GEESTELIJKE OPBOUW
De Vrijmetselarij (13)
Het blijft interessant te lezen, hoe wonderlijk-geheimzinnig het opnemen van een ,,profaan" (iemand die er tot nog toe buiten stond) bij de Vrijmetselaars toegaat. Wat maken de Vrijmetselaars daar een drukte van! En 't is in den grond van de zaak niets dan poppenkasterij, veel erger dan bij de Roomschen wel pleegt te gebeuren! Want bij de Vrijmetselaars gaat het om de allergewoonste dingen, om saam een clubje of kring te vormen van „broeders", die het zoo echt goed en lief bedoelen — waarbij dan geweldig gewichtig gedaan wordt wanneer een nieuw lid wordt aangenomen, terwijl het niets beteekent.
Een Duitsche arts dr. Albert Lydwig Daiber, heeft daar een boekje over geschreven: Elf Jahre Freimauer, d.i. : Elf jaren Vrijmetselaar. Dat boekje draagt tot motto: „Ik ben een illusie armer en een droeve ervaring rijker geworden".
Uit dat boekje willen we wat meededen.
Eenzaam voelde dr. Daiber zich. Hij had behoefte aan vriendschap, maar was alleen. Zijn studie interesseerde hem, maar naar een vriendenkring verlangde hij telkens, toen een bejaard man, een rustend predikant uit Holland, maar sinds jaren in Duitschland wonend, hem op een voorjaarsavond op de wandeling ontmoette en in het gesprek melding maakte van den kring van Vrijmetselaars ter plaatse. „Het zijn zulke edele menschen! Het is een kring van ideaal-gezinde mannen, die in hun stillen tempel van vriendschap en humaniteit, zich ver houden van het profane leven en arbeiden aan eigen vorming en in breeden kring de weldadigheid beoefenen" (bladz. 13). Dr. Daiber roept dan uit: „dat is het wat ik zoek! Zoudt u mij niet nader van dezen kring van mannen kunnen inlichten?"
De oude heer begint dan vol vuur te spreken van de grondwet der Vrijmetselaren: „doe niet, wat gij niet wilt, dat anderen met u doen", van „de omvorming van ons eigen-ik", om zoo van „de ruwe steenen" te maken „steenen voor het wereldgebouw van broederschap en menschenmin". Waarheid willen we zoeken, de deugd willen we betrachten en zoo willen we een wereldtempel van geluk bouwen".
Dr. Daiber meent dan eerst, dat hij als niet-Vrijmetselaar dat zelfde even goed kan doen, maar z'n oude vriend zegt, dat saambinding en vereeniging in deze juist van zoo groote beteekenis is en dat een „groot gezelschap van edele mannen" meer kan doen dan een eenling.
Dr. Daiber zegt, dat hij het daarmee eens is en begeert nadere kennismaking, waarop de oude heer vriendelijk toezegt hem te willen helpen. De arts moet hem dan maar schriftelijk vragen toegang te mogen krijgen tot de Loge, dan zal hij wel als bemiddelaar optreden en den brief „den Meester van de Loge ter behandeling voorleggen" (bladz. 15).
Even later overvallen den arts allerlei gedachten, vol bedenking. Waarom — zoo vraagt hij zichzelf, moet ik mij aansluiten bij een kring die in het geheim vergadert en werkt en die hermetisch afgesloten is van de menschenwereld? Als ik toch het goede zoek voor mijzelf en anderen, behoef ik toch niet zoo geheimzinnig te doen en in afzondering te vergaderen en te leven? Moet ik dan de vorming van den mensch en het beoefenen van vriendschap en het goede voor anderen te zoeken — beschouwen als een soort misdaad, dat in 't donker moet geschieden? Hij aarzelt. Maar wat zou 't heerlijk zijn, „als ik edele menschen mijne vrienden noemen mocht!" En hij schrijft een briefje aan den ouden heer, die hem dit idee geopperd had.
Lang hoort hij niets. Hij begrijpt niet, waarom hij geen taal of teeken ontvangt na zijn aanvrage, om toegelaten te worden als lid. Maar eindelijk vertelt hem zijn oude vriend, dat er groote moeilijkheden in de Loge waren, want de Meester was failliet verklaard en had van vele van „de broeders" geld weten los te krijgen, zoodat heel de Loge in de war was!
In een gesprek, dat met den arts hierover gevoerd wordt, doet de oude heer moeite hem te bevestigen in zijn voornemen lid te worden. Hij moet zich door deze droeve dingen niet van de wijs laten brengen.
Een gedrukt formulier wordt den arts dan ter hand gesteld, waarop allerlei bizonderheden stonden betreffende zijn a.s. opgenomen worden in de Loge; bizonderheden, die „kleurloos en nietszeggend" waren; (blz. 21) en waarin veel stond, dat een „noviet" niet kon begrijpen.
De ballotage viel voor den arts „hel-lichtend" uit; hoewel een collega van den arts, zooals hem later bleek, nog al wat kwaad van hem gesproken had in den broederkring. „Zoo werd ik, vóór ik den Vrijmetselaars-tempel binnentrad, al vijandig aangevallen", schrijft dr. Daiber (blz. 22). Een voorsmaak van de z.g.n. „broederschap".
