De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

De Modernen en wij (3)
Het is merkwaardig — zoo schreven we in ons eerste artikel — hoe gering 't is wat bij de Luthersche, Remonstrantsche en Doopsgezinde Kerk getuigt van een belijdenis; hoe dun, zoo niet onzichtbaar, het Christelijk vernis is, dat de getimmerten van grond-en organieke wetten bij de drie genoemde Kerken dekt.
Allen die in de Luthersche Kerk (de Ev. Luthersche Kerk) zijn, zijn er; en die komen willen zijn welkom, wie 't ook is! Aan de leerrede moet steeds „een bijbeltekst" ten grondslag liggen. Bij het afnemen van belijdenis des geloofs maakt de kerkeraad bepalingen, welke hij wil. En de predikant belooft, naar de omschrijving van den beroepsbrief, dat hij zich zal toeleggen op de bevordering van Godsdienstkennis, Christelijk geloof, goede zeden, orde en eendracht. Daarbij hebben „de kerkelijke organen" op te treden tegen gedragingen in strijd met de christelijke zede of de kerkelijke orde." (Regl. op de kerkelijke tucht art. 1).
De Remonstrantsche broederschap spreekt van „het bevorderen van het godsdienstig leven op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus, naar het beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid." En de beroepen predikant belooft „naar zijn beste weten zijn dienst te volbrengen overeenkomstig de beginselen en in den geest der Broederschap".
De Doopsgezinde Sociëteit spreekt van het bevorderen der godsdienstige en zedelijke, en daarmee onmiddellijk samenhangende stoffelijke belangen der Doopsgezinden. Daarbij is de predikdienst door niets bepaald. Daar wordt in 't geheel geen christologisch geluid gehoord.
Hierop nu maakt gelukkig de Nederlandsche Hervormde Kerk een gunstige uitzondering! De Nederlandsche Hervormde Kerk is een belijdende Kerk. Zij heeft een belijdenis en wil die ook handhaven; zij wil toezicht houden op die belijdenis bij leeraars, ouderlingen, gemeenteleden.
Zoo staat het althans in de Reglementen. En als het in werkelijkheid misschien niet gebeurt, dan is het toch van beteekenis, dat de Reglementen zeggen, dat het moet gebeuren.
Het hoofdreglement — de grondwet der Herv. Kerk — en de bijzondere reglementen zeggen het.
Hierover is eigenlijk weinig verschil.
„De Hervorming" (vrijz. weekblad uit den kring van den Protestantenbond) schreef Mei 1912 dat „het wapen der leer-tucht door de Confessioneelen en de Gereformeerden helaas! wel méér zou ter hand genomen worden in de toekomst „een wapen trouwens, door de kerkelijke reglementen aan de hand gedaan." Dat is een onverdacht getuigenis van vrijzinnigen kant, dat dus de reglementen onzer Hervormde Kerk toezicht op en handhaving van de leer — leertucht, — aan de hand doen. In de reglementen staat het, dat het moet geschieden. Overal.
En „De Hervorming" zei, dat het de schuld van de vrijzinnigen is, dat het in de Hervormde Kerk zoo gesteld is, daar zij in vorige jaren er maar voor hadden moeten zorgen, dat alles wat op de leer, op de belijdenis der Kerk betrekking heeft en alles wat spreekt van toezicht op en handhaving van de leer uit de reglementen verwijderd was geworden. Daar hebben ze niet voor gezorgd en dus is het hun eigen schuld, dat ze met dit mes bedreigd worden en met dit wapen bestreden
Letterlijk stond er: „Men ziet dus, dat de Confessioneele kwestie in de Ned. Herv. Kerk met vollen nadruk dreigt aan de orde te komen. Wij houden dit voor onvermijdelijk; wat intusschen niet wegneemt dat het, hoe onvermijdelijk ook, diep betreurenswaardig is. Wij zijn ongeneigd het verleden van voor eenige tientallen van jaren op te halen, maar blijven van oordeel, dat het mede de schuld der „vrijzinnigen" én van vele „modernen" van toen is, dat nog altijd al de jammeren van den „confessioneelen strijd over de Kerk dreigen te worden losgelaten."
Deze woorden zijn duidelijk. Eigen schuld dus, vrijzinnigen! Toen Ge de macht in handen hadt, hadt Ge ook maar brutaler en radicaler die belijdenis-kwestie in de Hervormde Kerk moeten aanpakken. Nu — is 't te laat!
„De Hervorming" was van oordeel: „dat geen vrijzinnig lidmaat der Ned. Herv. Kerk meer veilig is"; en het „Weekblad voor de Vrijz. Hervormden" was het daar zakelijk mee eens toen. (Kwestie Dordt. 1912).
