MEDITATIE
Nedergeworpen, doch niet verdorven.
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is; leid mij op eenen rotssteen, die mij te hoog zou zijn. Psalm 61 vers 3.
Moeilijk was het David, toen hij bovenstaand gebed voor het aangezicht des Heeren uitstortte! Van den apostel Paulus lezen wij dit woord: „In alles verdrukt: van buiten strijd, van binnen vrees", maar niet anders was het ook met David, al waren de omstandigheden gansch anders, toen hij den Heere aanliep met deze woorden: „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is".
Van buiten was er strijd! Absalom toch, met wien de koning reeds zooveel te stellen had gehad, was met een list naar Hebron gegaan, en had zich aldaar koning laten maken! Met een groote heirmacht trok hij daarna naar Jeruzalem op om zich van het gezag meester te maken! En David was gevlucht! En nu had hij zich al verder en verder moeten verwijderen van de hoofdstad des lands tot hij tenslotte gekomen was aan 's lands grenzen, aan de einden des lands!
Moeilijke toestand voor David! Hoe kunnen wij het verstaan, dat, wanneer hij uit dezen toestand leert roepen tot God, hij dit doet met deze woorden: „Van het einde des lands roep ik tot U, o Heere, als mijn harte overstelpt is!"
Davids hart was overstelpt! De gedachten vermenigvuldigden zoozeer zich in hem, dat hij geen doorzicht meer kon krijgen! Schrik was er van rondom! Zijn toestand was niet ongelijk aan dien van het volk, toen het vóór zich had de zee, en aan de zijden de bergen en van achter den Pharaö! Geen uitzicht bleef er voor hem over!
Davids hart was deswege overstelpt ! Onwillekeurig gingen zijne gedachten naar het verleden! Nog niet zoo lang geleden was hij nog koning, gezeten op een machtigen troon! De overwonnen volken kwamen buigend, om hem hunne schattingen te geven! Maar, nu was hij onttroond, verjaagd, weggedreven van de heilige stad! Ontluisterd door zijn eigen zoon, verstooten als een hond alreeds tot aan de grenzen des lands! En straks ja straks zou hij moeten vallen in de hand der onbesnedenen, die dan met hem handelen zouden naar hun onbarmhartig welbehagen!
Geen wonder dus, dat David in dezen toestand spreekt van de overstelping zijns harten. Het werd te machtig voor hem! En toch, lezer, — en dat wij nu eens in de diepte dier klacht mogen afdalen — toch spreekt er nog zooveel meer uit dat ontroerend gebed van David, als hij het uitspreekt: „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is". Neen, het was niet alleen die uitwendige strijd, die uitwendige moeite, die hem deden klagen: „O God, hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed! Van 't einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is!" Te midden toch van groote moeiten en bezwaren had David zich vroeger mogen sterken in den Heere zijn God! Als hij dan zwak was, dan was hij toch machtig! Dan was het zoo vaak: „De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wien zoude ik vreezen? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vreezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw ik hierop!" Dan was het: „Met mijn God loop ik door een bende en met mijn God spring ik over een muur!" Dan waren de moeiten en de zorgen voor hem niets! Maar zie, dit miste David juist nu! Daar was een scheiding gekomen tusschen God en zijn ziel! En die scheiding was het, die hem nu het meest den schrik om het harte jaagde! Die scheiding was het, die hem nu 't meest deed klagen: „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is!" Zoo ver als David nu verwijderd was van Jeruzalem, de stad der woonstede Gods, zoo ver gevoelde hij zich ook verwijderd van de gunst des Almachtigen! Mocht hij zich vroeger verblijden in de liefelijke stralen van Gods vriendelijk aangezicht, nu tastte hij rond in donkerheid en duisternis! Hij wist geen weg met zijn smart! Hij had God vertoornd door zijn schrikkelijke ongerechtigheid en zonde! Nu stond hij gansch alleen met zijn droefheid en angst!