Vóór mijn opname zou plaats hebben, moest ik een groote som betalen als „entree" en mij verbinden tot een belangrijke jaarlijksche contributie, welke contributie ik ook in haar geheel moest betalen voor het jaar, dat bijna verstreken was. Toen dat geschied was, zou ik onder geleide van mijn ouden vriend, die mij voorgedragen had, geleid worden om mijn intree te doen in het oord, waar ik „het licht van een nieuwe wereld" zou aanschouwen!
In de bibliotheekkamer trof ik een tweeden kandidaat, een „licht-zoekende", gelijk ik zelf was. Mijn oude vriend verliet mij hier en gaf mij over aan eenige heeren, die ons op vriendelijke manier „spijs en drank" aanboden en ons moed inspraken bij de dingen, die stonden te gebeuren. Een joviale heer, die het uiterlijk van een „bonvivant" had, klopte mij op den schouder en verzekerde mij, dat wij slechts eenige „symbolische reizen" zouden moeten makten, waarna alles in orde kwam.
Wat wij aan waarde bij ons hadden, moesten we overgeven. Mijn beurs — een erfstuk van mijn Vader — met eenig geld, mijn horloge met ketting en mijn gouden bril moest ik aan mijn geleider overreiken, die mij de verzekering gaf: „Gij krijgt alles weer terug".
Met een blauw zijden doek — „alles symbolisch" — werd ik geblinddoekt en nu begon de wandeling. Rechts en links werd ik geleid, trap op en trap af; ik wist niet meer, waar ik was, ook niet hoe lang dat geduurd had.
„Wanneer ik klop, maakt u den doek van voor uw oogen los", zei mijn leidsman, toen we eindelijk stilstonden. Men liet mij alleen en spoedig daarna klonken drie rythmische slagen, ongeveer zóó, als wanneer men heftig tegen een deur slaat. Ik verwijderde den blinddoek en zag dat ik alleen was. Maar waar ik was, wist ik niet. Ik was in een kleine, zwart-aangekleede kamer; „de kamer van het stille nadenken", zwak verlicht door een brandende kaars, die op een zwart bekleed hoektafeltje stond. Op dat tafeltje stond verder een zandlooper, een karaf met water en glas, schrijfgereedschap en een kaart met vragen, waarop „de nieuweling" antwoord moest geven. In een anderen hoek van deze merkwaardige kamer stond een goed onderhouden menschelijk geraamte, waarvan de eene arm, als ter begroeting, uitgestrekt was. Onder gewone omstandigheden had dat geraamte dadelijk mijn volle aandacht getrokken, maar nu moest ik eerst een slok water nemen, want de tong kleefde mij aan 't gehemelte van al dat loopen en draven in 't duister, trap op, trap af.
Tot mijzelf zei ik al spoedig: „dat kan nog mooi worden, als 't zoo door gaat; maar wie men met dit „hocus-pocus" kan imponeeren, mij niet!" Maar ik had „a" gezegd, ik zou nu ook „b" moeten zeggen, (bladz. 25).
Plotseling klonken drie harde slagen op de deur, zoodat ik verschrikt van mijn stoel opsprong. Mijn begeleider trad, in Vrijmetselaarskleeding nu, te voorschijn. Hij droeg een schootsvel met blauw koord om de lendenen vastgemaakt en op zijn borst bengelden allerlei sieradiën. Onder gewone omstandigheden zou ik bij het zien van den ouden man in zulk een zonderlinge kleeding in lachen zijn uitgebarsten, want het kwam mij zoo potsierlijk voor, dat mijn oude vriend zich zoo had uitgedost. Maar ik was in zekeren zin onder hypnose, onder autosuggestie. „U moet weten" — zoo sprak mijn geleider — „dat wij ons bij onzen arbeid aankleeden op een manier, dat alles symbolisch tot ons spreekt. Alles heeft bij ons zin, alles heeft ethische beteekenis, alles is symboliek, tot in de kleinste bizonderheden".
Ik zweeg maar, want ik begreep er niets van, zóó bespottelijk vond ik het.
„U moet deze vragen beantwoorden", vervolgde mijn oude vriend, die blijkbaar aan mij zag, dat ik niet in alles belangstellend was. „Wees maar moedig en opgewekt. Ik ga nu heen en spoedig komt een ander, die u binnen zal brengen".
Ik schreef, wat mij 't eerst in de gedachte kwam, als antwoord op de vragen aan den „leerling"-Vrijmetselaar gesteld, en nauwelijks was ik daarmee gereed of met hoogst onaangenaam gestommel kwam mijn geleider, die mij eenige vragen stelde en het papier van mij vroeg, waarop ik mijn gevoelen neergeschreven had! Kort daarop kwam mijn oude vriend, die mij weer een blinddoek voordeed en mij geleidde op onze geheimzinnige wandeling door het gebouw. Naar mijn gevoel gingen we steeds de hoogte in. „Pas u op; nu tien treden; nu recht uit; nu weer acht treden" — zóó ging het maar voort. Naar mijn gevoel gingen we toen weer even veel naar beneden, als we eerst naar boven waren gegaan, 't Leek mij een gefantaseerden doolweg en eindelijk waren we waar we wezen moesten. Een deur werd open gedaan en men liet mij zitten. Daarbij stootte ik toen — ik kon niet zien — tegen een ander menschelijik lichaam. Dat was de andere „lichtzoeker", die, evenals ik, maar blijkbaar iets vroeger, van boven naar beneden gebracht was.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's