FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
32)
Hoe benauwd werd het mij als ik dacht ook ziek te kunnen worden, onverwachts te sterven, en als zij dan na mijn dood zouden vinden wat ik verborgen had? Welk een smaad zou er liggen op mijn graf, schande zou ik brengen over mijn vrouw en kinderen, want dan zou ik zeker als een dief worden beschouwd. En dat was nog het ergste niet, maar wat zou mijn eeuwig lot zijn als ik zoo stierf?
Anna is gestorven ; zij was oprecht als de duiven.
En daarna hoorde ik in den oudejaarsavond u prediken over het rentmeesterschap Het was alsof u voor mij alleen predikte, en de vraag: wat zal ik doen, brandt in mij.
Ik kan het niet langer verdragen, dominé, het moet anders worden. Daarom ben ik bij u gekomen. Help mij, dominé! Er mag gebeuren wat er gebeurt, maar ik moet die dingen kwijt. Had ik het toch dadelijk maar gezegd en alles teruggegeven. Zij klagen mij aan, die dingen van den Beukenhof, ik wilde ze wel wegwerpen, maar dat gaat ook niet. Hoe zal ik het; weer goed maken kunnen, dominé?
„Gaarne wil ik u raad geven en helpen Zeelman, nu gij mij uw vertrouwen schenkt, 't Is een bizonder vreemd geval, ik heb nimmer zoo iets beleefd."
„'t Is toch volkomen waar, dominé, en als u bij ons komt zal ik het u laten zien."
„Ik geloof u wel, Zeelman, en het verblijdt mij dat het Woord Gods u zoo getroffen heeft dat ge gedrongen wordt weer zooveel mogelijk goed te maken wat ge bedorven hebt. In één opzicht kunt gij dit althans nog doen, gij kunt aan de rechtmatige eigenaren die kostbaarheden teruggeven, en dat is, denk ik, voor u een ding van belang om weer vrij voor God en menschen te kunnen staan, maar het eerste is noodig dat gij uw schuld belijdt. Gij weet, dat ik in de oudejaarsavondprediking nog een tweede vraag er bij voegde.
„Ja dominé, dat ik ook zou vragen: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Ik wist reeds lang wat de Heere wilde, maar ik ging door mijn begeerlijkheid er tegen in. Maar dat is nu anders geworden; ik ben schuldig voor God en menschen, ik heb het Hem beleden, en wil het belijden ook aan menschen. Daarom kom ik hier. Zal ik mij bij de politie aan gaan klagen, ik wil de straf dragen?"
„Ik ben geen advocaat of rechter, en kan niet beoordeelen in hoeverre gij hierin naar het burgerlijke recht schuldig zijt. Dat bedoel ik echter niet, maar dat gij het de familie van Wijck Doornenburg zegt en terug geeft wat gij zoolang reeds verborgen hebt gehouden. Wat daarvan de gevolgen zullen zijn, of zij u zullen aanklagen en er het gerecht in betrekken, moet ge afwachten."
„Dat ben ik goed met u eens, dominé; zij zullen alles terug hebben, het geld ook, met de rente er bij: wat ik voor het geld gekocht heb zal ik weer verkoopen. Dat heb ik alles al overlegd, maar 't is de vraag hoe moet ik het aanleggen? Zij wonen hier niet, ik weet hun adres ook niet."
,,Nu dat is wel te vinden, bij van Leeuwen kunt ge dat wel gewaar worden, en dan moet gij dadelijk schrijven."
Zeelman zweeg en zat weer even naar dominé's boekenkast te kijken, totdat hij aarzelend vroeg:
,,Zou dominé voor mij schrijven willen? Ik kan dat alles niet op papier 'brengen hoe gaarne ik ook wil. Daarom kwam ik bij dominé, als u zoo goed zoudt willen wezen?"
Ds. Stevens zag hem aan; wantrouwde hij den smid?
„Dominé moet niet denken, dat ik niet volledig mijn schuld wil erkennen; ik wil het wel uitroepen op de straat als het wat helpen kan, maar dat schrijven!"
„Nu Zeelman, ik weet goed raad, ik moet Dinsdag toch naar Utrecht een vergadering bijwonen en kan dan 's avonds naar den Haag gaan om het den jongen baron te zeggen. Misschien is dat ook beter dan alles te schrijven. Ik zal vooraf alleen per brief vragen of hij mij kan ontvangen."
„Dat is best, dominé. Als u dat doen wilt! Zal ik dominé die dingen dan mee geven?"
„Neen, Zeelman, zoo haastig gaat dat niet. Dat moet gij ook zelf doen. Ik zal voor u den weg bereiden."
„Best, dominé, u neemt een pak van mijn hart. Ik krijg weer een weinig moed."
Intusschen hadden deze twee er niet aan gedacht dat het laat was geworden. Ds. Stevens hoorde de klok in de gang elf uuf slaan en stond haastig op. „'t Is al laat Zeelman, wij zullen hierover dus in de volgende week weer spreken, en tot zoolang houden wij het maar voor ons. Alleen, gij moet het uw vrouw ook zeggen, als 't kan vanavond nog; het moet tusschen u beiden zoo spoedig het kan weer in orde."
„Goed, dominé, heel goed, u hebt gelijk, 'k zal het dadelijk doen."
Ds. Stevens liet den smid zelf uit. Dirkje was al naar bed. En mevrouw zat in de huiskamer in spanning te wachten, wat dat lange bezoek boven toch beteekende? Zij werd het dien avond echter niet gewaar. En de smid, nadat hij den predikant herhaaldelijk had bedankt, liep veel vlugger naar huis dan hij het een paar uur tevoren verlaten had.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's