KERKELIJKE RONDSCHOUW
Uit de Synode (2)
De vorige week konden we heel wat „uit de Synode" meedeelen. Het moet gezegd worden, dat er hard is gewerkt en veel is verhandeld dit jaar. Die de verslagen dagelijks leest en een beetje verder kijkt dan z'n neus lang is, bemerkt dat dadelijk. Wel zullen er zijn, die maar blijven zeggen „de Synode doet niets". Maar dat is toch niet naar waarheid gesproken dan. Voor ons is echter de vraag w a t de Synode doet en h o e haar besluiten zijn uitgevallen. Nu — daar was verleden week nog niets van te zeggen (toen wij ons artikel moesten verzenden), maar nu wel. Alles is nu alweer afgeloopen in Den Haag. En we kunnen dus nu de rekening opmaken!
De nieuwe week (de vorige n.l.) begon, in de 17de zitting, met een rapport van prof. Van Nes over het verzoek van de Classicale Vergadering van Amsterdam, om de candidaatsbul der Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam (waar geen kerkelijk-hoogleeraren van de Ned. Hervormde Kerk zijn) als geldig te verklaren voor het proponentsexamen.
De commissie van rapport merkte op, dat dergelijke voorstellen de Synode meermalen hebben bereikt. Men heeft meermalen gezegd, dat er een kleinzielige rancune bij onze Synode bestond, wegens het opheffen van het kerkelijk professoraat te Amsterdam. Die rancune behoort thans tot het verleden, al is het feit daarom nog niet vergeten. Ook werd opgemerkt, dat wij reeds te veel universiteiten hebben en dat men bezwaar had de predikanten der Ned. Hervormde Kerk te laten opleiden door hoogleeraren, die tot andere Kerkgenootschappen behooren. Ook past het niet in het kader van onze reglementen: onze studenten behooren te studeeren van den aanvang hunner studie af aan die Universiteiten, aan welke kerkelijke professoren verbonden zijn. De groote meerderheid ontried dan ook de aanneming der ingediende voorstellen. Na zeer breede discussie werd op 2 na algemeene stemmen besloten de examens der Theologische faculteit dezer Universiteit niet te erkennen.
Met 12 tegen 6 stemmen besloot de Synode een schrijven aan het Classicaal Bestuur van Amsterdam te richten, houdende mededeellng dat dit college bereid is alle pogingen om tot herstel van het instituut van kerkelijke hoogleeraren aan de Universiteit van Amsterdam te komen, te steunen. De Theologische faculteit dezer Universiteit zal van dit schrijven een afschrift ontvangen.
De heer Prisse bracht rapport uit over een voorstel van de Classicale Vergadering van Harderwijk, dat de Kerkeraden ook waken voor het indienen van doopsbewijzen. De conclusie van het rapport strekte tot afwijzing, waarmede de vergadering zich vereenigde. Eveneens bracht hij rapport uit over een voorstel van den heer J.T. Janse, ouderling te Ottoland, om herbenoemde kerkeraadsleden niet weer te bevestigen. De conclusie van het rapport strekte tot afwijzing, welke conclusie werd aangenomen.
Het rapport van den heer Picard, reeds vroeger vermeld, kwam in behandeling. De Classicale Vergadering van Dordrecht wilde weer terugkeeren tot d e o u d e w ij z e van persoonlijke kerkvisitatie. Dit werd verworpen, maar aangenomen werd een voorstel van de heeren Gravemeljer en prof. Van Nes: „De Synode benoeme een commissie van drie leden om voorstellen te beramen en deze het volgend jaar in te dienen om aan de gegronde bezwaren tegemoet te komen, de persoonlijke kerkvisitatie betreffende. Deze commissie overwege vooral de mogelijkheid, de bezwaren te ondervangen door zulke veranderingen In het vigeerend reglement aan te brengen, dat het mogelijk wordt dat een lid van het betrokken Classicaal Bestuur aan de persoonlijke kerkvisitatie deelneme".
Dezelfde rapporteerde ook over een voorstel van de Classicale Vergadering van Emmen om ook oud-ouderlingen te benoemen tot kerkvisltatoren. Dit voorstel werd aangenomen.
Aangenomen werd een voorstel-Heerenveen, dat bij de persoonlijke kerkvisitatie alle schuldbekentenissen ter tafel behooren te zijn en niet deze onder hypothecair verband alleen.
Benoemd werden tot leden van de commissie tot wijziging van de persoonlijke kerkvisitatie de heeren dr. W. Stoel te Bemmel, ds. A.M. Bloem te Chaam en ouderling H.G. Franck te Veenhuizen.
Door de Synode werd aangenomen en ter overweging aan de Alg. Synodale Commissie gegeven een voorstel van de heeren Gravemeijer, Schokking en Stoel, bedoelende: 1. een zoodanige wijziging in het Reglement Kerkelijk Opzicht en Tucht, dat er onderscheid gemaakt kan worden tusschen rehabilitatie in den zin van burgerlijk eerherstel door het opheffen van het tuchtmiddel en de teruggave van de bevoegdheid om weder als predikant op te treden; 2. dat heropening van een zaak van kerkelijk opzicht en tucht mogelijk worde gemaakt, wanneer 't blijkt, dat de uitspraak gegrond was op overwegingen, welke geen rekening konden houden met later gebleken fouten.
Ter tafel kwam een rapport van dr. Oorthuys over de consideratiën betreffende het voorloopig aangenomen gewijzigd Reglement op de Buurtgemeenten. Het rapport bespreekt uitvoerig de Ingekomen adviezen. Er blijkt o. a. uit dat de Classicale Vergaderingen van Amsterdam, Haarlem, Leiden, Utrecht, het Reglement geheel verwerpen. Rotterdam verklaart zich tegen de „verplichting" welke er in opgenomen is. 's-Gravenhage, Arnhem en Groningen adviseeren tot aanneming. Het blijkt echter „ten eenenmale onmogelijk" voor den rapporteur uit te rekenen, hoeveel stemmen vóór of tegen de afzonderlijke deelen enz. van heel dit complex zijn uitgebracht.
De meerderheid der rapporteerende Commissie wil op grond van de consideratiën en ook om de zaak zelve, de „verplichting" uit het Reglement wegnemen.
