De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

6 minuten leestijd

De Modernen en wij (2)
Vaag, heel vaag was de omschrijving bij het Ev. Luthersch Kerkgenootschap, zooals we zagen. Laat ons nu zien hoe 't staat bij de Remonstrantsche Broederschap. Volgens art. 1 van het Alg. Regl. (Algemeen Reglement der Remonstrantsche Broederschap, 1879, vierde druk, Hoorn. 1923) heeft zij ten doel: „getrouw aan haar beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid en op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus het godsdienstig leven te bevorderen". Dat is dus positiever, zij het op kleine schaal, dan het Ev. Luth. Kerkgenootschap, want hier is sprake van „het godsdienstig leven bevorderen op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus"; maar dan naar het beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid.
Volgens art. 2 zijn leden der Broederschap „allen, die verklaard hebben zich met haar beginsel te vereenigen en zich bij haar hebben aangesloten".
Art. 3 verklaart dat „de wijze waarop en de voorwaarden waaronder bij elke gemeente nieuwe leden worden aangenomen, door haar worden vastgesteld met eerbiediging, voor zoover die voorwaarden betreffen zaken van geweten in godsdienst, leer of leven, van het in art. 1 en 2 reeds bepaalde".
In de „acte van aanneming" ingevolge art. 88 verklaart een beroepen predikant, dat hij zich verbindt „naar zijn beste weten en vermogen, overeenkomstig de beginselen en in den geest der Broederschap zijn dienst werk te volbrengen"! Alles dus — vaag. In art. 1 „op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus". Dat is dus iets. Dat wijst ergens heen. Maar overigens „naar z'n beste weten en vermogen — in den geest der Broederschap in vrijheid en verdraagzaamheid"
Laat ons nu nog zien hoe 't in deze staat bij de Doopsgezinde Sociëteit. Dan hebben we dus drie onderscheidene (vrijzinnige) Kerkgenootschappen de revue laten passeeren.
Het Regl. voor de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit van 't jaar 1923 doet eigenlijk in het geheel geen Christologisch geluid hooren, want volgens art. 2 heeft zij „ten doel de bevordering der godsdienstige en zedelijke, en daar mede onmiddellijk samenhangende stoffelijke belangen der Doopsgezinden in haren kring, allereerst van den predikdienst onder hen, alsmede hunne vertegenwoordiging naar buiten".
De predikdienst — daarvoor moet dus gezorgd worden en de predikanten moeten dan blijkbaar maar zien hoe en wat ze prediken „ter bevordering der godsdienstige en zedelijke, en daarmede onmiddellijk samenhangende stoffelijke belangen". Voor den predikdienst moet dan zorgen de „te Amsterdam gevestigde Kweekschool tot opleiding van jonge lieden voor het leeraarsambt". (Art. 3 van het Regl.).
Maar de predikdienst zelf is door niets bepaald en tevergeefs zal men in het Regl. eenige aanwijzing betreffende het Christelijk karakter der Sociëteit zoeken. De Sociëteit is slechts een uitwendig formeel verband, waarbij in art. 4 bepaald is: „De Sociëteit onthoudt zich van alle inmenging in de inwendige aangelegenheden der gemeenten".
De volstrekte autonomie dus der plaatselijke gemeenten!
Hoe de reglementen der plaatselijke gemeenten luiden, weten we niet. Maar te oordeelen naar het Alg. Reglement — dan zoekt men tevergeefs naar eenige aanwijzing betreffende het Christelijk karakter der Sociëteit. „Voor een buitenstaander" — zegt prof. J. Lindeboom van Groningen (zelf vrijzinnig) — „schijnt het alsof het Reglement evengoed voor Mormonen of Hindoes als voor Christen-gemeenten zou kunnen dienen".
't Is dus wel mogelijk, dat in de reglementen der autonome plaatselijke gemeenten op eenigerlei wijze een „Christelijk" geluid spreekt — maar b.v. in de „Instructie voor de Proponenten" wordt het op geenerlei wijze gehoord; in het „Regl. voor de Kweekschool der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit" (van 1925) alleen voor zoover in sommige artikelen (10, 18, 19, 22, 28, 29) sprake is van de vakken der Christelijk-theologische encyclopeedie. Dat is dan ook alles!
Hierop nu maakt gelukkig de Nederlandsche Hervormde Kerk een gunstige uitzondering.
Want het feit der leervrijheid in het midden van onze Hervormde of Gereformeerde Kerk ontkennen we niet. Helaas! wordt er van onderscheidene kansels en in vele catechisatiekamers geleerd en onderwezen, wat verre staat van het „traditioneele", „kerkelijke" Christendom, verre van hetgeen Gods heilig Woord ons leert, maar met kracht moet worden betwist de stelling, dat men in onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk het recht zou hebben om te leeren, wat men goed vindt. Noch vóór, noch in, noch na 1816 is in onze Hervormde Kerk bij de wet leervrijheid geregeld.
Als wij dus telkens moeten constateeren, dat de  a n a r c h i e  in de Nederlandsche Hervormde Kerk aan 't roer is, moet dat geen oorzaak zijn om onze Hervormde Kerk tot een Kerk, waarin leervrijheid is, te proclameeren, maar moet dat reden zijn om op het ongeoorloofde, onwettige daarvan te wijzen en de krachten van de Christus-belijders moeten saamgetrokken worden om in het midden van de belijdende Hervormde Kerk paal en perk te stellen aan de verkrachting van de kerkelijke belijdenis en de leervrijheid ook  f e i t e l ij k  te doen ophouden. •
't Scheelt hier zoovéél hoe men de Nederlandsche Hervormde Kerk benadert en wat men met haar op het oog heeft. Die haar gram zijn, schelden op haar en stellen haar ten toon, met de feiten ten bewijs, als een Kerk, waarin de leervrijheid hoogtij viert. Dan is de Nederlandsche Hervormde Kerk geen Kerk meer. Dan is zij B a b e l, of wat daarmee gelijk staat. Dat zij verdwijne!
Die het geheel van haar leer en leven niet overzien kunnen en niet voelen, dat de leervrijheid haar beginsel niet is, maar een kerkrechtelijke ongehoordheid, die zitten wat te peuteren en zinnen, op heimelijk vertrek uit haar midden met weinigen of velen die „getrouw" genoemd worden.
Maar die de feiten onder de oogen ziet en weet, dat hier de Nederlandsche Hervormde Kerk door een combinatie van allerlei dogmatisch en kerkrechtelijk geweld wordt aangedaan tot hare ondermijning en verwoesting, die zal in onze dagen, waarin het ongeloof brutaal het hoofd omhoog steekt, maar door Gods goedheid ook in de Hervormde Kerk weer meer naar de Waarheid gevraagd wordt en in meerder gemeenten de Waarheid verkondigd mag worden, met nieuwe belangstelling, met liefde en ijver ook, het kerkelijk vraagstuk onder de oogen zien, om luider de stelling te verkondigen, dat de Ned. Hervormde Kerk recht heeft op haar belijdenis, haar positief christelijke, haar bijbelsche, haar Gereformeerd-protestantsche belijdenis en dat alles gedaan moet worden wat mogelijk is om de leervrijheid, die feitelijk bestaat, maar wettelijk verboden is, in te perken en de Nederlandsche Hervormde Kerk weer tot haar belijdenis te brengen niet alleen, maar ook er naar te staan, dat er weer een wijze van kerkelijk samenleven, een kerkelijke organisatie of kerkelijke orde van leven kome, die is naar de Schrift en overeenstemt met het wezen van de Kerk.
Over het belijdend karakter der Hervormde Kerk een volgend maal.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's