De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Het offer der dankbaarheid.
De inzameling voor onze scholen, die straks wordt gehouden, zal ook nu weer staan in het teeken der dankbaarheid. Het geslacht, nu opgewassen, geniet van den rijken oogst dien onze voorgangers hebben mogen inzamelen. Het ziet alles om zich heen gegroeid en dankt daar zijn God voor, maar denkt er nog vaak veel te weinig aan, hoe het zaad weenend in de voren is geworpen. En toch blijft zulk gedenken een dure plicht, allereerst om niet te vergeten de groote daden Gods, maar voorts om het ons telkens weer in te scherpen, dat we niets, absoluut niets, mogen doen of nalaten, waardoor de verkregen geestelijke winst in de waagschaal zou worden gesteld.
Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat de openbare school de school was, waaraan de natie met haar hart was gehecht. Daartegenover werd onzerzijds steeds volgehouden: neen, zóó is het niet. De openbare school is de school, die kunstmatig aan de natie gehecht is. En vandaar de eisch, onzerzijds telkens weer gesteld: Waag het eens om de condities voor beide scholen gelijk te maken! Het heeft lang geduurd, maar eindelijk is dan toch deze kans genomen en hebben we de rechts-en financïëele gelijkstelling gekregen. En toen is gebleken, dat wij gelijk hadden in onze waardeering van de schoolliefde des volks.
Toen de Unie haar arbeid begon, waren er 26 scholen met den Bijbel, met 53.000 leerlingen. Thans tellen we over de 1800 scholen, met meer dan een kwart millioen leerlingen. Of wil men het precies: 1826 scholen op 1 Jan. 1927, die door 259.731 leerlingen worden bezocht, waarbij we dan over één jaar een toeneming van 9000 discipelen mogen constateeren. Daaregenover takelt de openbare school steeds meer af. Het aantal kinderen van de bijzondere school in het algemeen, dat op 1 Jan. 1924 al even over de helft van het totaal was, bleek op 1 Jan. l.l. tot ruim 55% te zijn gestegen. In 1926 werden 30 scholen voor openbaar-, maar 120 voor bijzonder onderwijs geopend!
't Aantal kinderen, dat beide soort van scholen bezoekt, staat thans als 5 : 6, en de voorspelling is niet gewaagd, dat deze verhouding zal worden 1 : 2. Hiertoe werken twee factoren mee. Zooals vanzelf spreekt, vragen geloovige ouders Christelijk onderwijs voor hun kroost. Maar ook in kringen, die vroeger voorstanders waren van de openbare school, komt al sterker de neiging op om van de financieele gelijkstelling gebruik te maken. Mede als gevolg van het feit, dat een groot deel der openbare onderwijzers zich in de armen van het Socialisme heeft geworpen. En zoo schuiven we met het algemeen bijzonder onderwijs met zooveel spoed over de grens heen, dat men voorzien kan, dat binnen niet langen tijd de openbare school niet meer dan één derde der jeugd zal bevatten.
Blijkt ook hieruit niet ten duidelijkste, dat die openbare school, die pretendeerde de nationale school te zijn, als zoodanig heeft afgedaan? Eens stond het openbaar onderwijs machtig in den lande, zeker van zijn positie; wel niet theoretisch, maar toch practisch had het geen mededinging te duchten, het werd vanzelf gezocht en begeerd; en nu, nu is het niet alleen in sommige opzichten reeds door het bijzonder onderwijs overvleugeld, maar moet het zich zelfs door propaganda, en dan lang niet altijd van zuiver allooi, trachten staande te houden.
Inderdaad, ziende op de ongedachte winst die verkregen werd, past ons ootmoedige dankbaarheid. Dat dit onder ons ook beseft wordt, blijkt reeds uit de opbrengst der jaarlijksche Uniecollecte — wel eens de thermometer van de liefde voor het Christelijk onderwijs genoemd — die een stijgende lijn vertoont. In 1926 werd door 855 locale comité's ƒ 102.722 gecollecteerd en voor het eerst na 1921 de ton gouds aanmerkelijk overschreden.
Het komt er maar op aan ons Christelijk volksdeel te bepalen bij zijn zegeningen, om het uit te drijven tot een vernieuwd betoon zijner offervaardigheid en tot verhoogde liefde voor de school van zijn kroost. Als men maar recht inziet, hoeveel ons land vóór heeft boven alle andere landen, wordt als vanzelf die liefde gevoed, die waarborg is dat het ons toebetrouwde pand als een kostbaar kleinood door ons zal worden bewaard.