Eén lid legt er nadruk op, dat men dwaalt in de meening dat dit Reglement als werkreglement aan de groote Gemeenten kan worden aangeboden, en dat men er mede buiten den richtingsstrijd zou blijven. Een ander lid der Commissie heeft groot bezwaar tegen de bepaling van art. 5a, volgens welke het 6-tal voor een te beroepen predikant door den centralen Kerkeraad zal worden opgesteld. Hij zou aan de buurtgemeenten de volle vrijheid ook van beroeping willen laten. Een ander lid zou wenschen, dat meer rekening ware gehouden met den wensch en het gevoelen der groote Gemeenten zelve. Hij meent, dat een dwingend ingrijpen van de Kerk in de interne aangelegenheden der plaatselijke Gemeenten in strijd is met de beginselen van het Gereformeerde Kerkrecht. Waarom moet de Synode schromen kleine Gemeenten te dwingen tot combinatie, en daartegenover vrijmoedigheid vinden de groote, belangrijke Gemeenten te dwingen tot splitsing? Een ander lid der Commissie zou de zaak opnieuw aan een commissie ad hoc ter behandeling willen geven, met terugneming derhalve van het voorloopig aangenomene.
Bij de behandeling van het rapport werd door sommige leden opgemerkt, dat het Reglement voor hen staat of valt met de „verplichting"; door anderen, dat zij 't niet zonder die „verplichting" kunnen aanvaarden. Voor sommigen is de vraag, hoe de groote steden er tegenover staan, richtsnoer. Anderen leggen er nadruk op dat men niet moet vergeten, dat het hier geldt een compromis, dat men in de groote steden toch gevoelt, dat het tot Buurtgemeenten moet komen, doch dat het vigeerend Reglement daartoe niet kan leiden. Ook de kwestie van het zestal (art. 5a) zou een compromis zijn De rapporteur vraagt, of zij gelijk hebben, die zeggen dat na wegneming van de verplichting, het Reglement niets meer waard Is. Integendeel, weinig waarde moet worden toegekend aan hetgeen uitsluitend berust op dwang.
Met 10 tegen 8 stemmen sprak de Synode zich uit voor de verplichting van invoering van buurtgemeenten. Met 6 tegen 12 stemmen werd een voorstel tot schrapping van het vormen van het zestal door den centralen Kerkeraad, verworpen. Als vervolgens het geheele Reglement in stemming komt, staken de stemmen, zoodat in de vergadering van Woensdag 10 Aug. opnieuw moet worden gestemd. De uitslag is nu 10 stemmen voor en 9 stemmen tegen. zoodat het Reglement, zooals het er ligt, aan de eindstemming van de Provinciale Kerkbesturen zal worden onderworpen.
Aangezien de heer mr. L.M. de Jong Schouwenburg voor zijne benoeming tot secundus-lid ouderling der Synodale Commissie heeft bedankt, wordt thans in zijn plaats benoemd de heer E. Baron Prisse, oud-ouderling te Ginneken.
In behandeling komt het rapport van den heer Tammens over de consideratie, betreffende de terugbrenging van de Waalsche Gemeenten tot een Classicaal ressort. Ook dit rapport geeft een zeer uitvoerig overzicht van de meening der Classicale Vergaderingen en der Provinciale Kerkbesturen. Het Waalsche ressort zelf spreekt uit, dat het sedert eeuwen een positie bekleedt, die nimmer betwist is en dat het onafgebroken bestaan van die positie een recht uitmaakt. De Waalsche Commissie en de Waalsche Reünie verklaren zich al haar rechten voor te behouden.
Bij de bespreking merkte prof. Brouwer op dat, gelijkerwijs in het rapport, de richtingskwestie was uitgeschakeld. Hij vroeg of er reden is, aan een groep van omstreeks 8000 zielen zulk een belangrijke plaats in het Kerkbestuur toe te kennen. Hij beantwoordde die vraag ontkennend. Het spreekt vanzelf, indien er een contract is gesloten, dan moeten wij ons daaraan houden, maar spreker betoogde uitvoerig dat zulks volstrekt niet het geval is. Op de Synoden van Emden, Wesel en Dordrecht is veeleer tot het tegenovergestelde van een contract besloten. Spreker zag niet in, dat aan de Waalsche Kerken eenig onrecht wordt gedaan.
Prof. Van Nes meende, dat men hier voor een historisch vraagstuk staat, dat niet zoo gemakkelijk uitgemaakt kan worden. Daarvoor zou een commissie noodig zijn. Spreker had in 1924, toen de zaak ook aan de orde was, gewild dat de Walen zelf met een voorstel zouden komen. Hij heeft hooge reverentie voor de Walen en hun vertegenwoordigers in de Synode. Daarom zou hij wenschen, dat in de plaats van het voorgestelde werd besloten dat hun vertegenwoordiging in de Synode tot één lid werd beperkt, en dat hun voor de eindstemming twee stemmen werden gegeven.
De secretaris, de heer Den Breems, wilde geen uitstel, omdat de Walen zelven niet een bespreking hebben gewild. Overigens wees hij erop dat wij het recht hebben onze eigen internationale aangelegenheden te regelen.
De vice-president, de heer Zoete, merkte op, dat, indien het hier ging om personen, hij tegen de voorloopig aangenomen wijziging zou stemmen. Maar het betreft hier den geheel onevenredigen invloed, dien de Waalsche Gemeenten bezitten. Ook wees hij op de 17 Class. Vergaderingen, die éénstemmig vóór waren, welk gevoelen door vele Provinciale Kerkbesturen in meerderheid werd gedeeld.
Bij de verdere besprekingen wees de heer Picard op het ontbreken van een overgangsbepaling, die toch noodig zal zijn. Dit geeft aanleiding tot overweging van de vraag: hoe zal moeten worden gehandeld als de meerderheid zich vóór aanneming verklaart?
Besloten werd in dat geval aan de wijzigingen de afzonderlijke mededeeling toe te voegen, dat zij eerst op den 3en Woensdag van Juli 1930 in werking zullen treden.
Bij stemming bleken de heeren Prof. van Nes (prae-adviseur). Tammens, Bolt, Boonstra, Franck, Picard en dr. Weyland tegen de wijziging te zijn, zoodat de wijziging met 13 tegen 6 stemmen is aangenomen en het voorstel aan de hoofdelijke stemming der Provinciale Kerkbesturen zal worden onderworpen.
Daarna komt in behandeling het voorstel, ingediend door J.J. Timmer c.s. tot samenstelling van de z.g. „Groote Synode". Uit het rapport van dr. Schokking blijkt, dat hier bedoeld is hetgeen in 1922 en '23 door de meerderheid der toenmalige Synode is gewild, doch door het veto der provinciale kerkbesturen ongedaan is gemaakt. De meerderheid der commissie van rapport adviseert nu deze „groote Synode" (van 45 leden) te aanvaarden volgens de eind-redactie van 1923. Na eenige bespreking wordt deze conclusie aangenomen met 11 tegen 8 stemmen. Vóór adviseerden de secretaris en dr. van Nes. Vóór stemden de h.h. Zoete, Barbas, dr. Schokking, Gravemeyer, dr. Oorthuys, Idenburg, Bongers, Tromp, Bloem, Prisse en de president. Tegen adviseerde dr. Brouwer en stemden de h.h. Stoel, van Zwet, Wolffenssperger, Tammens, Bolt, Boonstra, Franck en Picard.