Laat ons de reglementen van de Nederlandsche Hervormde Kerk eens nagaan. Dat is een groot complex, zooals men weet. Eerst krijgen we het Algemeen Reglement. Dat is de hoofd-of grondwet, waar mee alle volgende reglementen, die bijzondere zaken behandelen, moeten overeenstemmen; en geen van die bijzondere reglementen mag worden uitgelegd in strijd met het Algemeene Reglement.
Na het Algem. Reglement volgen de reglementen voor de Kerkeraden; op de benoeming van Ouderlingen en Diakenen en de beroeping van Predikanten; op de Vacaturen. Vervolgens zijn te noemen: de reglementen voor Kerkelijk Opzicht en Tucht, op de Kerkvisitatie, op het Godsdienstonderwijs, op het Examen ter toelating tot de Evangeliebediening enz. enz.
Komt nu „de confessioneele kwestie" in die reglementen voor en ligt er in die reglementen een wapen ter bestrijding van de vrijzinnigen en modernen? Is het waar dat de „vrijzinnigen", de „modernen" geen oogenblik veilig zijn?
,,De Hervorming" heeft het gezegd Mei 1912. Is het ook waar?
Als we het Algem. Reglement opslaan lezen we, dat ,,de Nederlandsche Hervormde Kerk bestaat uit al de Hervormde gemeenten in het Koninkrijk der Nederlanden enz." (art. 1). Al de Hervormde gemeenten of plaatselijke Kerken saam behooren dus tot en vormen de Nederlandsche Hervormde Kerk. Eén in „Kerkenorde". Reglementair geldt alles voor elk der gemeenten, waar ze ook zijn. „Tot elke bijzondere gemeente behooren: die op belijdenis des geloofs tot lidmaten zijn aangenomen; die vooralsnog alleen door den doop in hare gemeenschap zijn ingelijfd, enz." (art. 2). 
Zoo staat belijdenis en doop in 't centrum van elke plaatselijke gemeente en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in haar geheel.
Art. 3 zegt, dat men „van zijn betrekking tot de Kerk vervallen verklaard kan worden", in den weg van „opzicht en tucht". (Zie het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht).
Art. 4 zegt, dat de stemgerechtigden zijn degenen die „geloofsbelijdenis hebben afgelegd".
In die Nederlandsche Hervormde Kerk, uit de verschillende gemeenten samengesteld (zie o.a. de uitspraak van de Arrond. Rechtbank te Assen van 24 Mei 1921), is een Bestuur, in onderdeden onderscheiden: over elke plaatselijke gemeente de Kerkeraad, over meer gemeenten het Classicaal Bestuur en het Provinciaal Kerkbestuur, terwijl „over de gemeenten tezamen" de Synode is gesteld, (art. 4).
Een net van „besturen" dus, uitgespreid over de gemeenten afzonderlijk, (Kerkeraad), over de gemeenten (Classicaal en Provinciaal); en Synodaal over geheel het land.
Tal van artikelen geven allerlei voor­ schriften voor die „besturen".
En dan komt art. 11. Daar lezen we:
„De zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de behartiging van de zending, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds 't hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn".
Als we hier de Reglementen van de Hervormde-, de Luthersche-, de Remonstrantsche-en de Doopsgezinde Kerk naast elkaar leggen, dan zien we, dat de verschillende Kerken hier van elkaar hebben overgenomen.
Zoo spreekt b.v. de Luthersche Kerk van „het Christendom in het algemeen en van de Evang. Luthersche Kerk in ons vaderland in het bijzonder" (Reglement op de toelating tot het predikambt), van „godsdienstkennis, christelijk geloof, goede zeden, orde en eendracht". Zoo ook de Reglementenbundel van onze Hervormde Kerk.
Maar wat speciaal in art. 11 van ons Alg. Reglement voorkomt, is: ,,de behartiging der Zending", „aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland" (wat we nergens elders lezen) maar méér nog „de handhaving harer leer".
„Hare leer" is dus in art. 11 de leer van de Nederlandsche Hervormde Kerk.
De Nederlandsche Hervormde Kerk heeft dus in haar geheel, zoo goed als wat de bijzondere gemeenten betreft, een „leer", een „eigen" leer — en die eigen Hervormde leer (die „hare" leer genoemd wordt) moet dan door al de Besturen worden gehandhaafd. Ja, 't moet al mee „het hoofddoel van allen zijn, die in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zijn".
Zoo is dus de Hervormde Kerk evengoed als elke Hervormde plaatselijke gemeente een belijdende Kerk, een Kerk met een eigen, Hervormde leer, welke leer allen die over die Kerk en over die Kerken gesteld zijn, mee moeten helpen „handhaven".
„Ik zal handhaven" belooft ieder „bestuurslid" in de Hervormde Kerk. De Kerkeraad — het Classicaal Bestuur — het Provinciaal Kerkbestuur — de Synode (zóó worden ze in art. 4 Alg. Regl. genoemd) hebben dat te bedenken!
