, hoe verwonderd ik was. Vol verbazing haalde ik alles er uit, een parelsnoer, armbanden met juweelen, ringen, een collier, een paar groote broches en spelden; het eene schitterde nog meer dan 't andere.
„Dat was een verrassing van belang, Zeelman, wat zei uw vrouw er wel van?"
„Ja, dat is nu juist het begin van de ellende geweest, dominé; was zij er maar bij geweest, of had ik het haar maar gezegd. Maar ik was alleen op zolder, en het ging mij als den man uit de gelijkenis: hij vond onverwachts een schat en verborg dien weer om later schat en akker te koopen. Ik was zeer blij en toch durfde ik er niet mee voor den dag komen; ik verborg het kistje met den inhoud op een plaats, waar men 't niet gemakkelijk zou vinden, en besloot eerst eens goed te overleggen, wat ik zou doen.
Ik had, zoo overlegde ik, het kistje gekocht en betaald, dus was het mijn eigendom. Het was verkocht, zooals er gewoonlijk bij een verkooping gezegd wordt: „zoo als het te zien was geweest". Toch was er een stem in mij, die zeide: het komt u niet eerlijk toe, — gij moet het terug geven. Maar dat wilde ik niet; de begeerte het te houden, kreeg de overhand. Ik had het niet gestolen, ik behoefde het niemand te zeggen; dergelijke dingen waren meer gebeurd, het stond zelfs in den Bijbel; en op dergelijke gronden stelde ik mij gerust. Dat ik het echter niemand, zelfs niet mijn vrouw durfde te zeggen, en min of meer ontdekking vreesde, vergalde wel een groot deel van mijn blijdschap.
Later kocht ik voor het geld (er waren 20 biljetten, van elk duizend gulden) land en een paar huizen, maar de kostbaarheden durfde ik niet verkoopen. Er was zooveel gesproken en ook in de courant geschreven over de verdwenen kostbaarheden, dat ik stellig in de moeite zou komen als ik een of ander had willen verkoopen. Zij zijn nog altijd bij mij in huis verborgen.
Maar, dominé, had ik ze maar nooit gezien! U weet niet, wat een verdriet en ellende er langzamerhand uit die dingen gekomen zijn. Ze zijn als een ban in mijn huis geweest, al die jaren dat zij er in zijn. Hoe langer ik ze had, hoe meer zij mij bezwaarden".
Toen Zeelman eenmaal was begonnen, zeide hij ook alles was er op zijn hart lag, en ds. Stevens hoorde met verbazing, wat de smid hem vertelde. Een predikant kan in zijn gemeente veel en velerlei beleven, maar dit was toch wel iets zeer vreemds. Haast ongelooflijk, en toch waar, want dat Zeelman de waarheid sprak, was uit alles wel merkbaar.
't Was een oprechte bekentenis, waarin hij zichzelven niet spaarde, maar telkens beschuldigde en aanklaagde. „Hoe langer ik verzweeg wat ik op zulk een bizondere wijze gekocht had en na de ontdekking verborg, des te minder durfde ik er met iemand over spreken. Terecht zou men dan vragen, waarom ik dat dadelijk niet gezegd had. Ik trachtte op allerlei wijze mijn geweten gerust te stellen, maar het ging niet; ik had mijzelven in een net verward en kon er niet weer uitkomen. Voor God gevoelde ik me een dief, die het goed van anderen in bezit had. Ik had niet gestolen, misschien was ik naar den letter der wet niet schuldig, maar naar den geest der wet wél; ik had en behield het goed van anderen, dat mij niet toe kwam en waarnaar zij, zooals ik wist, gedurig hadden gezocht.
Hoe slecht kent een mensch zichzelven, dominé; ik meende heel wat te zijn en te kunnen, en hoe viel ik mij zelven tegen, dat ik in zulk een geval niet eerlijk handelde! Ik durfde nauwelijks voor de menschen mijn oogen meer opheffen, hoe dan voor den alwetenden God? Er kwam een ban in ons huis, de vrede verdween, tusschen mij en mijn vrouw was iets gekomen, dat ons innerlijk van elkander verwijderde. 'k Had het mij zelf te wijten en toch droegen anderen er den last van.
Ik zag, ik voelde het diep, dat het verkeerd ging, en ik had niet den moed het te herstellen. Mijn geloof zonk weg, het werd onrustig en donker in mijn hart; als ik bad was het alsof er een hooge muur tusschen mij en den Heere stond, waar ik met mijn gebed niet over heen kon komen en waar ook geen deur was te vinden, dat ik er door zou kunnen gaan. Ik versomberde en mijn innerlijke kracht was verbroken. Vooral toen Anna begon te sukkelen, werd het mij bang. 't Was, alsof God mij door haar ziekte waarschuwde en tot bekentenis riep. Zou zij lijden om wat ik gedaan had? Menigmaal zat ik bij haar bed en wilde het haar zeggen, en toch deed ik het niet. Zij leed zoo geduldig en had steeds meer een vast vertrouwen op den Heere; zij had zich aan Hém overgeven, en ik? ik was lafaard, een bedrieger, een dief.
(Wordt vervolgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's