Hoe duidelijk was deze gemoedstoestand van David ook al reeds niet gebleken uit hetgeen daar zooeven op den weg was geschied! Een man, een zekere Simeï, was tot hem uitgekomen. En wij lezen van hem, hoe hij den koning op zijn vlucht vloekte! Zelfs wierp hij hem met steenen en bestoof hem met stof onder den uitroep: ga uit, ga uit, gij man des bloeds, gij belialsman! Voor Davids getrouwen was dat niet om te dragen! Zoude zoo'n doode hond hun koning vloeken, zoo zeiden zij en zij wilden hem dooden! Maar wat antwoordde David toen? Laat hem vloeken, o mannen, laat hem vloeken, want de Heere heeft tot hem gezegd: „Vloek David". Wie zoude dan zeggen: waarom hebt gij aldus gedaan? O, David gevoelde het zoo, dat die Simeï niet sprak van zichzelf, maar dat de Heere hem zoo geboden had. Simeï volbracht Gods raad! En daarom boog David onder die rechtvaardige hand Gods! Hij billijkte den Heere in al zijne wegen!
En niet anders was het ook nu, nu hij gekomen, genaderd was tot aan het einde des lands. David gevoelde zich verre van God! Het waren zijn zonden, die hem daar hadden gebracht! Hij werd geslagen met den geesel, dien hij zichzelf had gevlochten! Hij was onttroond, vervolgd, verdreven, maar als door des Heeren eigen hand! Hoe zal dat woord van Nathan hem niet telkens voor oogen gekomen zijn: „Waarom hebt gij het Woord des Heeren veracht, doende dat kwaad was in de oogen des Heeren? Gij hebt Uria met het zwaard verslagen en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen. Nu dan, ja, zoo had tot hem de Heere door middel van Nathan gesproken, nu dan, het zwaard zal van uw huis niet wijken tot in eeuwigheid, ja Ik zal kwaad over u verwekken uit uw eigen huis!"
Uit uw eigen huis! Was dit nu niet gekomen? O hoe ver gevoelde David zich dan ook nu van den Heere niet af! Hoe ver van de aanspraakplaats zijner heiligheid! Hoe smartelijk werd door hem, wien het ook beter was één dag te verkeeren in de voorhoven Gods, dan duizend elders, die scheiding gevoeld, die daar gekomen was tusschen den Heere en zijne ziel! En weer was het als weleer, daar aan 't einde des lands:
Ik heb gedaan, dat kwaad was in Uw oog,
Dies ben ik. Heer, Uw gramschap dubbel waardig,
'k Erken mijn schurd, die U tot straf bewoog,
Uw doen is rein, uw vonnis gansch rechtvaardig,
of gelijk het in onzen Psalm staat: „O God, hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed! Van het einde des lands, heel uit de verte roep ik tot U, als mijn harte door dit alles overstelpt is !"
Is het u, als mij, lezer, dan hooren wij hier in dit gebed van David als 't ware het genade-geroep van een doodsschuldige, het genade-geroep van een ter dood veroordeelde op het schavot! O, wat gevoelde de zondige en schuldige David zich toen verre verwijderd van den heiligen en rechtvaardigen God! En toch, o wonderlijk, ofschoon David zich zoo verre van den Heere gevoelde toch was de Heere hem zoozeer nabij! David zelf bemerkte het niet, maar God de Heere hield hem vast bij de hand! Daarvan toch legt wel in het bijzonder zijn vurig gebed een duidelijk getuigenis af!
Zie, zoo heeft de Heere eens een rijke troostbelofte gegeven: Ik zal ze aanbrengen van het Noorden en zal ze vergaderen van de zijden der aarde; zij zullen komen met geween en met smeekingen zal Ik ze voeren! En deze belofte heeft de Heere de eeuwen door vervuld! Zoo kwam de tollenaar! Hij kwam van verre! Zelfs bleef hij, zoo lezen wij, van verre staan, zijne oogen niet durvende opheffen naar den hemel! Maar hij kwam! Hij kwam met smeeking en geween, als door des Heeren hand! Zoo kwam ook die zondares! Verre van het heiligdom was zij gansch en al vervreemd van God en zijn dienst, maar de Heere trok met onzichtbare koorden! En geen weerstand kunnende bieden, maakte zij zich op om den Heere te mogen ontmoeten met smeeking en geween! Het waren alleen die liefdekoorden Gods, waarvan de Psalmdichter zingt, die beiden, tollenaar en zondares, trokken naar den Heere toe, naar Hem, die hen eerst door zijn gramschap en toorn had verschrikt!
