Dank- en Bedestond
Door Mij regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid. Spreuken 8 vers 15.
op Koninginne verjaardag 31 Aug. 1927*)
31 Augustus. Die datum spreekt tot het hart van elk rechtgeaard Nederlander. Het is immers onze nationale feestdag, waarop jong en oud zich met oranje tooit om openlijk te getuigen van hun trouw aan het aloude Vorstenhuis. Wij gedenken op dezen dag met groote blijdschap, dat weer een jaar aan het leven van onze geliefde Koningin is toegevoegd, een jaar, waarin de Heere haar heeft geleid en gesterkt tot de zware taak die zij heeft te vervullen. Het is Gods goedertierenheid, dat onze Koningin voor ons, en niet minder voor haar huis, is gespaard gebleven, dat zij voor groote rampen bewaard werd en nog steeds ons volk mag regeeren, rechtvaardig, wijs en zacht. Zoo is ons ruime stof tot danken gegeven door Hem, die de Koning der koningen is. Hij is onzer gedachtig geweest. Hij heeft Zijn gunst aan ons groot gemaakt. Immers Hij heeft Zijn hand over onze Vorstin beschermend uitgebreid tot op dezen stond toe. Wie zegt ons, hoeveel de Heere God ons haar heeft geschonken? Zij kent de gechiedenis van haar roemrucht geslacht en treedt in de voetstappen van haar doorluchte vaderen. Zij gevoelt zich één en lotgemeen met haar volk en leeft voor haar taak. Zij bidt met ons mee en geeft door haar voorbeeld vaak bezielende kracht. En telkens betoont onze hooge landsvrouwe een ware landsmoeder te zijn. Daarom loven wij den Naam van Gods heerlijkheid en prijzen den Heere voor Zijn weldaden, ons bewezen.
Hij beware ons er voor, dat wij Zijn menigvuldige zegeningen zouden vergeten op dezen dag, maar doe ze ons alle dankend erkennen. Den Hoogen God alleen zij d' eer! Daarom ook willen wij heden, saamgekomen in dit bedehuis, Gods Naam met dankerkentenis verheffen. Maar aan dien dank pare zich dan ook de bede, dat de Heere ons dat dierbare leven behoude, versterke en beware tot in lengte van dagen.
Komt, laten wij u mogen opwekken tot bede en dank en wel aan de hand van het Woord, dat gij leest in Spreuken 8 vers 15.
Een dank-en bidstond houden wij op Koninginnedag. En dat maar niet voor den vorm, maar omdat het voor de gemeente des Heeren een behoefte des harten is op dezen hoogtijd God te erkennen voor Zijn weldadigheid en trouw. 31 Augustus is ons een dag van groote blijdschap, een dag, waarop het hart van Neêrlands volk sneller en warmer klopt dan ooit.
En waarom is dat zoo? Omdat er tussen ons volk en het Oranjehuis een mystieke band is, een band, door God Zelf gelegd. Dat vertelt ons iedere bladzijde uit onze rijke historie. God Zelf heeft Nederland en Oranje saamgesnoerd en saamverbonden, zoodat ze met elkaar lotgemeen zijn geworden en deelden in elkaars lief en leed. Nederland viert nu feest, omdat zijn Koninging feest viert. En wie een oog ontving voor de wondere leidingen, die de Heere met volk heeft gehouden en zich dankbaar herinnert wat ons land en volk aan het gezegende Oranjehuis verschuldigd is, die heeft vanmorgen in de stille binnenkamer God gedankt voor het groote voorrecht dat we nog een Koningin bezitten die èn in het staatkundige èn in het persoonlijke leven edele tradities van de Oranjedynastie getrouwelijk volgt. Maar die zal bij de dankzegging ook gevoegd hebben de bede, dat de Heere haar blijve verzellen met Zijn Geest.
Evenwel, hoe goed en noodig het zij God in het verborgene groot te maken voor Zijn weldaden, ons geschonken, het geloovige hart heeft aan iets meer nog behoefte. Het wil met de oprechten onderling, vereend in hun vergadering en raad, Hem plechtig eer bewijzen. Die behoefte spruit op uit het diepe besef van saamhoorigheid. Gods kinderen weten zich leden van één lichaam. Zij hebben niet aan zichzelf genoeg. Zij hunkeren naar elkaars gemeenschap. Vandaar vaak bij hen die sterke zucht naar de voorhoven des Heeren, waar het volk vergaderd is. Waar zij anderen vinden, die geen vreemden zijn. Waar zij samen God kunnen loven en danken.
Alleen God te prijzen is al veel, maar het samen te mogen doen, zegt meer. Als in de gemeenschap der heiligen de lof en de dank overspringt van den een op den ander, dan huppelt eerst recht de ziel van vreugd. Dan is het:
Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
Wanneer ik voor U kniel
In 't huis, dat Gij U hebt gesticht.
