UIT DE PERS
WAT ER AL ZOO AAN DE VADERS MANKEERT.
De heer M e i m a, directeur van de Kweekschool te Groningen, schrijft in „De Groningsche Kerkbode" het volgende:
Vaders zijn in de eerste plaats veel te zuinig, wanneer je n.l. naar de kinderen luistert. En dat verwijt geldt dan niet alleen de vaders, die met een beperkt inkomen het moeten zien klaar te spelen, maar dat wordt ook nog gezegd van vaders, die veel geld aan de opvoeding van hun kinderen besteden en bovendien zich veel uitgaven getroosten om de kinderen genoegen te doen. Maar zelden gaan de vaders naar het oordeel der kinderen ver genoeg. Later ondervindt menig vader dat ook, wanneer de jongens mee in de zaken gaan. Dan is vader velen ook te zuinig. Zij zouden beter willen doorzetten, de zaken willen uitbreiden, en dan is vader niet zelden de rem, die de groote uitgaven tegenhoudt. In het laatste geval blijken de jongeren wel eens gelijk te hebben, houdt vader er wel eens een verkeerde zuinigheid op na. Aan de jongeren is vaak de toekomst en de zucht naar het behoud van het vroegere houdt heel vaak de ouderen vast. Maar overigens heeft vaders zuinigheid al menig gezin op de been gehouden en zot is wel de man, die te veel aan de praatjes van de kinderen het oor leent. Kinderen, die maar voortdurend hun zin krijgen, worden in den grond bedorven, zijn ook niet meer blij te maken. Wie bovendien maar gedurig over veel geld te beschikken hebben, leeren niet de noodzakelijke zuinigheid, die later zulke gewichtige diensten kan bewijzen. Zonder twijfel zijn er heel wat kinderen te gronde gegaan, omdat ze te gauw over veel geld de beschikking hadden. Vaders zijn ook veel te voorzichtig. Er is al menige klacht gerezen: „We mogen ook niets!" Als anderen al lang mogen zwemmen, vindt vader het nog te koud; als ze allemaal al mogen schaatsenrijden, vindt vader het ijs nog te dun. En dan, wanneer het over rooken gaat! Dan is vader ook weer zoo ijselijk voorzichtig. Dan zouden andere jongens toch ook wel ziek worden! En zoo'n enkele cigaret, wat zou dat schaden! Er is bijna niets te bedenken, waar menig voorzichtig vadertje minder succes mee heeft dan met al zijn maatregelen, om de kinderen voor ongelukken te bewaren. Als we nu maar zoo wijs zijn, dat we ons daardoor niet laten intimideeren. De voorzichtigheid van den vader is de noodzakelijke rem voor de roekeloosheid van de jeugd. Kinderen zien geen gevaar, en de vader verzuimt zijn plicht, wanneer hij niet de wacht houdt. Daarom behoeft hij ze niet als bakerkindertjes te behandelen, ook als ze grooter worden. Hij kan zoo langzamerhand meer vrijheid toestaan, het met meer zelfstandigheid probeeren, maar hij mag aan de onbezonnenheid van de jeugd niet de leiding in het leven overlaten. En bij al de aanmerkingen, die de vrijmoedige jeugd maakt, moet hij tenslotte toch zorgen dat zijn woord wet blijft.
Vaders weten ook niet meer, hoe 't hoort. Dat geldt in menig gezin, wat betreft de kleeding en wat aangaat de vormen en manieren. Misschien is het wel waar, dat vader ook in de kleeding wat ouderwetsch is, zeker is het verstandig, dat hij zijn kinderen niet bindt aan de kleederdracht, waarbij hij is groot geworden, 't Is ook wel mogelijk, dat de kinderen wel eens komen in kringen en in gezinnen, waar andere, misschien netter manieren heerschen. Dan is het ook verstandig, dat vader zich niet met hand en tand er tegen verzet, wanneer de kinderen ook wat van dat betere overnemen. Maar hij mag zich niet door de kinderen in dezen laten overbluffen. Die moeten ook weer leeren verstaan, dat het nog niet altijd minder is, al is het anders. En het is voor de kinderen een oefening in de zoo hoognoodige, ook zoo sierlijke bescheidenheid, wanneer ze de manieren van de ouders, zelfs van de grootouders weten te ontzien. Ik meen wel eens opgemerkt te hebben, dat de meisjes hierin schuldiger staan dan de jongens. Zij schamen zich „dood", om hun overdreven termen nu maar eens over te nemen, wanneer ze het moeten bijwonen, dat vader weer zoo „raar" gekleed is, of zoo „lomp" voor den dag komt. Nog eens, voor zoover het mogelijk en goed is, moet ook vader met de zeden en gewoonten mee leeren doen, maar veel vaster staat het, dat heel wat kinderen moeten leeren, dat in heel dit stuk eenvoud, waarheid en oprechtheid van veel hooger waarde zijn dan de opgeschroefdheid en onoprechtheid, waaraan onze dagen zich schuldig maken. Daarom, vader, neem gerust maar eens wat van de kinderen over, maar doe er dan toch in den regel een klein beetje af.
En eindelijk, vader is ook niet meer bij. Tweemaal naar de kerk op den Zondag, wie doet dat nog! Dat is vroeger zoo ingesteld, maar dat moesten ze nu afschaffen. De natuur moet ook eens genoten worden! En dan is de schouwburg ook heel wat anders dan vroeger. Algemeen hoor je, dat de tooneelspelers heel wat hooger staan dan vroeger, heele nette menschen zijn, nu. En waarom is men toch zoo tegen de bioscoop? Natuurlijk, er zijn verkeerde stukken onder, maar daar hoeft men dan niet heen te gaan. De goede behoeft men daarom toch niet te minachten. En er wordt dan in den regel een lijstje ingeleverd van de menschen, die wel naar schouwburg en bioscoop gaan. Meteen begrijpen ze dan niet, wat vader er toch tegen heeft, dat de fiets op Zondag gebruikt wordt. Ja, vroeger waren er geen fietsen, maar waarom zou men ze nu niet gebruiken. Men is in een ommezien te midden van de natuur.
Hier noem ik nu een paar dingen, waarin ik hoop, dat de vader, die er over aangevallen wordt, geen handbreed zal wijken. Er zijn ook uitingen in den nieuwen tijd, die uitingen van den geest der wereld zijn en die wij moeten tegenstaan. Als de gemeente samenkomt, zijn wij daar met onze kinderen. De ledige tweede diensten in vele kerken getuigen tegen vele leden. Schouwburg en bioscoop behooren in onze kringen contrabande te blijven. En aan de sabbathsrust en de sabbathsheiliging is het uitgaan met de fiets, zonder dat daarvoor eenige noodzakelijkheid bestaat, zeker niet bevorderlijk. In dit opzicht moeten we dan maar achterlijk, niet ,,bij" zijn.
Twee dingen zijn nog altijd van veel belang voor de handhaving van de christelijke grondslagen onzer samenleving: het vaderlijk gezag en de heiliging van den Zondag. En in dit opzicht hebben de vaders, „aan wie dan zooveel mankeert", nog een ernstige taak.
En de moeders? Welnu, die kunnen de vaders vaak heel wat helpen en — ook wel tegenwerken in wat hierboven werd aangegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's