FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
36)
Met dat bericht ging de predikant naar Zeelman.
„Dat komt mij zeer goed voor, Zeelman, het lijkt gunstig voor u; de heeren handelen voorzichtig. Breng vanavond 't kistje bij mij, zij kunnen het dan dadelijk meenemen; ze zullen wel met een rijtuig uit de stad komen. Ik zal u een boodschap zenden, als zij bij mij zijn. Kom dan dadelijk, en zoo ik hoop zullen we die zaak afhandelen zonder dat ze ruchtbaar wordt; andere menschen hebben er vooreerst niet mee te maken".
„Morgenmiddag krijgen wij deftig bezoek", zei de dominé tot zijn vrouw, toen hij weer thuis was; „Baron van Wijck Doornenburg en een vriend van hem uit Den Haag, komen op de thee".
Mevrouw hoorde vreemd op, natuurlijk vroeg ze naar het waarom. „Och die heeren hebben met smid Zeelman een gewichtige zaak te bespreken en willen dat gaarne hier in huis doen, omdat ik er als tusschenpersoon in zit. Nog een dag geduld, vrouwtje, spreek er maar met niemand over, morgen zal ik u het fijne van de zaak wel vertellen. Het beste is dunkt me, dat ik ze op de studeerkamer ontvang, en is de zaak afgehandeld, dan komen wij bij u een kopje thee drinken".
En zoo geschiedde het. Het begon reeds donker te worden, toen de heeren kwamen en door ds. Stevens vriendelijk ontvangen werden. Zij waren eerst naar Groenhuizen geweest, naar den ouden notaris Steensma, die ongesteld was en dus niet mee kon komen. Wel had de oude heer den raad gegeven, nu de smid bereid was alles terug te geven, de zaak met hem in der minne te schikken. Indien de justitie er in betrokken werd, zouden zeer waarschijnlijk de kostbaarheden in beslag worden genomen, nadat de smid was aangeklaagd, en er eerst een uitspraak van de rechtbank moeten komen. Het was ook nog de vraag, hoe die wezen zou. Volgens de letter der wet kon de smid z.i. niet schuldig verklaard worden. Hij had bij verkoopingen dergelijke dingen in 't klein meer beleefd; o.a. was er eens een schilderij voor een kleinigheid verkocht, die later van groote waarde bleek te zijn. De smid kon natuurlijk wel weten, toen hij den schat had ontdekt, dat hij voor een paar gulden oud ijzer, geen schat kon koopen, maar hij had het kistje toch op rechtmatige wijze gekregen, het was „verkocht zooals het te zien was geweest", en niemand wist dat er zooveel inzat. Hij had op onrechtmatige wijze verborgen, wat niet 't zijne was en onthouden aan hen wien het toekwam en die hij kende; nu hij alles terug wilde geven, kon, naar het oordeel van den notaris, dat aanvaard worden zonder den smid in de moeite te brengen door hem gerechtelijk te vervolgen.
Voor Zeelman zag het er dus bemoedigend uit, en daarover verblijdde ds. Stevens zich, die zijn best deed vóór hij hem liet roepen, de heeren in gunstige stemming te brengen.
Met verwondering bezagen ze het kistje, dat de smid bij den predikant gebracht had en deze voor den dag haalde. De baron ontroerde, toen hij de familieschatten wederzag. „Hij kon zich niet anders voorstellen", zeide hij, „of zijn vader had ook nooit van de verborgen bergplaats geweten, ze misschien kort voor zijn dood ontdekt en toen hij er van ging verkoopen en dat voor zijn kinderen verborgen wilde houden, de overige stukken daarin had gedaan. Niemand zou ze daar zoeken. De dood had hem verrast en zoo was het onbekend gebleven, tot de smid het ontdekte".
Nauwkeurig werd alles bekeken, ook mevrouw werd geroepen om de familie-kostbaarheden van den Beukenhof te zien, totdat de smid boven kwam en nogmaals openhartig, zooals hij het eens ds. Stevens deed, nu aan de heeren beleed wat hij gedaan had, hoe hij het geheim ontdekt had en voor de verzoeking was bezweken dien schat te houden, ofschoon hij van een ander was; hoe hij er spijt van had gekregen en het hem zwaar was gevallen, ja, zijn leven vergalde, en hij het toch om zijn vrouw en kinderen, om de menschen, niet had durven zeggen, totdat God hem er toe had gedrongen en hij het aan den dominé had bekend gemaakt. Hij vroeg den baron en zijn zusters vergeving en beloofde ook het geld te zullen teruggeven.
„Wat gij vroeger gedaan hebt, Zeelman", antwoordde de baron, „wil ik u, ook namens mijn zusters, gaarne vergeven, nu gij heden als een eerlijk man flink en royaal jegens ons handelt en ons een grooten dienst bewijst. Ik ben u zelfs dankbaar, dat gij, door ons alles terug te geven, ook een donkere schaduw, die er voor ons op vaders graf lag, hebt weggenomen. Ge hebt een besten advocaat in uw dominé, en als er nog straf noodig is, zullen wij dat maar aan hem overlaten".
Met bewogen stem en tranen in de oogen dankte de smid den baron; en de heeren drukten hem hartelijk de hand, toen hij heen zou gaan. „Het spijt me", zei de baron, „dat ik nog niet even naar den Beukenhof kan gaan; 'k zou dit gaarne de oude tuinmansvrouw vertellen, die heeft er zooveel belang in gesteld; wilt gij dat eens voor mij doen en het haar in stilte zeggen; zij zal er zich over verblijden. Gij zijt immers familie van haar?"
„Ja, mijnheer, zij is de tante van mijn vrouw, en ik zal het haar gaan zeggen .
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's