De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

De Vrijmetselarij (14)
Wirwar van stemmen, en daartusschen doffe hamerslagen, kwamen vanuit de verte tot mij. Daardoor begreep ik, dat we nog niet in de eigenlijke Loge waren, maar er toch dichtbij waren gekomen nu.
De weg naar de waarheid, de weg naar het licht, schijnt hier zeer diep, onder de aarde te liggen! De lucht kwam mij daarbij benauwd en modderig-riekend voor! Nauwelijks had ik mijn gedachten bij elkaar, toen onze geleider met gebalde vuist op een deur sloeg. Een oogenblik bleef het stil; Toen hoorde ik, weer van verre, wirwar van stemmen en doffe hamerslagen. 't Begon mij te vervelen. Daar naderde een stap. Weer werd op de deur geslagen, alsof een doode tot het leven moest worden teruggeroepen, zóó hard. Dan ging de deur knarsend open en naar den stap te oordeelen — ik had den blinddoek nog voor — kwam een man binnen, die met barsche stem vroeg: „Wie heeft hier zoo geklopt ? "
„Hier zijn twee „lichtzoekenden", die in den Bond van Vrijmetselaren wenschen te worden opgenomen", was het antwoord.
De deur werd weer dicht geworpen en de vrager verwijderde zich. Ik zat daar als op 't zondaarsbankje, met een gevoel, dat ik naar het veemgericht zou gebracht worden, waar mijn hoofd zou worden afgeslagen. Eigenlijk vond ik alles zoo dwaas en zoo belachelijk, dat ik bijna in lachen was uitbarsten, opgestaan en heengegaan!
Weer hoorde ik hamerslagen, stemmen van verre, deur open gaan, heen en weer praten — en eindelijk ging het voorwaarts, het heiligdom binnen! Voorzichtig, voetje voor voetje, betraden we de heilige plaats.
Twee treden naar beneden", fluisterde een der begeleiders. Nog eenige treden voorwaarts nu — en ik stond alleen, want die mij begeleidden lieten plotseling mijn arm los. Een oogenblik was het stil, dan klonk vlak bij plotseling een stem, die aan mijn oor vroeg: „Dokter Ludwig, wat zoekt u hier?" Na kort beraad antwoordde ik: ,,Gezelschap van menschen en vriendschap". Op dezelfde manier werd ook mijn medegenoot een vraag gesteld. Dan werden wij weer teruggebracht. De volgende plechtigheden die betrekking hadden op de drie elementen: aarde, vuur en water, waarvan een stem verklaring gaf. Dat was de eerste fatsoenlijke zin, die te midden van al den onzin gesproken werd. Altijd drukte mij de blinddoek nog voor de oogen, die mij pijn begonnen te doen. Ik werd daardoor nog in donker rondgeleid, wat, zoo verklaarde men mij, 't symbool was van den niet-ingewijde, die in de duisternis rondwandelt en onbekend is met het ware licht. 
Eindelijk werd de blinddoek mij van de oogen gedaan; muziek, op een verborgen plaats opgesteld, zette in; ik zag mij omringd van een kring van mannen, die als een keten mij omvingen, allen gekleed zooals mijn oude vriend, die mij geïntroduceerd had.
Door het felle licht van vele gasvlammen kon ik mijn oogen, die zoo lang geblindoekt waren geweest, niet openhouden. Ik moest ze sluiten — en zoo was ik lid van de Loge geworden!
De tempel was een langwerpige vierhoek, van 't Westen naar 't Oosten liggend, zonder venster. In 't Oosten zat de Meester op een verhoogd podium bij het z.g.n. altaar. Naast hem, rechts en links, hadden de opzieners der Loge hun plaats, terwijl langs de wanden de leden zaten. Een eind van den Meester af, aan de Westzijde van het vertrek, vlak bij den ingang, zaten de beide leden, die ons aan de Loge hadden voorgedragen. Twee transparanten aan den wand in het Oosten stelden de maan en de sterren voor, terwijl het blauw geverfde plafond ook met sterren bedekt was. Voor de muziek was op den achtergrond verborgen een podium ingericht, zoo dat men de muzikanten wel hooren, maar niet zien kon. Deze muzikale broeders hadden de slechtste plaats: bij merkbaar gebrek aan lucht kwam een nog meer merkbare hitte. Hygiënische maatregelen, verstandige ventilatie enz., schenen den bouwer van dezen onderaardschen tempel der humaniteit onbekend geweest te zijn. Hier uren door te brengen, is een heele prestatie. Ik kreeg het ten minste spoedig te kwaad, 't klamme zweet bedekte mijn voorhoofd en maar half waren mijn gedachten bij de verdere ceremoniën en bij de verklaring der symbolische handelingen. Met stille vreugde begroette ik eindelijk het slot van de langdurige plechtigheid en het vooruitzicht op een spoedigen warmen maaltijd wekte mij weer wat op.