In behandeling komt het rapport van den heer Bloem over een voorstel van dr. Oorthuys tot wijziging van art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs, bedoelende dat in de tweede belijdenisvraag de woorden „te streven naar heiligmaking" worden vervangen door: ,,de heiligmaking na te jagen, zonder welke niemand den Heere zal zien". De beide praeadviseurs konden zich met de wijziging niet vereenigen. Prof. van Nes wees er op, dat het door dr. Oorthuys als „Arminiaansch" gebrandmerkte woord „streven" ontleend is aan de Psalmen en dat het (Psalm 34) op „vrede" slaat. De Voorsteller lichtte zijn bedoeling nader toe. Merba valent usu en door het gebruik heeft het woord „streven" een voor velen (ook voor wijlen prof. dr. Gunning e.a.) onaangenamen klank gekregen. Zijn voorstel werd aangenomen met 11 tegen 8 stemmen.
Nu volgde het voorstel van de Classicale vergadering van Leiden tot wijziging van art. 39 al. 1, door wegneming van de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak". Het rapport van den heer Stoel gaf geen aanleiding tot uitvoerige bespreking, omdat het hier een voorstel betreft, dat reeds dikwijls in behandeling is geweest.
De President en Prof. van Nes waren vroeger van oordeel, dat de woorden welker weglating men thans wenscht, niet bepaaldelijk voor den liturg, maar voor degenen die belijdenis doen, van de grootste beteekenis zijn. Het is echter gebleken, dat ongetwijfeld de woorden aan den liturg de vrijheid geven, naar eigen inzicht van de letterlijke bewoordingen af te wijken. Thans merkte Prof. van Nes op, dat hij van oordeel is, dat de vragen eigenlijk niet in het Reglement thuis behooren. Nu zij er in staan moeten zij ook gebruikt worden zooals zij zijn opgesteld. Trouwens wanneer iemand op belijdenis des geloofs is aangenomen en met attestatie naar een andere Gemeente gaat, moet die andere Gemeente weten op welke belijdenis de betrokken persoon is aangenomen. Nadat verschillende leden zich vóór of tegen hebben uitgesproken, werd met 11 tegen 8 stemmen besloten, dat de woorden „geest en hoofdzaak" in het artikel zullen blijven. Die zich tegen het voorstel-Leiden verklaarden zijn de heeren: Stoel, Schokking, Bongers, van Zwet, Wolffenssperger, Tammens, Bolt, Boonstra, Franck, Picard en de president. Dat de heeren Schokking en Bongers (om geen anderen te noemen) hier onder de tegen stemmers gevonden worden verbaast en bedroeft ons. Het spijt ons dat deze mannen (die bovendien den doorslag hadden kunnen geven), niet hebben willen meewerken, om die beruchte woorden „geest en hoofdzaak" hier te schrappen!
Dat behoort alweer tot de pijnlijke ervaringen van het leven! Dankbaar noteeren we ook de vóórstemmers: Barbas, Gravemeyer, Oorthuys, Idenburg, Tromp, Bloem, Prisse en de vicepresident ds. Zoete.
Het rapport volgt nu over het voorstel van de heeren Timmer c.s. tot wijziging van art. 27 van het Reglement op het examen (de proponentsformule) en van art. 19 van het Reglement op het godsdienstonderwijs. Deze wijzigingen, zegt men, bedoelen niet uitdrijven, maar uit te spreken het belijdend karakter der Kerk.
De heer Timmer wil invoegen, achter het Evangelie van Jezus Christus, de woorden: „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking". Daar de exegese van deze woorden niet vaststaat, willen anderen invoegen: „naar de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds". De meerderheid der Commissie wil het onveranderd laten om niet telkens formules te wijzigen, en zij ook van verandering geen heil verwacht. Deze conclusie wordt aangenomen met de stemmen van de heeren: Stoel, Bongers, Tromp, Van Zwet, Wolffenssperger, Tammens, Bolt, Boonstra, Franck, Picard en den president. Er tegen zijn de heeren: Barbas, Schokking, Gravemeyer, Oorthuys, Idenburg Bloem, Prisse en de vice-president.
De proponentsformule blijft dus ongewijzigd.
Dat d i t besluit van deze Synode ons bizonder smart behoeven we zeker niet te zeggen.
We hadden verwacht, dat een Synode die zooveel gevaar ducht van een Roomschen nuntius bij ons Hof, óók een open oog zou hebben gehad voor de groote gevaren, die in onze Herv. Kerk zijn en aan degenen, die als predikant onze Herv. Kerk willen dienen wel zou hebben willen vragen toch eenig en alleen het Evangelie des Kruises te prediken! Maar neen — slaapt maar voort, hooge Synodaal-Hervormde heeren! Modernist en liberalist moesten u ook eens voor „onverdraagzaam" aanzien! Het schamper-lichtvaardig schrijven van een man als prof. Obbink in „het Weekblad voor Christendom en cultuur" zal er ook geen goed aan gedaan hebben!
Het veto-recht.
De heer Picard brengt rapport uit over het voorstel van dr. Oorthuys, om uit art. 62 van het Algemeen Reglement het zoogenaamde vetorecht te schrappen, n.l. dat de aangenomen voorstellen worden onderworpen aan de hoofdelijke stemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen. De meerderheid der commissie wil het vetorecht handhaven, de minderheid het afschaffen. De conclusie van de meerderheid wordt aangenomen met zes stemmen tegen, n.l. van de heeren Barbas, Schokking, Gravemeijer, Oorthuys, Tromp en den vice-president.
De conscientie-kreet van dr. Oorthuys.
Aan de orde komt het voorstel van dr. Oorthuys, dat de Synode aan alle Provinciale en Classicale sBesturen het navolgend schrijven zende:
WelEerw. en Eerw. broeders,
Met groote droefheid merkt de Synode op, dat allerlei leeringen die in strijd zijn met de grondwaarheden van het christelijk geloof, ook in den boezem der Kerk voorteten, gelijk de kanker.