Dit is juist het eigenaardige op den weg des geestelijken levens, waaraan niet een van Gods kinderen vreemd blijft! Als de leeuw brult wij zouden zeggen, dan gaat alles op de vlucht! Neen, dan komen ze. Dan komen ze aan als een vogeltje uit het land van Egypte en als een duif uit het land van Assur! Als de Heere ontdekkend in de ziel werkzaam is door zijn Heiligen Geest, dan wordt de mensch verschrikt; hij gevoelt onder den rechtvaardigen toorn des Eeuwigen te liggen en toch, getrokken door een onzichtbare macht, onwederstandelijk getrokken, naderden zij, al is het dan ook van verre, tot Hem, tegen wien zij gezondigd hebben, wetend dat Hij te midden zijner oordeelen nochtans des ontfermens gedachtig is.
Dit bevinden wij nu ook bij David in onzen tekst. Hij erkende zijne zonde, zijne schuld! God was rechtvaardig in al zijn weg en werk ook te zijnen opzichte! En toch: „O God", zoo zegt hij, „hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed; van het einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is".
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is! Het is dus een ontroerend gebed van David, toen het hem bange was; toen het van buiten was strijd en van binnen vrees! Maar, lezer, wij zouden dit gebed nu ook even goed kunnen noemen: een ontroerend gebed van een kind Gods, als het hem bange is, bange in den nacht der ontdekking! Ieder kind des Heeren toch krijgt met dit alles, met een David, van doen! Zij komen allen op dat plaatsje, waarvan zij in later dagen mogen getuigen:
'k Wou vluchten, maar kan nergens heen.
Zoodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gansch ontviel
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Och, misschien is het ook u niet vreemd. Misschien moogt ook gij weten wat het zegt: onttroond te zijn in Adam! Ontluisterd van de heerlijkheid, waarin God de Heere den mensch eens schiep! Verbannen uit het paradijs, verstooten uit de plaats der zaligheid! Van het einde des lands, verre van de woonstede Gods te moeten roepen om genade en ontferming! Gelukkig, als dit ook bij u mag worden gevonden. Want, al zijn de wegen van Gods kinderen onderscheiden en verscheiden, hieraan blijft toch geen van hen vreemd! Allen leeren zij belijden: Wij en onze vaderen, wij hebben gezondigd en gedaan wat kwaad was in Uwe oogen. Zij leeren den Heere rechtvaardigen in al zijn weg en werk. Hoe verre zien zij zich dan van de stad des grooten Konings! En ook zij blijven niet vreemd aan dien Simeï, Gods heilige wet, die hen komt vloeken: ga, ga uit; vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
O, welk eene overstelping des harten kan er dan niet worden gevonden! Hoeveel verontrustende gedachten stormen dan niet door het hoofd. Zou er voor hen nog wel een ingang mogelijk zijn in het Koninkrijk der hemelen? Zou ..... ? Zalig evenwel, als zij dan ook, evenals een David, mogen komen daar, waar zij de onmogelijkheid ziende in zichzelven, mogelijkheid mogen ontdekken in den Drieëenigen God ! "Want dan blijkt het zoo duidelijk, dat, wat onmogelijk is bij de menschen, mogelijk is bij God! David getuigt daarvan in het vervolg van onzen tekst als hij zegt: „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn harte overstelpt is, leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn!"
Leid Gij mij op eenen rotssteen, die mij te hoog zou zijn! Zie, dat was dus de inhoud van Davids bede, toen zijn harte overstelpt was, toen hij ten einde raad was, toen hij voor de onmogelijkheid van te-leven kwam te staan. „Heere", zoo zeide hij, „nu het van mijne zijde een afgesneden zaak is, leid Gij mij nu op eenen rotssteen, die mij te hoog zou zijn!"
Voor Davids oog was dus, als zijn harte in hem overstelpt was, een hooge rotssteen verrezen. O, zoo dacht hij, kon ik daarop mijn voet eens zetten! Mocht ik daarop nu vluchten! Dan was ik gered!
