MEDITATIE
HET ROEMEN IN DE VERDRUKKINGEN DOOR DE KINDEREN GODS.
En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hope. En de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. Rom. 5 vers 3—5.
Daar is niets, waartegen de menschelijke natuur zich meer verzet en waartegen hij meer opkomt, dan tegen het lijden, hetzij op het krankbed, hetzij onder andere omstandigheden. Toch is het dikwijls voor het diep bedorven en wederstrevig gemoed zoo noodzakelijk, opdat men zijne geringheid zou erkennen en als diep afhankelijken zich tot den Heere mochten wenden. Niet echter, om daarmede de schuld bij den Heere God af te betalen, gelijk sommigen zouden willen denken, want die schuld maken wij daar tegenover iederen dag grooter en kunnen zelfs daarvan niet een quadraatpenning afbetalen — want die groote schuld wordt voor Gods volk alleen in het dierbaar bloed van den Heere Christus uitgewischt. Ook niet, opdat ons lijden de bekeering des harten zou kunnen aanbrengen, maar opdat 't nog door den Heiligen Geest als een middel mocht worden gebruikt tot verbrijzeling der harten en verootmoediging voor het aan gezicht des Heeren. De apostel Paulus spreekt in bovengenoemde woorden over de zalige gevolgen van de rechtvaardiging uit het geloof en alzoo over den gelukkigen toestand van hen, die uit het geloof gerechtvaardigd worden; hoe zij, door genade, ook mogen zijn onder de verdrukkingen, door den Heiligen Geest aan hunne harten geheiligd, ja, hoe daar bij tijden een roemen in de verdrukkingen gekend werd. En niet alleenlijk dit, zoo getuigt de Apostel, en hij bedoelt met „d i t" het tevoren genoemde, n.l. wij roemen niet alleen in die hope der heerlijkheid Gods, waarin wij ons zoo gelukkig gevoelen en boven duizenden van onze natuurgenooten zijn beweldadigd, daar de grond onzer zaligheid in onzen Borg en Middelaar Jezus Christus vast ligt, maar er is nog iets, hetwelk der geloovigen geluk nog hooger doet klimmen.
Zeker, het was een verhevene gedachte, wachtende te mogen zijn op een eeuwige heerlijkheid en volle zaligheid. Zij mogen niet alleen roemen over iets, dat tot het toekomende behoort, maar daarenboven ook over iets, dat behoort tot het tegenwoordige leven. Niet alleen over iets, waarin men zich kan verheugen met een onuitsprekelijke vreugde, maar zelfs over iets, dat het harte beknelt, en tranen uit de oogen perst; ja over iets, hoe vreemd 't ook den natuurlijken mensch moge voorkomen, n.l. in de verdrukkingen van den tegenwoordigen tijd, over welke het ongeloof pleegt te morren en te murmureeren. Zij, gunstgenooten des Heeren, zijn aan velerlei smarten en moeiten blootgesteld, en worden om de belijdenis van Jezus' naam door de vijanden des kruises veelszins gelasterd, gesmaad en mishandeld en vervolgd. Maar, onder deze verdrukkingen, hoe zwaar zij ook voor vleesch en bloed mogen zijn, worden zij, krachtdadig ondersteund door goddelijke genade, niet neergeworpen. Integendeel, degenen, die geleid en onderwezen zijn in de leer-en lijdensschool des Heeren Jezus, dragen bij tijden wel eens roem in al die tegenspoeden, en verblijden er zich in, dat zij waardig geacht werden om den naam des Heeren smaadheid te ondergaan.