In woord en geschrift worden met nam de leer der Drieëenheid Gods, van de Godheid van Christus Jezus, van Zijne vleeschwording en van Zijn plaatsbekleedend en verzoenend lijden en sterven, van Zijne lichamelijke opstanding uit de dooden en van Zijn hemelvaart, ook de leer van de rechtvaardiging uit het geloof alleen en van de uitverkiezing en voorverordineering, welke tot het wezen der Reformatorische, en enger, der Gereformeerde geloofsovertuiging behooren, op de meest drieste wijze ontkend en bestreden.
De Synode, hoewel onbevoegd tot het beslechten der leerstellige geschillen en tot het toetsen der belijdenisschriften aan Gods Woord, nochtans geroepen tot de handhaving van de leer der Kerk, volgens artikel 11 van het Algemeen Reglement en het als haar heilige taak beschouwend, gelijk als de taak van ieder christen, om pal te staan allereerst voor de grondwaarheden van het christelijk geloof en daarom ook van de Gereformeerde Kerk hier te lande,
spreekt uit, dat de ontkenning en bestrijding van de bovengenoemde grondwaarheden in strijd is met het Evangelie van Jezus Christus en dus ook met de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk en daarom eveneens in strijd met de verklaring en belofte, afgelegd en af te leggen om toegelaten te worden tot het Predikambt en tot 't werk van godsdienstonderwijzers of - onderwijzeressen in onze Kerk;
en acht het de roeping der Provinciali en Classicale Besturen, de aanstaande candidaten tot den Heiligen Dienst en de candidaten voor het godsdienstonderwijzerschap er met allen ernst op te wijzen, dat alleen zij de van hen geëischte verklaring en belofte naar waarheid kunnen afleggen en onderteekenen, die van harte belijden de Heilige Drieëenheid, de Godheid des Zoons, Zijn voldoenende en verzoenende offerande, Zijne opstanding ten derden dage, Zijn opvaren ten hemel, alsmede de Rechtvaardiging uit het geloof en de verkiezing en voorverordineering Gods, zooals die in onze belijdenisschriften naar Gods heilig Woord zijn gepredikt.
Hoewel overtuigd, dat daarmede uw taak wordt verzwaard, vertrouwen wij nochtans dat gij, onder biddend opzien tot God Zijn eer en tot heil der Kerk, zult willen medewerken, ook op deze wijze, tot handhaving van het allerheiligst christelijk geloof in de Kerk van Christus, tot welker bestuur gij geroepen zijt".
In de Commissie, in wier handen dit voorstel is gesteld, zijn verschillende leden het eens met den consciëntiekreet van dr. Oorthuys, doch werd ook de gedachte uitgesproken, dat voor het verlangende rondschrijven geen kerkrechtelijke grond aanwezig is, zoolang de voorgeschreven vragen de toelating tot de Evangeliebediening en tot godsdienstonderwijzer niet gewijzigd zijn. Al waardeert men ook den consciëntiekreet van dr. Oorthuys, toch betreurt men de wijze, waarop dit geschiedt. Wat hier wordt voorgesteld, is van zóó wijde strekking, dat het niet aangaat, zonder ernstige en omvangrijke voorbereiding hierover te beslissen. Daar is allereerst n.l. de bevoegdheid der Synode. Dr. Oorthuys zelf verklaart, dat hij de Synode niet bevoegd acht om over leergeschillen te beslissen en toch vraagt hij, dat de Synode een principiëele beslissing neemt ten opzichte van vraag wat geest en hoofdzaak is in de geloofsbelijdenis.
Ook is het de vraag, of het in het algemeen wel juist is, de Kerk te willen binden aan op zulk eene concrete wijze geformuleerde uit de belijdenis uitgelichte geloofswaarheden? Wordt hiermede de zaak van Christelijk geloof en leven niet al te veel tot zuiver verstandelijk terrein beperkt en wordt hiermede niet de dwaling in de hand gewerkt, dat een toestemming van dogmata de hoofdzaak van het Christendom is? Ook is hier eene willekeurige selectie van geloofswaarheden. Er wordt geen uitspraak gedaan omtrent de H. Schrift en het Woord Gods. Ook wordt het als een onrecht gevoeld duizenden in onze Kerk, die andere gevoelens voorstaan, op deze wijze uit de Kerk te dringen. Hier komt ook de vraag op: wat verstaat men onder Kerk? Ook is er een duidelijk waarneembare verandering in het godsdienstig en kerkelijk leven waar te nemen. Is het nu voor de Synode de tijd daarin door zulk een improvisatorisch rondschrijven in te grijpen? Men bedoelt niet op al deze vragen een antwoord te geven of uit te lokken, maar wil alleen doen zien wat er al niet vast zit aan het verzoek van dr. Oorthuys.
De Commissie adviseert dan ook het verzoek van dr. Oorthuys niet in te willigen.
De conclusie der Commissie wordt aangenomen met 12 tegen 7 stemmen. Er tegen waren: Barbas, Schokking, Gravenmeijer, Oorthuys, Tromp, Bloem en Prisse.
Terwijl men in Ommen vergadert en een nieuwe, een andere Christus gepresenteerd wordt ten aanschouwe van duizenden en terwijl mannen als ds. Theesmg ongebonden loochenen wat de Heere als het e e n i g fundament ter zaligheid gelegd heeft, zwijgt de Synode der Ned. Hervormde Kerk, ook als haar gevraagd wordt een „getuigenis" te doen hooren. „Teekenen der tijden" schijnen er voor de Synode niet te bestaan! En om den Christus te belijden voor de menschen, schijnt voor de Synode niet noodig! Deze beslissing ontsiert niet dr. Oorthuys, noch die hem terzijde stonden, maar hen, die hier hebben gezwegen, ja, tegengewerkt hebben toen tot spreken werd uitgenoodigdl
Verzoek Confessioneele Vereeniging.
Aan de orde komt het rapport van prof. Brouwer over het verzoek der Confessioneele Vereeniging aan de Synode, een Commissie te willen benoemen, ten einde te overwegen en voorstellen te ontwerpen, op welke wijze de organisatie onzer Kerk dient veranderd, om te komen tot een Kerkregeering, waarbij ten volle gerekend wordt met de ambten der Kerk en waardoor de ware eenheid bevorderd wordt en onze Kerk weder een belijdende Kerk zij in het midden van ons volk.
Aan dit verzoek werd adhaesie betuigd door 17 Classicale Vergaderingen en zes Kerkeraden.