Daarom is het zoo goed als op een dag als deze de gemeente naar Gods huis mag gaan. Dat beantwoordt bepaald aan wat daar leeft in het hart van allen, die van God zelf bidden en danken hebben geleerd. Ook ons is het voorrecht gegund met Gods blijde schare op te gaan naar het huis des gebeds, waar vanmorgen dit woord ons tegenklinkt: „Door Mij regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid".
Een woord, bij uitstek geschikt om ons te vervullen met eerbied voor het hooge gezag, waarmee God onze Koningin heeft bekleed. En wel is het noodig dit woord onszelf en anderen voortdurend in te scherpen, waar allerwegen in onze dagen de geest van anarchisme woelt. De strijd tegen het wettig gezag wordt met steeds driester geweld en onheiliger wapenen gevoerd. Ook ons vaderland, ook onze goede stad — het zij met droefheid herinnerd — is er getuige van, dat er niet weinigen zijn, die liefst alle banden zouden willen verscheuren, die het gezag inplaats van een zegen, een vloek durven noemen en wier ongoddelijk drijven is saam te vatten in de schrikkelijke leuze: „Weg met het Koningschap, leve de anarchie!"
Vierkant daartegenin, lijnrecht daartegenover belijden allen die nog buigen voor het Woord — en dat wilt gij immers ook — dat de Overheid is een instelling Gods. Door Mij, zegt de Heere, regeeren de Koningen. Door Hem regeert dus ook onze Koningin. De majesteit, waarmee ze is bekleed, heeft ze van God ontvangen, van Hem alleen. Want Hij is de Oppersouverein, de Schepper van alles wat leeft, die beveelt zonder bevolen te worden, die met de inwoners der aarde en met het heir des hemels doet naar Zijn welgevallen.
Hij heeft Zijn geduchten stoel op starren gesticht en gegrondvest op de wolken. Zijn troon welft zich boven alle tronen en Zijn Koningschap is monarchaal in den volstrekten zin van het woord. Tegenover Hem heeft niemand iets te zeggen, maar Hij heeft alles te zeggen over allen, want zij zijn Zijn creaturen. Zijn souverein zeggenschap is dan ook de eenige bron van alle zeggenschap van den eenen mensch over den anderen en onderwerping van den een aan den ander komt dus nooit te pas, tenzij God dien andere over u stelt.
En dat laatste doet de Heere. Het heeft Hem behaagd van Zijn majesteit en macht iets te leggen op menschen en door hen het gezag te laten uitoefenen. De machten, die er zijn, schrijft Paulus, die zijn van God verordineerd en moeten om Zijnentwil worden gehoorzaamd. Alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat en die ze wederstaan, halen daarmee een oordeel over hun ziel.
„Door Mij regeeren de Koningen", zegt de Heere. En dat bestel des Heeren hebben wij nederig te eeren, ja, er Hem ootmoedig voor te danken. Want het is een groote zegen, dat er een Overheid is. Wat zou het een schrikkelijk ding zijn, zoo zij er niet was Deez' aarde werd een hel. Toen er geen Koning in Israël was, deed een ieder wat recht was in zijn oog met al de ellendige gevolgen daarvan. De rechtvaardige werd verdrukt, de goddelooze had vrij spel.
En er heerschte een hopelooze verwarring op elk gebied. Zoo gaat het altijd als de banden worden verbroken en de revolutie wordt ontketend. Dan breekt de anarchie overal uit, de anarchie, die op haar beurt niet anders baart dan de ondragelijke tyrannie en de schrikkelijkste dwingelandij. Daarom kunnen wij er God niet genoeg voor danken, dat Hij in Zijne algemeene genade de Overheid instelde om het gezag te handhaven en het recht te bestellen op deze zondige wereld.
't Is waar, dit gezag, van Godswege toebetrouwd, kan worden misbruikt. Dan ontaardt de regeermacht in despotisme, waarbij God wordt onteerd en 't volk wordt verdrukt. En ziet, niet zelden kwam dit voor. De gewijde zoowel als de ongewijde geschiedenis levert daar menig voorbeeld van op. Denk aan den Pharao van Egypte, die in verwaten trots uitriep: Wie is de Heere, dat ik Hem gehoorzamen zou? en Israël ten doode toe benauwde. Denk aan een Napoleon, die alles vertrapte wat hem in den weg stond — maar God stond op ten gerichte en stiet ze van hun tronen. Zoo vonnist Hij die stout zijn op hun macht en geen rekening houden met de waarheid: Door Mij regeeren de Koningen en stellen de vorsten gerechtigheid.