Trouwens, de tegenspoeden hadden door Gods genade bij hen heilzame gevolgen achtergelaten, zoodat zij kunnen getuigen: dat de verdrukking lijdzaamheid werkt. Het mag waarlijk wel een wonderspreuk genoemd worden, dat er roemen kan plaats hebben in de verdrukkingen. Had de apostel gezegd, dat diepgaande klachten, opstand tegen God, murmureering des harten en nog zooveel meer als 't ware de ziel beroerden, nietwaar, wij zouden terstond geneigd zijn om ja en amen op zijne woorden te zeggen. Maar roemen in de verdrukkingen? Hoe kan dat mogelijk zijn? Zijn de tegenspoeden en de verdrukkingen dan niet groot en vele Wie onzer kent ze niet? Wie zal ze opsommen, die tegenheden, die openlijk of in het verborgen ondervonden worden. Verdrukkingen in het lichaam, in aardsche omstandigheden, verdrukkingen in vrienden, aanvechtingen der ziel. Koning David noemde ze: kwaden zonder getal. Aan vele verdrukkingen is het menschelijk geslacht onderworpen. Eens was het hier op aarde een Eden, maar nu helaas door de zonde geworden een land van tranen, rouw en smart. Nu is het de klacht van velen: Heeft niet de mensch een strijd op aarde? Zelfs de kinderen Gods, die gerechtvaardigd zijnde, in de gunst des Heeren mogen leven, zijn van deze verdrukkingen niet bevrijd, ja hebben ook daarin ruimschoots hun deel. Voorwaar, het is openbaar, dat zij op een gansch andere wijze het lijden beschouwen als de dienaren der zonde; zij toch beschouwen het niet als straffen van den Rechter, om daarmede hun schuld te boeten, maar als kastijding van een genadigen Vader in Christus, tot hunne v ernedering, loutering en oefening. Heeft bijv. een kind der wereld een zwak lichaam, ook David klaagt er over als hij zegt: Er is niets geheels in mijn vleesch en er is geen vrede in mijne beenderen vanwege mijne zonden. Worden anderen bezocht in hunne aardsche aangelegenheden, de vrome Job moest hetzelfde ondervinden, want de Sabbeërs vielen in het land en namen zijn vee en het vuur van den hemel verteerde zijne schapen. Wordt iemand bezocht in zijn bloedverwanten, ook de geloovigen ondervinden het, want een Ezau o.a. was zijn vader Izaak een bitterheid des geestes. Wat een tegenspoeden troffen niet een Jozef, een David. En duizenden na hen hebben het ervaren, want vele zijn de tegenspoeden der rechtvaardigen. Ook deelen zij in de algemeene plagen, oorlog, pestilentie, hongersnood, watersnood. Het is echter waar, gelijk eens een dichter het uitsprak:
AI gaat het hier in druk en kommer heen.
Waar 't hart om zonde treurt, daar zal genade rijzen.
Ja, schoon uw oog tot water smelt,
Er valt geen traan, of ze is geteld.
Wie het meest voor Jezus weent,
Zal 't meest Zijn liefde prijzen.
Voor menigeen zal het zijn, zooals zijn Heere en Zaligmaker ging, door lijden tot heerlijkheid. Maar de apostel Paulus voegt er nog meer aan toe. Wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hope. En de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort, door den Heiligen Geest, die ons is gegeven.
Vreemde taal, voorzeker, voor den aardschgezinden, natuurlijken mensch, maar deze taal verstaan dan ook alleen dezulken, die door genade geen vreemdelingen zijn in eigen hart en leven. De held in den strijd getroost zich zijne wonden en roemt er op, omdat hij ze ontvangen heeft in den dienst van zijn Vorst, en als hij sterft, roemt men hem als gesneuveld op het veld van eer. Maar, alleen hij, die een krijgsmanshart in z'n boezem draagt, waardeert dit recht. Het kind Gods, in goeden bloed vervolgd, getroost zich dat en onder de genade des Heeren mag hij roemen in de trouw zijns Heeren, die hem Zijne vertroostingen temidden van dat alles kennelijk deed ervaren. Maar, alleen diegene gevoelt dit recht, die ontdekt aan zichzelven door den Heiligen Geest, zich als een gansch onwaardige aan des Heeren voeten mocht neerwerpen, beseffende dat hem, louter uit vrije genade, barmhartigheid is geschied. Dan verstaat men, hoe de Apostel het hier uitspreekt: geduldig de verdrukkingen te ondergaan, niet uit en van zichzelven, maar door den Heere bekrachtigd. Dan verstaat men eenigszins, hoe het wel bijzondere genade genoemd mag worden, bij het bittere en zware kruis, dat op de schouders gelegd werd, te roemen in de verdrukkingen. De Apostel heeft dit door genade mogen doen. Hoort! hoe hij getuigt: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar of zwaard? Ja, de Heere geeft kruis naar kracht, en krachten naar kruis. Die Hij roept om getuigen van Zijn Naam te zijn, die vervult Hij ook met Zijnen Geest, maar naar de mate der verdrukking geeft Hij ook vertroosting. Wilt gij hiervan een voorbeeld? Guido de Brès, de vervaardiger der geloofsbelijdenis, om zijner belijdenis wille in zware ketenen geklonken, verklaarde aan een hooggeplaatst persoon, die hem bezocht, dat die ketenen hem in het minst niet verschrikten, maar hem veeleer tot sieraad en vreugde waren, omdat hij die hooger achtte dan alle gouden ringen en ketenen of andere kleinoodiën, ja, dat het geklank zijner eigen ketenen hem een liefelijk snarenspel in zijne ooren was. De woorden die hij aan zijn huisvrouw schreef, waren diep aangrijpende woorden: Ik had — zoo verklaart hij — nooit kunnen gelooven, dat God zich zoo vriendelijk zou hebben betoond aan zulk een arm schepsel als ik ben. Nu gevoel ik eerst, hetgeen ik anderen te voren gepredikt heb, en ik moet bekennen, dat, wat ik te voren gepredikt heb, gelijk is als een blinde van de verven spreekt, te rekenen bij hetgeen ik tegenwoordig in deze werkelijkheid in mijn hart versta en gevoel. Ik heb meer in deze gevangenis geleerd en toegenomen, dan te voren al mijn leven lang. En hij besluit: O, in welk een goede school ben ik onderwezen, in welke de Heilige Geest mijn Tuchtmeester en Leeraar is. Welk een getuigenis, mogen wij wel zeggen.
