De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

De sprake Gods in de natuur (II)

8 minuten leestijd

De sprake Gods in de natuur.
II. (Slot).
Maar er is nog een gedachte, die dan naar voren komt bij de vromen. Hoe komt die berg Sion daar? Wie heeft dien berg daar gezet?
En waarom is die berg, tussclien andere bergen staande, de heilige berg? Waarom staat daar de woning Gods? Waarom wil de Heere daar wonen tuschen de Cherubs? Waarom heeft de Heere daar Zijn gunst geopenbaard, zóó, dat 't volk des Heeren zéér heerlijke dingen van dezen berg mag getuigen?
En dan is de taal van dezen heiligen berg, om te vermelden het vrijmachtig en het onberouwelijk welbehagen des Heeren, waar Hij redenen heeft genomen uit Zichzelf, om dézen berg, en geen andere, te begeeren tot Zijn woning. God heeft dien berg uitverkoren.
Zijn grondslag, Zijn onwrikb're vastigheden,
heeft God gelegd op bergen, Hem gewijd!
De HEER, die Zich in Sions heil verblijdt
bemint het méér dan alle Jacobs steden.
Dat is het wonder der eeuwen, dat de Heere Sion verkoren heeft, dat Hij Jeruzalem gemaakt heeft tot de stad Zijner woning. Dat zit 'm niet in de hoogte van den berg of in de schoonheid van de stad. 't Is enkel en alleen Gods vrijmachtig en ontf ermend welbehagen; 't welk dan het nederige Sion maakt tot het hoofd ter natiën en Jeruzalem tot de hoofdstad der wereld.
Hoort maar wat de dichter zegt:
Men spreekt van U zeer heerelijke dingen,
O Schoone stad van Isrels Opperheer!
'K Zie Rahab, ik zie Babel, tot Uw eer
Bij hen geteld, die Mijne grootheid zingen.
In den geest hoort de dichter, dat in Ninevé's paleizen, in de velden van den Tigris, in Damascus, aan den Nijl, aan den Eufraat, ja, overal over Jeruzalem en over den berg Sion gesproken wordt en dat de wondere grootheid en heerlijkheid van dezen berg en van deze stad wordt verkondigd van mond tot mond tot aan de einden der aarde. En het is de vervulling van Gods eigen woord:
„Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; ziet de Filistijn en de Tyriër, met den Moor, deze is aldaar geboren. En van Sion zal gezegd worden: die en die is daarin geboren; en de Almachtige zelf zal hen bevestigen. De Heere zal hen rekenen in het opschrijven der volkeren, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela".
Hier schittert dus Sions kruin in het licht van Gods verkiezende genade; hier ligt Jeruzalem in de glanzen van Zijn eeuwig welbehagen — alles een beeld van Christus' Kerk, waarin vervuld is,  nu vervuld wordt en ook nog vervuld zal worden, alles wat de Heere beloofd heeft. Waarom ook het eind van deze gansche geschiedenis zal wezen een loflied tot eere Gods zooals de dichter meê ons voorspelt, zeggende:
Dan wordt Mijn naam met lofgejuich geprezen:
Dan zullen daar de blijde zangers staan;
De speellien op de harp en cimbel slaan.
En binnen u al Mijn fonteinen wezen.
Wanneer déze taal gehoord is, roemende de vrijmacht Gods in het verkiezen van Sions berg, dan doet zich een ander geluid hooren; een geluid van gansch andere bedoeling dan om de verkiezende genade Gods te prijzen. De dichter van Psalm 68 wijst ons daarop.
Wat toch is het geval?
De berg Sion is in 't geheel niet hoog en voornaam onder de bergen. Wel heeft de Heere dezen bérg geplant en zal hij staan tot in eeuwigheid, geestelijk in Christus en al Zijn volk — maar die berg Sion was allesbehalve hoog en voornaam! Te midden van Basans-bergrug lag Sion. En dan stak Sion volstrekt niet uit boven de andere bergen. Andere bergen zijn integendeel veel hoóger en indrukwekkender; veel geweldiger in schoonheid en kracht. Andere bergen zijn gekroond met eeuwige sneeuw en bruisende bergstroomen gaan in breede bedding soms met donderend geraas nederwaarts, om aan den berg een gedaante vol majesteit te schenken.
Maar Sion is maar een nederige berg, klein tusschen al dat groote. En wat hoort en wat ziet de dichter van Psalm 68 dan?
Dan ziet hij voor zijn-geestesoog, dat de bergen van Basan er niet rustig bij blijven; dat ze in beweging komen, die vulcanische bultige gevaarten; dat ze in vervoering en beroering raken als een opstandige menigte; dat ze opspringen van nijd en jalouzie, om hun hoogten dreigend op te steken tot Hem, die in den hemel woont en murmureerend, oproerig aan te dringen op de deuren van Zijn hoog paleis en het daar luide voor Gods ooren uit te roepen, dat zij het niet begrijpen, dat de Heere Sion heeft uitverkoren om daar te wonen. — Dat zij het niet begrijpen; neen! niet begrijpen; maar, dat zij het óók niet goedvinden dat God het zóó doet. En ze roepen het voor de ooren van God en van de menschen, dat zij zich met geweld er tegen zullen verzetten. Niet Sion, zonder gedaante of heerlijkheid, maar Basan, sterk en geweldig, zal de eerkroon dragen!