De Commissie van rapport is verdeeld. Een minderheid stemt met het verzoek in; de meerderheid wil dezen weg niet inslaan. Een van hen zou willen, dat de voorstellers zelf met een reorganisatie-ontwerp kwamen, in plaats van aan de Synode zulk een werk op te dragen. Hij heeft bovenal bezwaar tegen de gevolgen, die uit de bedoelde reorganisatie moeten voortvloeien, ook al mocht worden betoogd, dat dit niet de opzettelijke bedoeling is: Kerkrechtelijke leertucht. Zij zijn van oordeel, dat dan de onrust in de Kerk eerst recht zal beginnen en de Protestantsche Christenheid in ons land in allerlei kleine groepen uiteen zal vallen. Zij achten kerkrechtelijke leertucht, zooals die door zoogenaamde meerdere vergaderingen zal worden uitgeoefend, een verderf voor het geestelijke leven. Door de leertucht-procedure worden schijnheiligheid en karakterloosheid in opvallende mate bevorderd. Dit is het ergste, wat van geestelijk leven kan worden gezegd. En dat behoeft niet te verwonderen, want geestelijk leven kan zich alleen op de rechte wijze ontwikkelen in de sfeer van volkomen vrijheid van uiterlijken dwang. Alleen door zuiver geestelijke middelen als daar zijn gebed en evangelisatie, prediking en zielszorg, godsdienstonderwijs en Schriftonderzoek, kan ongeloof en bijgeloof en wangeloof overwonnen worden. Alleen de tucht van den Heiligen Geest aan de gewetens kan de Kerk zuiveren. Op den weg van kerkrechtelijke leertucht is niet te verwachten dat onze Kerk een belijdende Kerk wordt. Op deze gronden meent de Commissie niet de minste verantwoordelijkheid te mogen aanvaarden om den weg tot reorganisatie mogelijk te maken en meent zij deze reorganisatie-pogingen ten stelligste te moeten ontraden.
Bij de stemming verklaarden zich 10 leden voor het benoemen van een Commissie, n.l. Barbas, Schokking, Gravemeijer, Oorthuys, Idenburg, Tromp, Bloem, Prisse, de vicepresident en de president. Aan het Moderamen werd opgedragen een vijftal leden der Synode hiervoor aan te wijzen.
Aan de orde komt het rapport van de Commissie voor
Kerk en Zending.
Het rapport is ingezonden aan Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen om te willen stemmen over het principe, dat aan het concept-reglement ten grondslag ligt, van welk reglement de hoofdgedachten zijn:
a. De Kerk draagt de verantwoordelijkheid van en krijgt de bevoegdheid tot het Zendingswerk.
b. Het bestaande wordt gehandhaafd.
c. De Zendelingen krijgen een kerkelijke positie.
Niet van alle besturen is antwoord ingekomen; ook de Zendingscorporaties zijn om advies gevraagd. De Samenwerkende Zendingscorporaties achten nadere bestudeering noodig.
De Commissie vraagt diligentverklaring of een nieuwe Commissie te benoemen. De Commissie wordt diligent verklaard.
En zoo ligt de Synode van 1927 ook weer achter ons! Wij zijn dankbaar voor 't goede dat er in was; de Heere achtervolge het met Zijnen zegen. En wat ons teleurstelde heilige de Heere in Zijn gunst, opdat uit 't kwade nog iets goeds geboren worde! De belijders van den Christus der Schriften zullen elkander nog meer moeten zoeken en elkaar nog beter leeren vinden!
De Modernen en wij (1)
In een artikel „Christologie en Kerk" wijst Prof. J. Lindeboom, theol. hoogleeraar (vrijzinnig) te Groningen, op een uitspraak van dr. G.H. H. van Senden in „Christendom en Universeele religie" waar deze theoloog uit den Barchemer-kring zegt: „Gelijk bekend is, zingen in onze vrijzinnig-godsdienstige wereld het modern-religieuse en het vrijzinnig-christelijke een duet, dat niet steeds harmonisch klinkt. Wat nood! De moderne theologie laat evenzeer als de moderne muziek plaats voor dissonanten". Verder zegt dr. v. S.: „Meerderen is in onze dagen het Christendom te eng geworden. Niet zoozeer een bepaalde gedachte daarin maar het feit van het Christendom in zijn historische bepaaldheid".
Die „historische bepaaldheid" zit velen van de vrijzinnig-godsdienstigen dwars. Ze willen liever veel, héél veel naar het land van de fabels, van de schimmen verwijzen. De „oude" God (zou ds. Theesing van Middelie-Kwadijk zeggen) heeft z'n tijd gehad en het evangelie van Christus naar de Schriften zijn we te boven.
De gewezen predikant B. de Ligt heeft vóór eenigen tijd (zegt prof. Lindeboom, blz. 30) onomwonden uitgesproken, dat hij het Christendom voorbij is. En ds. D.A. Vorster, de Arnhemsche voorganger der Vrijz. Hervormden, schreef in „Kerk en Volk" (1925, no. 27): „Er zijn zeer velen onder de niet-orthodoxen, die nog niet zonder meer durven afsteken naar de diepte, maar die het nog heel veilig vinden om in het historisch gewordene, in de groote figuren van Jezus van Nazareth in 't bijzonder en zijn Evangelie, zooals zij dat verstaan, hun steun te vinden, en die niet, na zich in dat alles verdiept te hebben, kunnen overgaan om te leven uit hetgeen innerlijk waarheid is".
Een en ander wijst er op, dat men eigenlijk bij de modernen het historisch Christendom voorbij is. Velen durven nog wel niet goed alles loslaten om af te dalen in hetgeen innerlijk waarheid is — er zijn er nog die willen vasthouden aan het historisch gewordene en aan figuren als Jezus van Nazareth — maar dat is alleen omdat ze nog niet consequent zijn en nog niet goed „durven". Christendom en moderne religie staan klaar uit elkaar te gaan; de tweesprong is bereikt; alleen men „durft" nog niet goed. Het modern-religieuze is feitelijk iets anders dan het vrijzinnig-christelijke; en de vrijzinnig-christelijken staan klaar om het vrijzinnig-christelijke los te laten en over te gaan in 't spoor van het modern-religieuse, dat heel wat radicaler is dan het eerste. Alleen — men is nog wat bang. Op de „Vergadering van Moderne Theologen" (1913) zei wijlen dr. H.L. Oort: „Den naam C h r i s t e l ij k prijs te geven, is bedenkelijk met het oog op de kerkelijke actie, de orthodoxie, het jonge geslacht en allermeest met het oog op onzen eigen koers". (Bijv. behoorend bij „De Hervorming", 10 Mei 1913, blz. 3).