De verdrukking werkt lijdzaamheid onder 's Heeren krachtvolle genade. Lijdzaamheid beteekent in den oorspronkelijken tekst niet alleen een gelaten dragen van het kwaad, maar houdt ook in volharding en standvastigheid. De Heere Christus verschijnt den Zijnen in dit leven in kruis, vandaar de beteekenis van gelatenheid, welke tegenover den druk der verdrukkingen den tegenstand des geloofs stelt, en daardoor het geloof tot volharding oefent tot het einde toe. Immers de zonde-kwalen moeten evenals alle wonden door harde middelen genezen worden. De ploeg moet door den akker gaan, zal deze vruchten geven. Van nature verzetten wij ons tegen verdrukking, maar nu leert de genade Gods volk door de verdrukking lijdzaamheid, geduld, onderworpenheid aan den Heere, berusting in Gods wil. Hij, aan wien de verdrukking aan het hart geheiligd werd, weet er van te spreken, hoe die druk een breidel heeft gelegd aan zijne vroegere hartstochten en hem tot verootmoediging heeft gebracht.
Door de verdrukkingen wordt Gods volk door Gods genade in de lijdzaamheid geoefend, zoodat zij hoe langer hoe meer zich leeren bukken onder de wegen van Gods Voorzienigheid, hoe smartelijk zij ook mogen zijn voor vleesch en bloed.
Maar de lijdzaamheid werkt een andere vrucht, n.l. bevinding. Het grondwoord beteekent eigenlijk beproeving, dus wil het zeggen: de bevinding, die men door de beproeving van den waren aard van een zaak of persoon verkrijgt. Hier moet men er door verstaan de kennis, die men verkrijgt door nauwkeurig acht te geven op hetgeen in ons omgaat of ons wedervaart. Ervaring alzoo van de kennis der godzaligheid. Deze ervaring is een werking van Gods Heiligen Geest van de lijdzaamheid in de verdrukking. Men verkrijgt, voorgelicht door dien Geest, de ervaring, hoe ijdel en vergankelijk de wereld is, maar ook kennis van de majesteit en genade des Heeren en van zichzelven in zijne onwaardigheid en machteloosheid, en van het geloof dat de Heilige Geest in het hart heeft gewrocht.
En de bevinding werkt hope, welke niet beschaamt, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. De hoop ziet op de toekomst, zoowel voor dit leven als hiernamaals. De hope der heerlijkheid Gods, waar men volkomen hoopt op de genade, die ons, zegt de Apostel, zal worden toegebracht in de verschijning van Jezus Christus. Deze hoop werkt de bevinding, dat is, wordt door deze in werking gebracht en versterkt. De begenadigde weet bij ervaring, hoe dikwijls de Heere hem heeft bijgestaan, en bekrachtigd, uit hoe menig doodsgevaar Hij hem heeft verlost. Maar dat geeft ook een vasten grond om ook voor het toekomende op Zijn bijstand en verlossing te hopen.
Ja, nu leert hij meer en meer verstaan, dat hij niet lijdt als kwaaddoener, maar als een Christen naar den wil des Heeren. Wat geeft dat ook niet een heerlijk vooruitzicht, dat, wanneer wij met Christus geleden hebben, wij ook met Hem zullen verheerlijkt worden, en dat met een heerlijkheid van een zóó gansch uitnemend gewicht, dat al het lijden van den tegenwoordigen tijd daartegen niet is op te wegen.