Maar och, die rotssteen was voor hem te hoog. Hij kon er niet bij. Zelfs met de meeste inspanning zou het hem nog ten eenenmale onmogelijk zijn dien te beklimmen. Alles trok hem omlaag.
En toch, zou hij behouden worden, dan moest hij daarheen! En zie, terwijl het van zijne zijde nu zoo hopeloos bleek, terwijl het voor hem werd een onmogelijke zaak, gedacht hij aan de dagen van weleer. Had hij ook vroeger niet eens moeten klagen: Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zoo was er niemand, die mij kende; er was geen ontvlieden voor mij, niemand zorgde voor mijne ziel! En hoe was het hem toen vergaan? Hij mocht den Heere aanloopen en zeggen: Gij zijt mijn toevlucht, mijn deel in het land der levenden en de Heere had zijn ziel op haar gebed gehoord, gered, haar kracht gegeven! Tot wien kon hij dus ook nu, in deze gelijke omstandigheden, anders toevlucht nemen dan tot Hem, wiens naam is Heere der heirscharen, en die trouwe houdt tot in eeuwigheid en nooit laat varen de werken zijner handen! Ja, de Heere zou het voor hem voleinden! Daar stond zijn naam hem borg voor! En, mocht het voor hem dan ook al onmogelijk zijn, het was niet onmogelijk voor Hem, wien alle macht is in hemel, maar ook op aarde. En dan zien wij David zich weer tot den Heere keeren, en wij hooren hem smeeken: „Och, Heere, leid Gij mij op dien rotssteen, die mij te hoog zou zijn!"
Gelukkig dat volk, dat met dien David de mogelijkheid der verlossing alleen mag vinden in den Drieëenigen God! En gelukkig, die mede vanuit hun eigen machteloosheid, in de overstelping huns harten, den Heere leerden aanloopen om het van Hem te smeeken: Och, Heere, bij U is de rotssteen, wiens werk volkomen is; in wien ook alles voor mijne redding besloten ligt leid Gij mij op dien rotssteen, die voor mij te hoog zou zijn!
O hoe vaak ziet Gods bekommerde volk in de vermenigvuldiging hunner gedachten den Heere Jezus Christus niet voor hunne oogen als die steenrots der behoudenis, bij welke zij alleen veilig zouden kunnen schuilen. Alleen maar, hoe zullen zij Hem bekomen? Hoe zullen zij Hem als hun Zaligmaker kunnen mijnen? Is het niet de Heere zelf, die daar zegt: „Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest"?
Och, leerden zij dat met een David maar eens meer verstaan, dat het inzetten in de holte der steenrots alleen is Gods werk! Dan toch zouden zij, uitgekomen in de onmogelijkheid van hunne zijde, het volkomen op den Heere gaan werpen, om 't dan van Hem te begeeren: „Och, Heere, leid Gij mij op dien rotssteen, die mij te hoog zou zijn" ..... om het dan ook van Hem te mogen hooren: „O, gij verdrukten, door onweder voortgedrevenen, ongetroosten, zie, Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen en u op saffieren grondvesten".
Zoo blijkt het alles tenslotte te zijn Gods werk! Zoo wordt Hem dan ook, hier bij den aanvang en straks volmaakt, toegebracht de lof, de dankzegging en de aanbidding door al zijn volk! Johannes schrijft ons hoe hij in den hemel zag een groote schare, die niemand tellen kon uit alle natie en geslachten en volken en talen, en zij hieven één lofzang aan tot roem en prijs van den eeuwigen God, zeggende: „De zaligheid zij onzen God, die op den troon zit en het Lam!" En dit wordt ook hier op aarde bij den aanvang reeds geleerd! Zalig, die aan dezen weg kennis mag dragen! Want immers zoo is des Heeren eigen woord: Zoo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen, maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal het behouden! Hij zal het ervaren, wat het zeggen wil:
Ik lag gekneld in banden van den dood,
Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen,
Maar riep den Heer' dus aan in al mijn nood:
Och Heer', och wierd mijn ziel door U gered!
Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig.
De Heer' is groot, genadig en rechtvaardig
En onze God ontfermt zich op 't gebed.
Papendrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's