FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
35)
Nu, dat vernam hij toen ds. Stevens eenige dagen later hem bezocht en vertelde wat hij van Zeelman had gehoord. De baron was éen en al verbazing. Wie had zoo iets kunnen denken? Hij herinnerde zich zeer goed het oude ijzeren kistje; het stond altijd in de bibliotheek; „vader had er wat jachtgerei in, dat niet meer gebruikt werd; een ouden kruithoorn, een kogelzakje, een veldflesch, een paar sporen en een knop van een gebroken rijzweep. Als jongen had hij het menigmaal open en dicht gedraaid; er zat een groote sleutel in, en hij meende, dat die 2 bij het slot stond om te zeggen dat de sleutel tweemaal moest omgedraaid worden. Later waren er ook wel papieren in geweest.
Dat in dat kistje de familieschatten geborgen waren! Hij kon niet begrijpen, dat vader dat geweten zou hebben, en toch was het zoo. Naar hij meende, waren die altijd in de brandkast geweest. Daar hadden zij ze dan ook gezocht; en waar al niet?
Geen van allen was op de gedachte gekomen ze in het bewuste kistje te zoeken. Maar, in alle geval, dominé, u brengt mij in vele opzichten een blijde tijding, en mede namens mijn zuster dank ik u hartelijk".
Toch, hoe verrast en verblijd de baron ook was, de afspraak, hoe nu verder te handelen, was niet zooals ds. Stevens het zich had voorgesteld. Hij pleitte voor Zeelman; die had waarlijk van harte spijt, dat hij die goederen zoo lang de familie had onthouden, maar begeerde ze nu ook ten volle terug te geven en alles in orde te brengen, ook wat het geld betrof, met de rente er bij; hij zou daartoe wat hij gekocht had, weer verkoopen en den baron het volle bedrag ter hand stellen, hoe eerder hoe liever. Zou de baron hem zoo spoedig mogelijk willen ontvangen, hem vergeven en het verloren gedachte aannemen? Zou de justitie er buiten gehouden kunnen worden en de zaak zoo geschikt, dat er geen sprake van kwam?
Ds. Stevens dacht, dat het zoo het beste was voor Zeelman en hoopte dat de baron hem daarin ter wille zou zijn.
Maar deze zeide, niet alleen over deze zaak, en dat terstond, te mogen beslissen. Hij moest met zijn zusters overleggen, ook met mijnheer Van Hoeven, die op verzoek van oude vrouw Van Leeuwen zich zoo had ingespannen om deze zaak op te lossen, raadplegen; en de oude notaris, die al de zaken geregeld had, zou er in erkend moeten worden. „Ik zal er dadelijk werk van maken en u zoo spoedig mogelijk bericht zenden. Of zou ik aan den smid schrijven?"
Ds. Stevens zou dan dat bericht verwachten en het Zeelman meedeelen.
Daarbij bleef het. Hij had na het bezoek bij den baron nog tijd Hein van Leeuwen een bezoek te brengen, maar vond hem niet thuis. Hein was juist uitgereden, maar zijn vrouw ontving hem vriendelijk en was blij iets te hooren van de familie uit Grijsdorp. De kinderen waren eerst wat verlegen tegenover dien vreemden mijnheer, maar Jan vooral hoorde al spoedig dat hij ook van tante Rika sprak en was dapper genoeg om dominé te vragen: ,,0f tante gauw terug kwam?"
„Zoudt ge dat gaarne willen, kleine man?"
,,Ja, mijnheer, heel graag".
„En waarom dan?"
Weldra zat Jan op dominé's knie en vertelde van tante Rika. Willie had er nog al een en ander bij te voegen. En dat gesprek met de kinderen was oorzaak, dat de dominé langer bleef dan hij van plan was, zóó, dat hij haastig moest vertrekken om den trein nog te halen; en ook nog van iets anders, dat we later wel vertellen zullen.
Zeer laat kwam ds. Stevens thuis; toch was hij den volgenden morgen reeds vroeg in de smederij, nadat hij van zijn vrouw gehoord had, dat de smid er 's avonds geweest was om te vragen, of „de dominé al terug was van de reis?"
Nu, in de smederij was de dominé wel bekend; hoe menigmaal was hij er in de laatste jaren tijdens Anna's ziekte in-en uitgeloopen! Wat hij nu echter met vader op Anna's kamer moest doen, begreep Mina niet; „Anna was er niet meer en het was er koud ook. Moeder wist het wel, maar zeide het haar niet.
De smid had het kistje en de kostbaarheden van den zolder gehaald en liet een en ander dominé zien.
„Gij kunt het nog niet naar Den Haag brengen, Zeelman, maar moet het bewaren tot er bericht komt; zóó heb ik met den baron afgesproken. Zoodra ik dat bericht ontvang, zal ik het u zeggen".
,,Zou het goed afloopen, dominé?"
„Dat moeten wij afwachten, Zeelman; ik denk het wel, hoofdzaak is, dat gij m.i. nu op rechte wijze handelt en daar zult gij vrede bij hebben, hoe het ook gaat".
Eenige dagen later, het was Maandagmorgen, ontving ds. Stevens een schrijven uit Den Haag, waarin gemeld werd dat de baron met den heer Van Hoeven Dinsdag wilde komen, in de hoop, dat dominé hen 's middags kon ontvangen om de bewuste zaak met smid Zeelman te regelen. Zij oordeelden, dat het om opspraak te vermijden, beter was dit in de pastorie te doen en niet ten huize van den smid, te meer, daar de dominé zoo vriendelijk was geweest in deze zaak als bemiddelaar op te treden.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's