Maar nu gevoelt gij ook, wat een groote zegen het is, als wij geregeerd worden door mannen, die zich er diep van bewust zijn dat zij niet meer dan werktuigen zijn in Gods hand. En mij dunkt, ik zeg niet te veel, als ik beweer dat dit met de Oranjes het geval was. In meerdere of mindere mate hebben deze allen het verstaan, dat God ze had geroepen om leiding te geven aan ons volk en dat ze Hem verantwoording schuldig waren van de wijze, waarop ze hun hooge taak vervulden.
Onwillekeurig gaat onze blik terug naar ons rijke verleden. En dan rijst al dadelijk voor ons op het beeld van den eersten Willem, den van God gezalfden Vader des Vaderlands. Had hij niet met den Potentaat der Potentaten een vast verbond gemaakt? Is van hem niet het woord: „Laat men ons verdrukken, mits wij hulp mogen bieden aan Gods Kerk"?
En het stemt ons tot dank aan den Heere, dat dit beginsel, dit beginsel des geloofs door Zijne genade de leiddraad der Oranjes is gebleven tot op dit oogenblik toe.
„Door Mij regeeren de Koningen". Dat Woord roept ons voor den geest 's Heeren wonderbare leidingen met Oranje en Nederland. God Zelf heeft deze beiden tot elkaar gebracht en saamverbonden. Wij hebben deze dynastie niet na rijp beraad uit vele andere gekozen. God heeft haar aan ons land gegeven en wij mogen met Israël zingen: „Want onze Koning is van Isrels God gegeven".
Als de dag der benauwdheid voor ons volk aanbrak, toen het Spaansche juk zoo zwaar op ons drukte en men ons met geweld wou dwingen Roomsch te leven, Roomsch te voelen, Roomsch te bidden, en men het verlangen om God te mogen dienen naar den eisch van Zijn Woord in bloed zocht te smoren, toen heeft God ons door Oranje uitkomst beschikt.
Daarom is de naam van Oranje zoo diep in de ziel van ons volk gegrift. Toen het er op aankwam, toen het ging om de heiligste rechten en vrijheden van ons volk, hebben de Oranjes zichzelf niet gespaard, maar zélf geofferd wat er te offeren viel.
Lijf ende goed al te samen. Heb ik U niet verschoond.
Naast God hebben wij alles aan dit Vorstenhuis te danken; onze burgervrijheid, onze godsdienstvrijheid, onze gewetensvrijheid. En telkens wanneer deze schatten werden bedreigd, verscheen er een Oranje op het tooneel, die getrouw aan de wapenspreuk van zijn huis: „Ik zal handhaven", zich in de bresse stelde voor ons.
Dat roemruchte geslacht heeft telkens het zinkend Vaderiand voor den ondergang behoed of uit de inzinking weer opgeheven. Trouwens, zonder Oranje ging het nooit goed. Dat heeft ons volk aan den lijve ervaren, toen het Gods Woord verwierp en door den geest der revolutie verdwaasd den Nassauschen leeuw verdreef. Geen wonder dan ook dat ons volk, zoodra het uit de diepte van ellende weer tot God riep omhoog, ook tevens leerde uitzien naar het aloude stamhuis. In dagen van druk is het „Oranje Boven" steeds de noodkreet geweest, die door Gods ontferming straks een zegekreet werd. Laat ons die roeping trouw vervullen en dat te meer, waar er een geest des ongeloofs ook over een deel van ons volk is gevaren, die niets weten wil van het Woord der opperste wijsheid: „Door Mij regeeren de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid".
Door Oranje beschikte de Heere dan wederom uitkomst — niet als ware de Heere aan Oranje gebonden, maar omdat het Hem behaagde Nederland aan Oranje te binden en Hij dien band wilde bestendigen. Dat heeft Hij in het bijzonder betoond als Hij op wonderlijke wijze ons Vorstenhuis voor uitsterven bewaarde. Herhaaldelijk scheen het alsof de Oranjestam zou vergaan, maar dan bleek het telkens weer, dat de Heere een afgesneden zaak doet op aarde.
Den schier afgehouwen tronk deed Hij opnieuw uitspruiten en bloesemen, getuige de geboorte van onze Prinses Juliana. O, laat ons acht geven op die wonderlijke leidingen des Heeren! Nog staat tot op dezen stond de troon van Oranje. Onze dankbare blikken wenden zich op dezen feestdag daarheen en wij ontmoeten daarop een Vorstin, die door Gods genade de draagster is van de edelste tradities van haar voorgeslacht.