En daar zit natuurlijk in opgesloten, dat ieder predikant, ieder ouderling, ieder diaken, ieder lidmaat ook, het met die leer — met die leer der Hervormde Kerk — ééns moet zijn, als men lidmaat wordt, als men in het ambt treedt, als men een bestuursfunctie aanvaardt.
Natuurlijk!
Er ligt een wijd veld: De Christelijke Kerk in het algemeen; vele Kerkgemeenschappen; men kan gaan waar men wil; maar dan is er een bijzondere, een speciale Kerkgemeenschap: de Nederlandsche Hervormde Kerk genaamd, met een „eigen" leer, welke „hare" leer genoemd wordt — en dus ieder die tot die speciale Kerkgemeenschap behoort, toetreedt en blijft behooren, moet minstens „hare" leer beamen, vooral als speciaal gezegd wordt dat die leer in de Nederlandsche Hervormde Kerk in al haar geledingen moet worden gehandhaafd.
Wie het met de Hervormde leer niet eens is, moet niet Hervormd worden of blijven. Die kan naar de Luthersche-, naar de Remonstrantsche-, naar de Doopsgezinde Kerk gemeenschap gaan, of waar men zich overigens wil aansluiten als geestverwant.
In de Hervormde Kerk behooren alleen die ééns geestes zijn met de leer der Hervormde Kerk. Dat geldt voor den prediker, voor den catecheet, voor den liturg, voor de ambtsdragers saam en voor ieder persoonlijk, voor de lidmaten — voor allen! In de belijdende Hervormde Kerk allen die met de Hervormde belijdenis instemmen! En die alléén!
(Wordt voortgezet).

Een belangrijke Vergadering.
In de advertentierubriek zal de belangstellende lezer zien melding gemaakt van een vergadering, uitgeschreven door de Hervormde (Gereformeerde) Predikantenvergadering, te houden op Donderdag 8 September 1927 te Utrecht, in Hotel des Pays Bas, aanvang ten 10.15 ure. Dit is reeds de zesde vergadering die door onze Predikantenvereeniging wordt uitgeschreven. De agenda voor a.s. Donderdag vermeldt, dat ds. R. Dijkstra te Amsterdam het openingswoord zal spreken. Vervolgens zal ds. J.G. Woelderink van Hoornaar een lezing houden over: Geloof en Bevinding. In de middagvergadering spreekt Drs. J. Willemze van Groningen over: Rechtvaardigmaking en Heiligmaking. Men zal moeilijk belangrijker onderwerpen voor ons, theologen, kunnen vinden. Want én in de practijk van het gemeenteleven èn bij onze studie zitten we telkens neer bij deze dingen en daarom is het zoo goed, dat predikanten nu met elkaar ook eens over deze dingen spreken.
Ook is het goed, dat we elkaar, als pre­dikanten onderling, ontmoeten. Dat hebben wij Hervormd (Geref.) predikanten, veei te weinig. In „de Geref. Kerken" heeft men al jaren en jaren zoo'n predikantenvergadering. Maar de Hervormde (Geref.) predikanten zijn er lang van verstoken geweest. Daarom zou het ook ons verblijden indien deze Predikantenvereenigifig levensvatbaarheid bleek te bezitten. En het zou ons tot vreugde zijn, indien vele predikanten, ook die tot onzen Gereformeerden Bond behooren, deze vergadering a.s. Donderdag willen bezoeken.
Het Bestuur heeft veel moeite gedaan om alles zoo goed mogelijk te regelen. En wij meenen, dat aanvankelijk die pogingen als wèl geslaagd mogen worden beschouwd. Dat men nu van alle kanten dit pogen mag steunen!
Vooral in deze dagen nu er van een gemeenschappelijk optreden van alle Hervormden, die op den bodem van Schrift en Belijdenis staan, veel verwacht mag worden, omdat de dingen in onze Hervormde (Geref.) Kerk hoe langer hoe meer om de hoofdzaken onzer Gereformeerde belijdenis gaan, zal er nu, naar den mensch gesproken, alles van afhangen, of de geestverwanten elkander kunnen vinden. En daar moet ieder aan meewerken, opdat niet gezegd kan worden, dat wij de gelegenheid, die de Heere ons geeft, ongebruikt laten voorbijgaan.
Het Moderamen van deze Herv. (Geref.) Predikantenvereeniging bestaat dit jaar uit de heeren predikanten: dr. P. J. Kromsigt, van Amsterdam, voorzitter; ds. P.A. Binsbergen, van Mastenbroek, secr.-penningm.; ds. J.G. Haselager te Weesp; ds. L.J. Lammerink te Delft; dr. J.C.S. Locher te Leiden; drs. J. Willemze te Groningen.
Geve de Heere een gezegend samenzijn rondom Zijn Woord, voor hoofd en hart tot rijken zegen voor de — naar we hopen — vele bezoekers. Zij 't, door Gods gunst, dat we straks getuigen kunnen: de broederen ziende — grepen we moed en werden gesterkt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's