De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

6 minuten leestijd

Welke te Zijner tijd vertoonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen en Heere der heeren. 1 Tim 6 vers 15.

1 Timotheüs.
De zalige en alleen machtige Heere. Uit „Harro Walter" van S. Ulfers wil ik, in verband met het woord „zalig", eerst de volgende woorden aanhalen. Als n.I. Harro Walter op den dag na zijn intree te Rotterdam, bezoek krijgt van zijn vriend Van Geuns, zegt deze laatste: „Er is nog één ding dat ik je van je preek wil zeggen, je hebt een gedeelte van je preek gewijd aan een beschrijving van God als een ongelukkige, als een rampzalige, omdat Hij onmogelijk gelukkig kan zijn met een wereld onder of buiten Hem, waar iedereen zoowat rampzalig is. En je hebt gezegd, dat je niet zou nalaten om dit aan je gemeente meermalen en breeder te zeggen. Is dit misschien wat nieuws dat je brengen wilt?" En dan antwoordt de nieuwe dominee: ,,Zooals ik je gezegd heb: ik wil niet behooren bij de menschen die iets nieuws brengen! Deze gedachte van God als een rampzalige is zoo oud als de Profeten. Lees de Profeten van Israël, en vind daar hoe zij God telkens voorstellen als een die diep ongelukkig is over Zijn volk. Zooals God daar klaagt en Zijn verdriet uitstort, zoo heeft nooit iemand geklaagd en verdriet gehad. Zij hebben God begrepen, die Profeten! En daarom, het moet eens uit zijn met die oude kerkelijke voorstelling van God als een in zichzelven volmaakt zalige! Hoe kan Hij dat zijn, zoolang er nog een van Zijn kinderen hier beneden is, die in ongeluk zit of in zonden, of in de verdoemenis of hoe je het noemen wil! We moeten dat oude Godsbegrip corrigeeren; dit moet het oude Godsbegrip vervangen, vind je niet?"
Tot zoover de aanhaling uit dit bekende boek. 'k Geloof evenwel dat de Profeten hunnen God wel begrepen hebben, maar niet zooals deze intrêepreek het bedoelde. De voorstelling van een God, Die ongelukkig is en rampzalig om de ellende der menschen is niet naar de Heilige Schrift. Zij is wèl heidensch te noemen, maar Oud-Testamentisch niét. Veeleer wil de gansche Schrift ons zeggen dat de Heere oneindig groot is. Hij is een volmaakt God, het inbegrip van alle volmaaktheden, van eeuwigheid tot eeuwigheid „Ik zal zijn Die Ik zijn zal", de volstrekt onafhankelijke in Zijn bestaan, in Zijn deugden, in al Zijn werken. Als God ook lijden zou en ongelukkig zou zijn om iets dat buiten Hem is, zou Hij daardoor niet langer de onafhankelijke zijn. Lijden veronderstelt een macht boven ons die wij niet van ons af kunnen werpen. Elke voorstelling van een God, Die Hem stelt onder een andere macht, houdt geen rekening met het onmetelijke onderscheid tusschen Schepper en schepsel.
Toch stemmen wij gaarne Harro Walter toe dat de Schrift ons spreekt van een God, Die berouw heeft (Gen. 6: 6, 1 Sam. 15 :11, Amos 7: 3, enz.), Die klaagt „Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijine wegen gewandeld had" (Ps. 81 vers 14) ; een God, Die smeekend voor Zijn volk staat en vraagt: „Wat voor onrecht hebben uwe vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn" (Jer. 2:5); een God, Die Zich Zelf teekent als een verongelijkten echtgenoot, die door zijne vrouw moedwillig is verlaten (Hoséa); een God, Die met schandelijke ondankbaarheid behandeld en met smaadheden overladen wordt. Ja zeker, gedurig openbaart de Heere Zich als een God, Die bedroefd is over de afkeerigheid Zijner kinderen en Zich verheugt over hun bekeering. Ieder, die in zijn zonde volhardt, bedroeft den Heiligen Geest. Maar dit al is niet ten koste van de volzaligheid Gods. Al wat wij u daar noemden en nog zooveel meer dat van denzelfden geest is, geeft ons een bewijs dat de Heere niet als de koude, onbewegelijke boven alles verheven is, maar dat Hij het leven der wereld en vooral van Zijn volk Israël meeleeft. Hij spreekt daardoor uit Zijn nederbuigende liefde. Zijn groote barmhartigheid, Die Hij in de volheid des tijds het allermeest openbaarde toen Hij zelfs mensch werd in Christus en door den Heiligen Geest ging wonen in de gemeente!. Dit zijn geen bewijzen van een „Zich ongelukkig gevoelen", maar wel van Zijn groote liefde. Die Zich een weg weet te banen, opdat Sion door recht verlost worde.
Wij kunnen slechts gebrekkig spreken over de volmaaktheid van God. Dat bemerken wij zoodra wij ons niet slechts aan „woorden" houden, maar ons tot nadenken zetten, om te begrijpen wat door die woorden wordt bedoeld. En zoo is het ook met het woord „zalig", van God Zelf gezegd. De Heere is een zalige God. Zalig is iemand, die is, zooals hij wezen moet. Van een mensch gezegd beteekent het dat deze de gemeenschap Gods en Zijn weldaden deelachtig is, en daardoor het ware leven heeft ontvangen en daarin door niets belemmerd wordt. Welnu, de Heere is de fontein van alle leven. Hij wordt in dat volkomen leven door niets van binnen of van buiten gestoord. Hij is de hoogste waarheid, het eenige goed, de volmaakte heiligheid, de onkreukbare majesteit, de hoogste liefde. Hij heeft niets buiten Zich Zelf, noodig om dat lief te hebben. Hij heeft Zich Zelf lief. En als vrucht van die heilige zelfliefde heeft Hij de wereld geschapen, opdat daarin Zijn Raad zou worden uitgevoerd. Zoo heeft de Heere in Zich Zelf en in Zijn werk van de natuur en de genade een volkomen genot.
De apostel herinnert Timotheüs aan dien zaligen God, Die te Zijner tijd onzen Heere Jezus Christus zal doen verschijnen. Die van te voren door niets verontrust wordt en Die onder alle stormen die op de gemeente des Heeren aankomen, Zijn Raad uitvoert en in Zijn eigen werk zich verheugt.
Het zal wèl met ons zijn als wij op dien zaligen God vertrouwen mogen. Gods kind leert ja en amen zeggen op al Gods volmaaktheden. Elke eigenschap Gods wordt hem dierbaar en hij begeert geen anderen God, dan den eenigen waarachtigen God, Die Zich in Christus heeft geopenbaard. Daardoor worden de moeilijke vraagstukken van het lijden der menschheid hem niet opgelost. Maar hij wil liever hierin met een vraagteeken blijven staan dan afbreuk te doen aan de absolute volmaaktheid van den Heere onzen God. Dat Godsbegrip wil hij liever niet corrigeeren, zooals Harro Walter voorstelt. Dat „oude Godsbegrip" geeft hem nog altijd het meest voldoening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's