Het schoolvraagstuk beroert vele landen en plaatst regeeringen en volkeren voor haast onoplosbare problemen. Let slechts op wat nu weer in Duitschland en in Amerika aan de orde is. De indruk wordt al sterker, dat die problemen inderdaad onoplosbaar zijn, tenzij men er toe komt om den weg der vrijheid op te gaan, die ons volk als vrucht van zijn onvermoeiden strijd voor de hoogste geestelijke goederen mocht vinden. In vele, zoo niet in de meeste landen, moet nog hardnekkig worden gekampt om te verwerven wat wij in Nederland bezitten: vrijheid van onderwijs, gelegenheid voor de ouders om hun kinderen een onderwijs te verzekeren, dat in overeenstemming is met hun godsdienstiige overtuiging.
Het ideaal is natuurlijk bij ons niet bereikt; nog meer dan 40% van het totaal der leerlingen bezoekt de godsdienstlooze school. Ze zal, als het goed is, tenslotte slechts een aanvullend karakter mogen dragen. Maar het Nederlandsche stelsel, dat de vrijheid hooghoudt en het onderrecht eerbiedigt, blijkt dan toch in staat om steeds breeder scharen van kinderen een onderwijs te doen genieten, dat in overeenstemming is met de diepste levensovertuiging hunner ouders.
Er kan, vooral in dezen tijd, moeilijk te veel nadruk gelegd op die worstelingen in den vreemde, om tot een bevredigende regeling van het schoolgeding te komen. Het groote voorrecht, ons volk geschonken, wordt door velen nog beschouwd als iets vanzelf sprekends, dat ook zonder onverflauwde inspanning van geestelijke krachten wel ons eigendom zal blijven. Dat nu is een groote vergissing, die zich bitter zou kunnen wreken. De vijand loert nog steeds op elke goede gelegenheid om op onze rechten af te dingen, kon het, onze vrijheid weer te knotten. Onze tegenpartij erkent zich nog geenszins als verslagen en verdubbelt juist den laatsten tijd weer haar pogingen om het verloren terrein te heroveren. We zijn sinds eenige jaren wel in een ander stadium van onzen schoolstrijd gekomen, en sommigen meenden reeds dat de schoolvrede nu voorgoed was gesloten, maar het blijkt telkens weer, dat de strijd nog niet uit is en we allerminst op onze lauweren kunnen gaan rusten. De herleefde activiteit der „palstaanders" doet soms denken aan wat, voor een halve eeuw werd aanschouwd, toen men geloofde dat de finale afbraak der Christelijke school welhaast een feit zou worden. Ook nu zal blijken dat men zich aan ijdele verwachtingen overgeeft, mits onzerzijds maar geen oogenblik worde vergeten dat onze vrijheid ten opzichte van de schoolopvoeding slechts zoolang zal duren, als we haar blijven beschouwen als een onwaardeerbaar goed, dat onze volle toewijding en krachtige verdediging vraagt.
Wij moeten ons die vrijheid waardig toonen, door als vrijen de vrije school uitnemend te verzorgen. Daarin moet onder ons een edele wedstrijd zijn. Er is geen beter middel om alle ongewenschte overheidsbemoeiing terug te dringen, dan door zelf te zorgen dat alles in orde is. Willen we de vrije school, dan moeten we toonen haar te kunnen dienen. En een der middelen daartoe wordt ons geboden in de collecte die straks weer rondgaat. Ze is geen gedwongen heffing, maar een uiting der liefde van het hart, omgezet in een daad der milde hand. Nooit is of werd ze, in aanstonds vijftig jaar, beschouwd als een last, ons opgelegd door partijtyrannie, naar welks afwenteling verlangend wordt uitgezien. De Unie-collecte is door het Christenvolk altijd met blijdschap begroet, en worde dat ook nu weer. Zoo moge dan blijken, hoe ons volk zijn school met den Bijbel liefheeft en zelfs er naar verlangt om een offer der liefde te leggen op het dankaltaar, dat sinds 1878 iedere Augustusmaand in Nederland wordt opgericht

Joden en Jodenzending.
(De Standaard).
De Gereformeerde Kerken hebben de Zending onder de Joden. Ds. J. van Nes geeft in een rapport, bestemd voor de Synode te Groningen, allerlei belangrijke opmerkingen, waarvan we een gedeelte hier laten volgen. We ontleenen het aan „De Bazuin", waarin ds. J. Douma van Den Haag hierover schrijft in de rubriek „Zending en Evangelisatie".