Men voelt zelf, dat men eigenlijk afscheid moest nemen van het „Christelijke"; maar men vreest, dat het den vrijzinnig-religieuzen geen voordeel zal doen wat betreft het kerkelijk vraagstuk; en ook zullen velen die tot de partij behooren de consequentie niet aandurven en — dan is men ze kwijt voor de partij! Wel zegt men niet onder de modernen à la dr. Van Senden dat „het Christendom" heelemaal afgedaan heeft (men wil 't nog niet als „knocked-out" verklaren), maar men is, vooral in den naoorlogschen tijd, zóó „algemeen" geworden, dat er feitelijk van het historisch Christendom niets overblijft, terwijl andere —en wel heel andere — dingen de plaats van het Christendom hebben ingenomen.
Een leek zou zeggen, dat dan, wanneer men zóó van godsdienstig standpunt veranderd is, de i n n e r l ij k e band met de Christelijke Kerk reeds verbroken is en ook „het lidmaatschap" van die Kerk niet meer kan worden „aangehouden". Om allerlei redenen van uiterlijkheid en traditie kan dat laatste wat worden opgeschort en uitgesteld, maar eigenlijk is het contact met de Kerk verbroken en is men tot geheel andere dingen overgegaan.
Voor predikanten staat de zaak wat anders — zegt men in moderne kringen. Want het is voor een predikant een maatschappelijke kwestie; een kwestie van geld en positie, voor hem en zijn gezin. Maar voor een predikant — zegt men dan — is er nog iets anders: voor hem is het ambt het middel, waarmee hij volgens zijn roeping het voor hem allerhoogste en waarachtigste aan menschen meedeelt. En als hij dan tot andere (betere en hoogere!) gevoelens is gekomen, dan het ambt eigenlijk bedoelde, zou hij dan niet in het ambt en in de Kerk mogen blijven, om den menschen dat „beste van 't beste" mee te deelen? Immers ja!....
Dat het ambt door de Kerk gansch anders bedoeld is en ingesteld is op anderen vorm en inhoud van verkondiging — wordt dan maar door „de modernen" over 't hoofd gezien. Als men „blijft" gebruikt men eenvoudig iets, dat gansch anders bedoeld is, tot hetgeen er vierkant van verschilt en mee in strijd is; wat „eerlijke" naturen nooit kunnen goedkeuren en doen.
Bovendien hebben we, waar het vrijzinnig-Hervormden betreft, aan hun adres te zeggen, dat de Hervormde Kerk een belijdende Kerk is, een Kerk met een eigen leer, met eigen liturgie, met eigen lied, met eigen ceremoniën en plechtigheden, historisch geworden en in aard en wezen, geest en hoofd zaak steeds bewaard en erkend, verdedigd en bevestigd.
In die Kerk moet men niet blijven, wanneer men het historisch, het traditioneel, het kerkelijk Christendom heeft losgelaten en van Woord en sacrament principieel is verwijderd geraakt. Dan zijn er wel vrijzinnige Kerkgemeenschappen als de Remonstrantsche, Doopsgezinde, Luthersche — die niet-confessioneel zijn en waar men dus veel vrijer is. De Hervormde Kerk draagt haar christelijk stempel, door afkomst en traditie haar opgedrukt, en men is niet gerechtigd daar als predikant vierkant tegen in te gaan.
Natuurlijk mag men — als men dat wil — wel van het traditioneele Christendom, van een traditioneele Christologie afwijken. Maar dan moet men niet willen blijven waar men niet thuis hoort. Hoe het met het meer of minder Confessioneele der verschillende Kerkgenootschappen: Luthersche, Remonstrantsche, Doopsgezinde en Hervormde Kerk staat, zet prof. Lindeboom in bovenbedoeld artikel, in verband met het blijven of gaan van predikanten, uiteen.
Het is merkwaardig, hoe gering 't is wat bij de Luthersche, Remonstrantsche en Doopsgezinde Kerk getuigt van een belijdenis; hoe dun, zoo niet onzichtbaar, het Christelijk vernis is, dat de getimmerten van grond-en organieke wetten bij de drie genoemde Kerken dekt. Het degelijkst is het bij de Lutheranen. Art. 2 Algem. Regl. van het Bestuur (zie het Nieuwe Reglement, geldend vanaf 1 Jan. 1916) rekent tot de Ev. Luthersche Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden „allen, die door doop, aanneming of overschrijving in de Ev. Luthersche Kerk zijn opgenomen".
Dat is dus zoo ruim mogelijk: allen die er zijn, zijn er; en die komen willen, wie ook, zijn welkom!
Art. 25 Regl. van het Plaatselijk Kerkbestuur is positiever: „De predikant leidt de openbare godsdienstoefening (gezang, gebed, leerrede). Aan de leerrede moet steeds een Bijbeltekst ten grondslag liggen". Volgens art. 26 bedient hij den Doop; volgens art. 29 leidt hij de Avondmaalsviering. Wel zeer ruim is art. 34: „Hij neemt belijdenis des geloofs af en bevestigt de aangenomen lidmaten, overeenkomstig de bepalingen, door den Kerkeraad vastgesteld".
Volgens art. 29 Regl. op de Vacaturen, enz. verklaart de beroepen predikant bij zijn inzegening, nadat hem de proponentsformule is voorgelezen: „dat beloof ik, daartoe helpe mij God".
Uit art. 8 van het Regl. op de toelating tot het Predikambt blijkt, hoe die proponentsformule bij de Ev. Lutherschen is ingericht. Zij luidt aldus: „ik, ondergeteekende, verklaar bij dezen oprecht, dat ik de belangen van het Christendom in het algemeen en van de Ev. Luthersche Kerk in ons vaderland in het bijzonder, door leer en wandel zorgvuldig zal behartigen: dat ik op de bevordering van godsdienstkennis, Christelijk geloof, goede zeden, orde en eendracht mij met allen ijver zal toeleggen. Ook beloof ik de Reglementen, in de Evang. Luthersche Kerk van, kracht, getrouw te zullen naleven, mij tot dit alles bij deze handteekening verbindende".
In den Model-Beroepsbrief verwijst de beroepende Groote Kerkeraad naar deze verklaring, daarbij de verwachting uitsprekende, dat de beroepene zich „op de bevordering van Godsdienstkennis, Christelijk geloof, goede zeden, orde en eendracht met allen ijver zal toeleggen", terwijl de Kerkeraad hem wederkeerig „al de medewerking, liefde en achting belooft, welke den waardigen Christen-leeraar toekomt".