O! wat zijn er vele machtige gevaarten en sterke krachten, die met gekromden rug zich verheffen om met geweld het hoofd omhoog te heffen en tegen God en Zijn Gezalfde op te staan. Machten en krachten die wangunstig zijn, gelijk de veeltoppige bergen van Basan ten opzichte van den heuvel Sion! Maar gelukkig staat er:
„Waarom ziet gij wangunstig, gij veeltoppige bergen, naar den berg, dien God zich ter woning verkoos? Ja, de HEERE woont er voor immer!"
In die wereld leven we — ook het boek der natuur getuigt er van — dat de Heere het nederige heeft verkoren en het hoogmoedige verbreekt, om armen met goederen te vervullen en rijken ledig weg te zenden. En dat alles in Hem, die geen gedaante noch heerlijkheid had, toen Hij op Golgotha's hoogte aan het kruis stierf, maar mocht getuigen: „het is volbracht !" Gods majesteit, Gods vrijmacht ook staat op elke bladzijde van het boek der natuur in wonder letterschrift geteekend, en de vrome, eenvoudige natuurkinderen der Oude Bedeeling hebben veel en ijverig in dat boek gelezen en ze hebben God grootgemaakt.
Is het Amos niet, de herder uit Thékoa, de ziener Israels in de dagen van Uzzia, die ossen hoedde op de wijde velden, tusschen trotsche bergen, onder gloeiende daghemelen en sterbesprenkelde nachthemden, die zooveel winste heeft bij zijn geestelijk werk van hetgeen hij door natuurervaring van zijn God heeft geleerd?
Wij, menschen der nieuwe beschaving, die wandelen tusschen de werken door des menschen hand voortgebracht en een zoo groot deel van ons leven neerzitten bij schijnsel van kunstlicht, wij weten zoo weinig van de natuur en verwaarloozen zoo lichtelijk dit groote studieboek Gods. Wij kijken meer naar de electrische bogen, dan naar der sterren pracht, meer naar de mooie uitstallingen van winkelschatten dan naar het goud van den morgenstond. Wij weten meer van het werk der menschen, dan van de werken Gods in het rijk der natuur en ons hart verkilt door dit gebrek en lijdt schade door deze zonde.
Wat heeft Amos veel genoten daar buiten in het veld en wat heeft zijn prediking er door gewonnen; zijn woorden zijn vol kracht en de redenen zijns monds vol heerlijkheid en sterkte, omdat hij in het boek der natuur heeft gelezen, dat God bekleed is met majesteit. Hij, de souvereine God, Die alles doet naar Zijn welbehagen.
„God, die de bergen formeert en den wind schept, die den dageraad duisternis maakt en op de hoogten der aarde treedt". (4 vers 13). 
„God, die Zijne opperzalen in den hemel bouwt en Zijn hemelgewelf op de aarde doet rusten, die de wateren der zee roept en giet ze uit over de aarde". (9 vers 5. en 6). 
Amos heeft veel gelezen in het boek der natuur en hij heeft er geestelijke winste van ontvangen, ook winste voor zijn prediking.
Het Zevengesternte heeft hij bewonderd, den Orion heeft hij gadegeslagen, hij heeft gezien dat de duizenden en duizenden sterren niet ordeloos door het luchtruim gaan, maar dat de Heere met souvereine macht alles en allen heeft geordend en bekleed met glans en heerlijkheid naar Zijn welbehagen en hij vindt er oorzaak in, om Gods vrijmacht te vermelden aan Israël, om Gods sterkte te roemen voor de ooren van zijn volk.
Woestijnbrand heeft hij gezien en niemand en niets kon den gloed weerstaan of de vlammen blusschen. En hij gaat er mee tot zijn volk, het zondige volk van Israël, om te spreken van het vuur, dat doorbreken zal in het huis van Jozef, dat vertere, zoodat niemand het zal kunnen tegenhouden in Bethel, waar men het recht verkeert in onrecht, waar men de gerechtigheid vertrapt in de straten. (Amos 5 vers 6—8).
Zijn oogen hebben het gezien, dat de Heere de duisternis omzet in licht, maar ook den dag verandert in den nacht, en hij spreekt zijn volk van de redding uit het diensthuis, om te komen door Gods hand tot bevrijding, maar ook van vroolijkheid en gezang, 't welk de Heere weet te veranderen in droefheid en geween!
Neen, de natuur is er niet om ons te brengen bij sterrenwichelaars en degenen, die op vogelgeschrei acht geven, maar de natuur is er om des Heeren grootheid te zingen. Hem te aanbidden, Hem te dienen en lief te hebben, kennend de Zonne des heils, Jezus Christus, kennend de Morgenster, in Wien de nieuwe schepping, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, staat geopenbaard te worden.
Hoe heerlijk is de naam des Heeren op de gansche aarde, in het rijk der natuur. Heerlijker nochtans in Zijn Woord, 't Heerlijkst in Jezus Christus ons geopenbaard, met eeuwige juichensstof voor al Gods volk, dat straks zal worden opgenomen tot zaligheid.
Dan zullen ze Hem allen kennen en Hem dienen met gejuich.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's