De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

5 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
33)
't Was wel noodig, dat hij haastig naar huis liep, want zijn vrouw was over zijn lang wegblijven zeer ongerust geworden. Daar had hij niet aan gedacht, trouwens, hij had veel meer met zich zelven dan met haar te doen.
Alleen zat vrouw Zeelman in de achterkamer haar man af te wachten; de andere huisgenooten waren reeds naar bed.
Zij scheen in korten tijd veel ouder geworden; lijdenstrekken waren in haar vriendelijk gelaat gekomen en zij zag er vermoeid uit. Was het nawerking van al haar zorg en werk, die zij met de verpleging van Anna had gehad, of dat zij nu eerst recht gevoelde, hoeveel zij van haar lichaamskrachten had gevergd?
Neen, zij leed innerlijk; droefheid en verdriet drukten haar neer.
Daar zat zij over te peinzen. Eerst had zij haar breiwerk ter hand genomen, daarna nam zij den huisbijbel en trachtte wat te lezen, maar zij kon hare gedachten er niet bij houden. Die leidden haar telkens weer af en brachten hare tranen te voorschijn. Hoevele had zij er in de laatste dagen gestort, en al maar bleven zij vloeien. Zij miste haar kind; het was zoo stil en ledig geworden in huis, en ook zoo ledig in haar hart. Waarom had de Heere Anna weggenomen en haar zulk een bittere droefheid aangedaan? Het werd haar haast te veel.
Toch durfde zij niet klagen over God, en dat mocht zij ook niet, dat wist zij wel. Maar wie kan de gedachten en de vragen tegenhouden, die in zulke tijden en omstandigheden zich in den mensch vermenigvuldigen? Waarom had de Heere hare gebeden niet verhoord, waarom verborg Hij Zijn aangezicht voor haar, zoodat zij Hem niet kon vinden? Waarom moest zij een weg gaan, die zoo donker en hobbelig was? 't Is waar, soms gaf Hij eenigen troost en verzachtte Hij hare wonden; zij bleef dan ook tot Hem opzien en bidden. Tot Wien zou zij anders gaan? Zou zij het bij haar man zoeken? Die scheen nog meer te dragen te hebben dan zij. Waarom zeide hij haar niet wat het was? Waarom was er nu tusschen hen reeds lang iets, dat hen van elkander verwijderde, zoodat zij niet meer met elkander, al was het dan nog wel naast elkander, leefden? Zij wist niet wat de oorzaak was, en wat zij ook gedaan had, zij kon het niet vernemen. Zou zij dan over hem klagen? Neen, dat wilde zij niet. Eigenlijk had zij er ook geen reden voor. Hij behandelde haar goed, sprak geen kwaad woord tot haar en, hij was schijnbaar over het sterven van Anna nog meer bedroefd dan zij, ofschoon het zijn dochter toch niet was;
Had zij dan niet genoeg geklaagd over zich zelve, over hare zonden? De Heere kende haar hart, wist van hare verborgen zuchten en tranen. Waarom kon zij toch niet hare zorgen en zonden, alles aan Hem overgeven en op Hem blijven hopen? Was de Heere toornig op haar, dat zij geen vrede kon vinden en dag aan dag meer door onrust werd gekweld?
Zoo denkende werkte zij zich zelve steeds meer in den put moedeloosheid; en zij wist het niet dat de Heere nabij was om er haar zeer spoedig uit te verlossen.
De zware slagen der klok deden haar op­ schrikken. Al elf uur, en nog was Kobus niet thuis. Waar bleef hij toch zoo lang? En waar was hij heen? Hij had het niet gezegd. Zou zij den knecht roepen om eens te gaan zien? Maar, waar moest die zijn baas zoeken?
Zij stond op en ging eens buiten zien, maar op straat was het donker, stil en koud; zij huiverde er van en ging spoedig weer in huis. Hij kon ook een ongeluk gekregen hebben; wat zou zij doen? In haar klimmende onrust en angst vouwde zij hare handen; op den Bijbel, die nog open voor haar lag en bad: „Heere, bewaar hem en breng hem thuis!'
Zij behoefde niet lang op verhooring te wachten, want nog eenige oogenblikken en zij hoorde hem komen.
Weldra stond hij met een „goedenavond, Liesbeth" in de kamer. Bij het licht der petroleumlamp, die nog helder brandde, zag zij dadelijk dat er iets bizonders gebeurd was. Geheel anders dan hij gegaan was, kwam hij thuis.
„Dat is laat geworden, hé, maar 't heeft zijn reden, 'k Was bij den dominé en heb mijn tijd verpraat".
„Bij dominé, wat moest dat zoo laat? "
„'k Zal het vertellen, Liesbeth, gij moet het weten, vanavond nog: 'k Heb het do­miné beloofd". En met verbazing hoorde zijn vrouw wat hij haar vertelde.
„Die kostbaarheden van den Beukenhof hier in huis, en 'k heb er niets van geweten?"
„'k Heb het stilgehouden, 't was niet goed van mij, 't spijt me zeer, vrouw, vergeef 't me. 't Moet weer goed worden tusschen ons. Het gaat zoo niet langer, 'k Heb er dag aan dag meer last van gehad en werkte mij diep in de moeite. Maar het zal nu anders worden, de dominé zal mij helpen. Ik moet weer oprecht voor God worden en voor de menschen. Ook voor jou, Liesbeth, 'k ben niet eerlijk geweest. Maar Anna, en die Oudejaarsavondpreek. ."
De smid zweeg, ook moest hij zijn oogen afwisschen vóór hij zijn vrouw verder kon vertellen wat hij ds. Stevens gezegd had.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's