Dat is dus alles nog al „algemeen" en „ruim"; godsdienstkennis, christelijk geloof, goede zeden, orde, eendracht, enz. Een waardig christen-leeraar enz. Uit het Regl. op de Kerkelijke tucht blijkt dan (art. 1) dat „onder kerkelijke tucht verstaan wordt het optreden der kerkelijke organen tegen gedragingen in strijd met de christelijke zede of de kerkelijke orde".
Ziedaar alles! Niemand zal kunnen zeggen, dat in dezen reglementen-bundel ook maar eenigszins duidelijk wordt aangegeven in welken zin of in welke richting het „christelijk karakter" der Ev. Luthersche Kerk moet worden opgevat of verstaan. Er is ruimte overal, waarbij sterk de indruk van vaagheid en tekort aan bewustheid gewekt wordt. 't Is waar: het c h r i s t e l ij k karakter wordt genoemd, gesteld en geëischt. Maar dat is ook alles.
Over de andere Kerkgenootschappen in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet).
De priesterwijding bij Rome.
Rome heeft zeven Sacramenten. Petrus Lombardus (overleden 1160) heeft het eerst het zevental der Sacramenten geleerd, waar na het door invloed van ThomasAquin is bleef voortbestaan. In de 7de zitting van het Concilie van Trente zijn ze gecanoniseerd en wel: doop, vormsel, avondmaal, biecht, laatste oliesel, priesterwijding en huwelijk (baptismus, confirmatio, eucharistia, poenitentra, extrema unctio, ordo et matrimonium). Deze zeven Sacramenten werden beschouwd als door Jezus Christus ingesteld en noodzakelijk te zijn tot zaligheid.
De sacramenten van doop, vormsel en priesterwijding hebben een onverliesbaar karakter en kunnen niet worden herhaald.
Het onverliesbaar karakter der priesterwijding bestaat in de macht tot het brengen van het misoffer en het afnemen van de biecht. De priesters heeten door God geroepen, wanneer zij door de wettige dienaren der Kerk worden geroepen. Alleen de bisschop kan wijden (zoo als het Concilie van Trente heeft vastgesteld). De verrichtingen van het priesterambt en de vorm der wijding zijn in den Catechismus Romanus (II, 7, 24) voorgeschreven.
Voorwaarde tot de wijding is, dat de persoon, die haar zal ontvangen, gedoopt en van het mannelijk geslacht zij, dat zijn wandel onbestraffelijk zij, dat hij den leeftijd van 25 jaren hebbe bereikt, uit wettigen echt geboren, gezond van verstand, van lichaam, geest, wil en geloof zij.
Het zwaartepunt bij den priester en dus ook bij de wijding, valt op het brengen van het misoffer en het afnemen van de biecht. Bij de wijding ontvangt hij de macht van de Transsubstantiatie, om dus brood wezenlijk te doen veranderen in 't vleesch van Christus en wijn wezenlijk te veranderen in het bloed van Christus. Benevens de macht om iemand z'n zonden te vergeven of ze te doen houden tot zelfs na den dood. De tooverij der transsubstantiatie en het goddelijk werk van zondevergiffenis — zijn de twee bestanddeelen van het priesterschap bij Rome. De wijding door den bisschop begiftigt den gewijde met deze dingen. Maar bij de bepalingen aangaande het werk en de verrichtingen van den Roomschen priester ontbreekt iedere betrekking tot het Goddelijk Woord en de verkondiging daarvan.
In de proponentsformule bij ons staat „de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus" als het voornaamste.
In den beroepsbrief eveneens „de prediking van Gods Heilig Woord". In het Algem. Regl. (art. 20) komt voor, dat aan predikanten is toevertrouwd en aan bevolen „de openbare verkondiging des Evangelies". Zoo ook in het Syn. Reglement voor de Kerkeraden (art. 21). Terwijl in het Regl. op het Godsdienstonderwijs (art. 23) staat, dat „alle predikanten gehouden zijn het gansche jaar door wekelijks even getrouw catechetisch onderwijs te geven, als zij w e k e l ij k s Gods Heilig Woord verkondigen". Die het dus recht neemt, zooals in onze Hervormde Kerk is omschreven, zal moeten toestemmen, dat ten onzent de hoofdzaak voor den predikant is: het Evangelie van Jezus Christus naar Gods Heilig Woord" getrouw bij voortduring te verkondigen. Maar bij den Roomschen priester draait het alles om d e m i s en om d e b i e c h t. En iedere betrekking tot het Woord en de verkondiging des Evangelies naar de Schriften ontbreekt bij Rome's priester. 't Gaat bij hem om de bovennatuurlijke gaven van transsubstantiatie en vergeving der zonden, en die macht, welke hij in de wijding door de oplegging der handen van den bisschop en de zalving met olie ontvangt, verheft hem boven alle schepselen.
Verkeerd gebruik van de leer der Uitverkiezing.
De mooie stukken van ons allerheiligst christelijk geloof, gefundeerd op Gods Woord en nader uiteengezet in onze belijdenisschriften, vragen om een juiste onderscheiding en goede behandeling in de prediking en bij de overdenkingen des harten. Hoe gemakkelijk worden ze echter verward of scheef getrokken! En dan zijn de gevolgen zeer schadelijk. Onder de stukken die van het uitnemendst belang zijn, behoort de leer der Uitverkiezing en bij verkeerd gebruik daarvan zijn de gevolgen allerdroevigst.
Nu gelooven we, dat er hedendaags veelszins een verkeerd gebruik van dit allerbelangrijkst stuk der Schriftuurlijke waarheid wordt aangetroffen bij vele gemeenteleden, maar ook bij voorgangers der gemeente wel. Neen! we moeten niet komen tot loochening, maar tot recht gebruik er van. En daartoe behoort, dat de plaats van het geloof niet gegeven wordt aan de uitverkiezing. Dat brengt dan mee, dat de worsteling des geloofs geboren worde, opdat we — zooals b.v. de Dordtsche leerregels zoo mooi zeggen — uit de vruchten der genade besluiten mogen tot onze verkiezing tot zaligheid. De fout is, dat men veelszins schermt met de leer der uitverkiezing, als men liever naar luid der Schrift moest spreken over het geloof in Christus. En zoo worden vele zielen misleid en vele harten verkeerd onderricht, wat niet tot vreugd en vrede is, maar tot twijfeling en treurigheid.
Het trof ons daarom dezer dagen een stukje te lezen over de leer der uitverkiezing bij W i l h. a B r a k e l, wat we hier overnemen. Het kan wellicht tot onderwijzing en verbetering dienen voor leeraars en gemeente.