Ds. Van Nes schrijft dan:
„Mag van den arbeid onder de Joden getuigd worden, dat hij van de zijde der Gereformeerden in groeiende mate wordt verricht, zoo moet er nadruk op gelegd worden, dat dit geschiedt ­in weerwil van den tegenstand der Joden. De houding der Joden tegenover de Zending is niet veranderd. Zij staan ons werk nóg fel tegen. Maar die tegenstand is juist een prikkel tot voortgaan, is in zekeren zin 'n bemoediging. Als de Joden onzen arbeid geheel konden negeeren, dan zou dat te betreuren zijn. Maar het blijkt juist, dat zij dit niet kunnen. De Joden houden rekening met de Jodenzending. De Joden letten op ons werk, en worden mede daardoor opgewekt om toch oog te gaan krijgen voor het verval in hun eigen kring.
Dat blijkt duidelijk uit een ingezonden stuk in het „Centraalblad voor Israëlieten" van 17 April 1925, waar het o.m. heet: „In verschillende kerkelijke bladen van Christelijke richting zien we propaganda gemaakt voor de lezingen, die ds. Van Nes op het oogenblik in verschillende Geldersche plaatsen houdt, om Joden tot het Christendom te bekeereh, maar ook van de wijze, waarop men het posten door Israëlieten aan den ingang der vergaderlokalen om hun geloofsgenooten van het bijwonen dier vergaderingen terug te houden, afkeurt. Hoe goed ook bedoeld, zie ik het heil van dit posten niet in. Ik zou zoo zeggen, dat de mannen die zich daar op post stellen, hun krachten nuttiger kunnen besteden. Niet aan den ingang der lokalen, waar ds. Van Nes optreedt, moeten ze zich stellen, maar ze moeten weten door te dringen tot die huizen waar ouders hun kinderen voor het Jodendom doen verloren gaan door hen van het godsdienstonderwijs verre te houden; het wil ons voorkomen, dat we zelf in eigen kring een gewichtige zending hebben te volbrengen, door daar waar men zich en zijn kinderen van het Jodendom vervreemdt, te wijzen op het verraad dat men tegenover het Jodendom en zijn belijdenis pleegt "
In het gedenkboek door dat zelfde „Centraal Blad" in het voorjaar van 1925 uitgegeven, ter gelegenheid van zijn 40-jarig bestaan, komt ook een artikel voor over de Zending onder de Joden, dat doet zien, hoe de Joden niet meenen te kunnen volstaan met te trachten de Zending te negeeren, maar oordeelen, dat zij haar moeten bestrijden. Immers lezen we daarin: „De bestrijding der zending is aldus volgens mijn ervaring vooralsnog een voorname factor van het Jodendom en hoezeer waardeerend de pogingen, die in de latere jaren zoo te Rotterdam als elders, in dat opzicht zijn gedaan, is het mijn conclusie dat in dezen nog veel meer, dat werkelijk niet genoeg kan worden gedaan".
Deze beide aanhalingen zijn zeker afdoend bewijs voor de bewering, dat onder de Joden al meer rekening wordt gehouden met de Zending. De Zending wekt de Joden op tot actieven arbeid in geestelijk opzicht in eigen kring. En geestelijke opwekking onder de Joden kan ons niet anders dan welgevallig zijn.
Een Jood in Amsterdam, met wien ik dikwijls gesproken heb, die vroeger vrijwel geheel ongeloovig was, en nu ijvert voor het Jodendom en persoonlijk ook meer ernst met den godsdienst maakt, zeide mij in Februari 1924, dat het eene negatieve vrucht der Jodenzending was dat de Joden weer wakker werden en zich meer aaneensloten en trachtten de kennis van den Joodschen godsdienst te verlevendigen, maar ik antwoordde hem, dat ik mij daarover zeer verblijdde, dat ik het een positieve vrucht achtte, en dat het mij ook goed deed, te bemerken dat hij, wien ik vroeger meermalen gezegd had dat hij een betere Jood moest worden, zelf getuigde, dat te zijn geworden.
Als reactie tegen de Jodenzending wordt op verschillende plaatsen door de Joden krachtig geijverd om Joodsche kinderen saam te brengen in samenkomsten, waar zij beter met het Jodendom worden bekend gemaakt. Voorzoover zij daardoor ook meer van de Heilige Schrift hooren, kan ons dat niet dan eene oorzaak van blijdschap zijn.
Bemoedigend is ook, dat, in weerwil van der Joden bestrijding, toch nog tal van Joden in openbare vergaderingen in verschillende plaatsen onder ons gehoor zijn geweest, terwijl ook vele Joden met blijkbare belangstelling kennis nemen van wat in "" De Messiasbode", ons maand blad voor de Joden, wordt geschreven".
Zoo is het. De reactie is geen slecht teeken. Laat zij voor de kinderen Sions, die zich verheugen voor hunnen Koning, een prikkel te meer zijn tot het bidden op grond van 'sHeeren beloften en tot het werken in Zijn kracht!
's-Gr.                                                                                                                                                                     J. DOUMA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's