Haar eeren wij allereerst om 's Heeren wil, bij Wiens gratie zij regeert. Wij eeren haar voorts om niet minder ook haar Vaderen wil, maar om haars zelfs wil. Van schepselvergoding, zoo dikwijls op den voet door verguizing gevolgd, wenschen wij bewaard te blijven. Wij zien in onze Koningin een mensch, een mensch van gelijke beweging als wij. Een zondares gewis, zooals wij allen zonder onderscheid zondaren zijn voor Gods aangezicht. Voor God is de armste daglooner of werkvrouw aan haar gelijk. Maar dit belet ons niet een open oog te hebben voor de kostelijke gaven, die de Heere haar heeft verleend. En dan bewonderen wij in haar haar nobel karakter, haar helder verstand en fijnen tact. Dan stellen wij vertrouwen in haar wijsheid en beleid om het schip van Staat door de branding te sturen van dezen felbewogen tijd. Dan verheugt het ons niet weinig, dat zij in de opvoeding van haar kind de voetstappen volgt van de stammoeder der Oranjes, de vrome Juliana van Stolberg. En waar wij ons nog het meest om verblijden en waarvoor wij den Heere nooit genoeg kunnen danken is dit, dat zij zich in het persoonlijke, huiselijke en ambtelijke leven het Evangelie van Jezus Christus niet schaamt, maar openlijk belijdt aan den voet van het Kruis alleen den vrede voor haar ziel te vinden. Andere landen geven ons te zien, hoe bitter het is wanneer zij die in hoogheid zijn slechts met hun eigen wijsheid te rade gaan en van geen hooger licht willen weten. Onze Koningin legt echter de hand op den Bijbel met den Psalm in het hart:
Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht om 't donker op te klaren,
en het is niet het minst daarvoor, dat wij Gode dankbaar zijn. O, het is zoo ontzaglijk veel waard, dat wij een Koningin hebben die buigt voor het Woord en voor wie het „bij de gratie Gods" geen ziellooze klank, maar alles-beheerschend beginsel is.
Wij mogen ons deswege wel gelukkig prijzen. Met ootmoedigen dank juiche daarom al het volk op dezen dag in de voorhoven des Heeren vergaderd: „Door U, o Heere, alleen regeert nog over ons een Vorstin uit het huis van Oranje. Uw Naam zij daarvoor geloofd en geprezen!
Maar naast die dankzegging voor het bezit van zulk een Vorstin klimme de bede omhoog, dat het den Heere behage haar ons te sparen tot in lengte van dagen. Laat ons bidden, dat de Kroon van het Koningschap nog lang op haar hoofd moge bloeien en ons volk onder haar regiment een stil en gerust leven leide in alle godzaligheid en eerbaarheid.
„Vreest God, eert de Koningin" is de roeping, die tot ons als volk van Nederland komt.
Er zijn er helaas bij getale in onze dagen, die stout dat goddelijk recht ontkennen, menschen, die naar verandering staan, die de heerlijkheden lasteren, die alle gezag van Boven verwerpen. Luther zeide eens: Weet gij, waarom die menschen tegen den Koning zijn? Omdat ze zelf koning willen worden. En waarlijk, zóó is het.
„Eigen heer en meester". Dat was en dat blijft de leuze van den geest uit den afgrond. Op al luider toon wordt ze tegenwoordig aangeheven. Stelselmatig wordt verzet tegen het gezag, alle gezag gepredikt, nadat men eerst van het gezag van God en Zijn Woord zich losgemaakt heeft. Geen enkele band duldt men meer en men drijft den spot met al wat den Christen heilig en dierbaar is. Wie meeleeft, weet dat onze tijd zwanger is van revolutionaire ideeën. Met allerlei schoone woorden of ook met stout geschreeuw zoekt men ons volk afvallig te maken van zijn God en van zijn Koningin. O. dat Gods gemeente nu haar roeping versta! En temidden van de dwalingen des tijds moge zijn een pilaar en vastigheid der waarheid.
Zij ontplooie kloek en fier tegen de roode vaan de banier van het evangelie en lokke door woord en daad het gansche volk van Nederland tot de gehoorzaamheid aan Christus, dien Koning der koningen en Heere der heeren, bij Wiens gratie en in Wiens Naam onze Vorstin regeert.
Amen.
Wilhelmus van Nassauwe,
Ben ik van Duitschen bloed;
Het Vaderland getrouwe
Blijf ik tot in den dood
Een Prince van Oranje,
Ben ik vrij, onverveerd;
Den Koning van Hispanje
Heb ik altijd geëerd.
Mijn schild ende betrouwen
Zijt Gij, o God, mijn Heer.
Op U zoo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar t' aller stond;
De tyrannie verdrijven.
Die mij mijn hart doorwondt.
Rotterdam. P. VAN TOORN.
Uitgesproken in de Koninginnekerk te Rotterdam. Gezongen is: Psalm 75 vers 1 en 4; Psalm 68 vers 10 en Psalm 150 vers 1. Na het uitspreken van den zegen: het 1ste en 6de couplet van het Wilhelmus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's