Het stukje luidt als volgt:
"Een oorzaak van ongeloof over zijn eigen staat is twijfeling of men uitverkoren is. Het geloof is der uitverkorenen. 't Is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Er is een roeping naar het voornemen Gods. Als ik dan niet uitverkoren ben, zoo kan ik niet zalig worden, en al wat bewegingen van geloof en bekeering ik ook mocht meenen te hebben, die zijn niet recht en het is verloren werk. Hoe langer ik op de verkiezing denk, hoe meer ik geloof, dat ik niet uitverkoren, maar verworpen ben. Ik gevoel het aan mijn hart. Dat zegt het mij klaar genoeg, zoo menigmaal ik wil bidden en tot Jezus loopen. Dit krenkt mij naar ziel en lichaam.
Eerste antwoord. God geeft zelden onmiddellijke uitspraken aan Zijne lieve kinderen, en zou Hij dan de verworpenen zoo verwaardigen, dat Hij aan hen onmiddellijke openbaringen zou geven? Zijt verzekerd, dat het Gods stem niet is, maar het is uw eigen dwaas en ongeloovig hart, waaronder des duivels listen zich vermengen. Gij hebt in den Raad Gods niet gestaan. Laat dan de verborgen dingen voor den Heere en zijt zoo vermetel niet, dat gij weten zoudt hetgeen God in Zijn Woord niet heeft geopenbaard. Heeft God u wel geopenbaard de verwerping van een ander? Immers neen; wat grond hebt ge dan te gelooven, dat God u uwe verwerping zou openbaren? Daarom leeft niet door inbeeldingen en eigen invallen, maar handelt met verstand.
Tweede antwoord. Daar zijn vele anderen geweest, die in deze zelfde verzoeking, en dat misschien dieper dan gij, verzonken zijn geweest, en de uitkomst leerde hun dat zij wel waarlijk uitverkoren waren, en dat zij zichzelven maar verhinderd hadden in den weg van godzaligheid.
Derde antwoord. Men moet zijn geloof, hoop, liefde niet beproeven aan de verkiezing, maar daaruit opklimmen tot de verkiezing. Zoodat gij gansch verkeerdelijk en zottelijk handelt; gij zoudt dat tegen anderen kunnen zeggen dat men zoo niet handelen moest, waaruit gij uwe eigene dwaasheid kunt zien in uwe verkiezing te verwerpen. God geeft het geloof, de bekeering, het leven, de liefde niet aan degenen, die Hij niet uitverkoren heeft, maar alleen aan de uitverkorenen. Zoo de Heere u dan de beginselen van dien heeft gegeven, zoo hebt gij reden daaruit uwe verkiezing vast te maken.
Vierde antwoord. God heeft ons het onfeilbare vaste Woord gegeven, daarnaar heeft men zich in geloof en leven te besturen. Stelt dat voor u, ziet daar de vermaningen, de aanbiedingen van Christus, de beloften aan degenen, die welgevallen in Hem nemen; gaat daarop aan; kunt ge daaruit nog niet opklimmen tot uwe verkiezing? Immers zeker daar vindt ge uwe verwerping niet; ja, al ware 't dat gij in dezen tijd nog onbekeerd waart, ja de gruwelijkste, die leeft, nog kunt ge niet besluiten dat gij verworpen zijt en niet bekeerd zult worden. Legt dan zulke ongegronde en dwaze inbeeldingen af, laat ze u niet meer hinderen, en handelt verstandelijk naar het Woord". W. a BRAKEL.
De Mormonen.
Juist een eeuw geleden verkondigde Josephs Smith, dat hem in een droomgezicht zou zijn meegedeeld, dat zich ergens gouden platen bevonden, waarop hemelsche, tot nu toe verborgene waarheden geschreven stonden. Joseph Smith ging er op uit, zocht naar deze „tafelen der wet", vond ze en schreef ze over, nadat hij een hemelschen wonder-bril ontvangen had, waarmee hij 't hemelsch wonder-schrift kon lezen. Die „tafelen der wet" zijn door niemand ooit gevonden noch gezien.
Joseph Smith vond een groote schare aanhangers (de wereld wil bedrogen worden!) en aan het Zout-meer (Noord-Amerika) werd een stad en een tempel gebouwd, welke stad den naam van „het nieuwe Jeruzalem" ontving.
Joseph Smith stierf intusschen — in 1844 door zijn tegenstanders vermoord — maar de secte der Mormonen was er en bleef bestaan, ja, breidde zich onder zijn opvolgers uit. De eerste opvolger heette Brigham Young en toen kreeg de Mormoonsche nederzetting aan het Zout-zee meer een eigen staatsvorm. Thans wonen er in het Nieuwe-Jeruzalem aan 't Zoutzeemeer, Salt Lake City, een half miljoen Mormonen.
De volgelingen van Joseph Smith gelooven aan een onmiddellijke wederkomst van Christus, die dan het duizendjarige rijk zou stichten. Zij voelen zich geroepen zich voor te bereiden op dezen wederkeer, waarom zij zich ook wel „Heiligen der laatste dagen" noemen. Dat, wat de Mormonen 't meest in opspraak heeft gebracht, is het feit, dat zij meer dan één vrouw mogen hebben (veelwijverij). Joseph Smith had b.v. 6 vrouwen, z'n opvolger Brigham Young had er 17 en er moeten Mormonen zijn, die er 50 vrouwen op na houden. De Amerikaansche wet heeft weliswaar in 1887 deze veelwijverij verboden, doch de Mormonen hebben allerlei middelen en wegen gevonden om aan dat verbod te ontkomen. De Mormonen zijn doorgaans goede zaken-menschen en in het Amerikaansclie zakenleven nemen zij een vooraanstaande plaats in. Het „Nieuwe Jeruzalem", Salt Lake City, heeft zich tot een fraaie groote stad ontwikkeld met een grooten Mormonen-tempel en een grootsch ingericht hotel, eigendom der Kerk. Een groot regeeringsgebouw is verrezen, nabootsing van het regeeringspaleis te Washington. De Mormonen doen veel aan Zendingswerk en vele „Zendelingen" uit Amerika doorkruisen alle landen, ook ons land, om mannen en vrouwen — vooral vrouwen — tot het Mormoonsche geloof te bekeeren en te bewegen te verhuizen naar Amerika, waar straks de Christus verwacht wordt en waar ook maar alleen echt het leven kan worden ingericht overeenkomstig de Mormoonsche leer. Na 100 jaar is deze secte niet uitgestorven. Integendeel. Zij roert zich overal en maakt proselieten in alle landen, waar zij zich dan 't liefst niet Mormonen, doch „Heiligen der laatste dagen" noemen.
Men zij gewaarschuwd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's