En die hope beschaamt niet. Zeker, ieder mensch heeft hoop — maar de onbekeerde komt er eenmaal bedrogen mee uit, omdat deze gebouwd is op een valschen grond, of op de eigengerechtigheid, of op de barmhartigheid Gods. Met de hoop waarover de Apostel spreekt, komt men niet bedrogen uit. Zij kenden die door den Geest van Christus, den Oversten Leidsman en Voleinder van hun geloof. En dat kwam door de liefde Gods, door den Heiligen Geest uitgestort in hunne harten. Dat was de grond, dat de hope niet beschaamt maar hen verkwikte en vertroostte. Maar de groote vraag blijft: hoe staan wij tegenover deze waarheid? Moet de Heere ons onder Zijne volgelingen of onder Zijne vijanden rekenen? Och, de mensch stelt zoo gaarne zijn roem in allerlei dingen buiten den Heere. Ja, alle menschen in hun onbekeerden staat doen zulks, die niet in Christus als den waren wijnstok zijn ingeënt, en alzoo met een onvernieuwd hart daarhenen leven naar het goeddunken huns harten en hun deel in dit leven zoeken. Zij zoeken hunne genietingen in de wereld en in hunne aardsche belangen en gevoelen zich daarin schijnbaar gelukkig. Of, men gaat roemen als de Farizeer in zijne eigene gerechtigheid, en in uitwendige plichten om van de menschen geprezen te worden. En toch, de Heere kwam en komt nog steeds met vele ernstige roepstemmen, opdat men nog zou bedenken, wat tot zijn eeuwigen vrede is dienende. Hij waarschuwt dringend, opdat er nog een stilstand op den weg mocht komen, opdat men, door den Heiligen Geest ontdekt, nog als een in zichzelven diep schuldige zich mocht leeren kennen en beseffen, dat men door zijne zonden en on gerechtigheden zich den rechtmatigen toorn des Heeren en Zijne straffen heeft waardig gemaakt, en men den Heere mocht te voet vallen en zijn Rechter om genade mocht bidden. Ja, de Heere komt met Zijne beproevingen en verdrukkingen, opdat deze nog mochten dienen als instrumenten in Zijn hand, opdat die slaande hand nog mocht teweeg brengen die droefheid naar Hem, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid. Waar bergt gij u, als het leed genaakt, als donkere wolken zich boven uw hoofd samenpakken, als gij verdrukt en beproefd wordt, als het u bange wordt en smart op smart uw deel wordt? O, ongelukkige mensch, als gij dan geen plaats hebt, waar gij uw geprangd gemoed kunt uitstorten, als gij den Heere niet kent als uwe toevlucht, Die slaat, maar Die ook den balsem bezit om de wonden te heelen. Mocht gij nog de roede leeren kussen, die slaat, en het u niet brengen tot verbittering en murmureering, maar tot verootmoediging voor den Heere.
Gelukkig diegenen, die door genade iets mogen verstaan van de taal die de Apostel hier uitspreekt. O, welk een bijzondere genade niet alleen stille te zijn in den weg der verdrukking, maar daarin te roemen bijwijlen, die weten te spreken van lijdzaamheid, bevinding en hope, als vruchten van den Heiligen Geest. O zeker, het water kan wel eens tot de lippen komen, de zucht kan wel eens geslaakt worden: Heere! hoe lange? het kruis kan wel eens zwaar drukken, maar o! kruisdragers! de Heere heeft de mate er van beschikt en gewogen. Hij vergist zich niet, ook niet in het kruis, dat Hij oplegt. Zonder Zijnen wil zal geen haar u gekrenkt worden, en Hij geeft Zijn hartversterkende genade bij het kruis. Voor Gods volk is het hier dikwijls tegen den stroom in. Van den schitterenden paradijsvogel, een der schoonste onder de vogelen, vertelt men, dat hij altijd tegen den wind opvliegt, omdat anders zijn schoone vederdos hopeloos verward raakt. Zij, die met den stroom meegaan, zijn de rechte discipelen niet. Levende visschen gaan tegen den stroom in, doode visch drijft met den stroom mede.
Zij uw oog op den Heere! In u is geen kracht, maar Hij vermenigvuldigt sterkte, degenen, die geen krachten hebben. Sommige schepen komen met volle zeilen de haven in, maar andere met gescheurde zeilen. Wat nood, al komt men gehavend binnen, toch is men binnen. Hier is het slechts bij oogenblikken een roemen. Eenmaal voor al Gods volk, kleinen en meer bevestigden, een eeuwig roemen in de vrije genade, hun bewezen.
Wezep. N. WARMOLTS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's