Wij gingen nu naar boven, naar de eetzaal, voor een „eenvoudig broedermaal". De mooie, hel verlichte zaal was op aanlokkelijke wijze versierd. De in hoefijzervorm opgestelde tafel was rijkelijk gedekt, de flesschen en glazen stonden als soldaten in rij en gelid op een band over het tafelkleed uitgespannen. Een geweldige concertvleugel bevond zich midden in de zaal en dat alles stond mij beter aan, in het licht van de winterzon, dan wat ik tot nog toe diep onder in den kelder, in den eigenlijken tempel, gezien had. Alleen leek alles meer op een groot, rijk diner dan op het aangekondigde „eenvoudige broedermaal".
Mijn bril weer op mijn neus en zoo eindelijk weer normaal ziende geworden, liet ik mijn oogen over het gezelschap gaan. Velen der broeders kende ik heelemaal niet, ofschoon ik enkelen wel in het gewone leven ontmoet had. Velen stonden mij wel aan, terwijl anderen daarentegen, mij reeds door hun uiterlijk tegenstonden. Hier en daar dook een bekende op, die ik overal elders, behalve in de Loge, zou gezocht hebben, menschen, zóó koud, nuchter, gierig en egoïstisch, zonder eenig spoor van idealen zin, laat staan dan een streven naar zelfkennis, dat ik mij verbaasd afvroeg, waarom deze menschen tot een Vereeniging behoorden, die de zelfveredeling als hoofddoel in hun vaan hadden geschreven. Hierin lag een kennelijke tegenspraak tusschen theorie en praktijk, die mij niet aanstond. „Zou", zoo vroeg ik mijzelf af, ,,ook in de Loge, evenals in de wereld daarbuiten, het geld en het uitwendig bezit hoofdzaak en al het andere bijzaak zijn? Zou het voor speculanten hier een plaats zijn om hun doel te kunnen bereiken? Zijn de leden misschien de schapen, die door deze sluwe menschen geschoren worden?" Zoo waren reeds, op den eersten dag van mijn vrijmetselaars-leven, mijn gedachten droevig. Ik biechtte ze mijn ouden vriend. „Schurftige schapen zijn er overal", antwoordde hij „ofschoon gij 't echter hier te donker inziet en te scherp oordeelt". 
Het was nu tijd om aan tafel te gaan en voor mij was heden de eereplaats bij den Meester, hoewel anders de leerlingen bescheiden aan 't benedeneind der tafel, aan 't eind der rij, zitten. De maaltijd begon. De in 't begin koele stemming werd spoedig geanimeerder. Redevoeringen werden gehouden, toasten uitgebracht en daartusschen door werd er op den vleugel gespeeld, met instrumentale begeleiding. Ook mij werd 't weder beter en warmer om 't hart, hoewel ik weer een rilling over mijn lijf kreeg, toen ze allemaal saam begonnen te zingen: „wij, de besten op deez' aard, zijn als broeders saam vergaard" enz. „Een aanmatiging van de ergste soort" — bromde ik bij mij zelf. Tot nu toe was ik van meening, dat de ware zelfkennis tot bescheidenheid bracht, en niet tot trotsche zelfverheffing.
Eerst laat op den avond eindigde deze merkwaardige dag voor mij. Op den terugweg naar huis vertelde mijn oude vriend mij, dat hij door de speculaties van den vroegeren Meester een groot deel van zijn vermogen had verloren, maar dat hij desniettemin in zijn gevoelens aangaande de Vrijmetselarij tot nog toe niet veranderd was. „Tot nog toe" — deze uitdrukking viel mij op, alsook de moede, bijna treurige manier waarop hij deze mededeeling deed.
Ik had oneindig veel medelijden met den ouden man. En het verwonderde mij, nu veel mij opgelost was, dat hij niet in bittere opmerkingen z'n hart lucht gaf.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's