STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De Troonrede.
Dinsdag j.l. heeft H.M. de Koningin de nieuwe zitting der Staten Generaal met de volgende rede geopend:
Leden van de Staten-Generaal!
De plechtigheid van dit oogenblik heeft voor Mij eene meer dan gewone beteekenis. Mijn beminde Dochter aan Mijn zijde te zien bij het openen van Uwe vergadering, vervult Mijn hart met dankbaarheid jegens God, die Haar leven gespaard en Haar jeugd in zoo vele opzichten gezegend heeft. Met erkentelijkheid gedenk Ik de wijze, waarop ons volk heeft meegeleefd bij Haar intrede in het openbare leven.
De algemeene toestand van het land geeft in menig opzicht reden tot voldoening. Dank zij voortschrijdende verbetering in de wijze van bedrijfsuitoefening en ontginning, neemt het voortbrengingsvermogen van land-en tuinbouw toe. Weinig loonende prijzen, bemoeilijking van den afzet in den vreemde en min gunstige weersgesteldheid leiden nochtans voor sommige takken van het bedrijf tot niet zeer bevredigende uitkomsten.
Door handel en nijverheid worden, ondanks verschillende moedgevende verschijnselen, nog steeds groote moeilijkheden ondervonden, niet het minst door de kunstmatige belemmeringen die aan het internationaal ruilverkeer worden in den weg gelegd.
De financiëele toestand blijft zorgeischend, in de voornaamste plaats omdat de zware lasten, op de bevolking gelegd, de herleving der welvaart en de verruiming der werkgelegenheid vertragen.
Met deelneming gedenk Ik de slachtoffers van de ramp, die eenige maanden geleden opnieuw het oostelijk deel van ons land teisterde. De spoedige en milde hulp, die ook nu van vele zijden verleend werd, was Mij een oorzaak van vreugde.
Onze betrekkingen tot de andere Mogendheden bleven van den meest vriendschappelijken aard.
Ik vertrouw, dat het mogelijk zal zijn met den buurstaat België in een geest van onderlinge samenwerking een regeling te vinden in een voor beide landen aannemelijken zin van de vraagstukken, die door de verwerping van het verdrag van 3 April 1925 aan de orde zijn gebleven. Het samenstel dier vraagstukken is thans nog het voorwerp van een nader onderzoek hier te lande.
In de organen van den Volkenbond, in welks Raad ons land geroepen werd zitting te nemen, dragen de Nederlandsche vertegenwoordigers naar hun vermogen bij tot de ontwikkeling van de organisatie der volkerengemeenschap.
Van de resultaten der door den Volkenbond bijeengeroepen Economische Conferentie, heb Ik met voldoening kennis genomen; het verheugt Mij vast te stellen, dat de aldaar aangegeven richtlijnen der economische politiek overeenkomen met die welke door Nederland worden gevolgd.
Naast de reeds aanhangige wetsontwerpen zullen eenige andere aan Uw oordeel worden onderworpen.
Daartoe behooren ontwerpen tot wijziging van het strafstelsel, o.m. beoogende nadere voorzieningen betreffende de voorwaardelijke veroordeeling, invoering van de jeugdgevangenis, en krachtiger bestrijding van de beroeps-en gewoontemisdadigheid; een ontwerp strekkende tot wijziging der bepalingen omtrent de ouderlijke macht en de voogdij; en een ontwerp houdende bepalingen betreffende den rechtstoestand der ambtenaren.
Een voorstel om de uitoefening van het kiesrecht te vergemakkelijken voor hen, wier beroep hen noopt ten tijde van de stemming buitenslands te vertoeven, zal U spoedig bereiken.
Aanhangig zullen worden gemaakt eene technische herziening van de Armenwet, en eene wijziging van de Gemeentewet, beoogende de samenwerking van naburige gemeenten te bevorderen.
Een ontwerp tot vervroeging van den datum waarop het zevende leerplichtjaar in Werking zal treden, zal spoedig worden ingediend.
Een wetsontwerp tot verlaging der inkomstenbelasting zal U worden aangeboden evenals een technische wijziging van de vermogensbelasting en één der verdedigngsbelastingen, in hoofdzaak bedoelende aan ongegronde verschilpunten tusschen de bepalingen van die beide heffingen een einde te maken.
In aansluiting aan de in het achterliggende jaar tot stand gekomen Comptabilieitswet, zal eerlang het ontwerp van een bedrijvenwet bij U worden ingediend.
De voorbereiding van de herziening der financiëele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten, waaromtrent Mij kort geleden het rapport der betreffende Staatscommissie heeft bereikt, is door de Regeering ter hand genomen.
Eene aanvulling van de wetgeving wordt voorbereid ten einde onder alle omstandigheden de mogelijkheid van het afsluiten van handelsverdragen te behouden en hierdoor het vrije ruilverkeer te bevorderen.
Binnenkort zal aan Uw oordeel worden onderworpen het ontwerp eener Wegenwet.
De indiening van een ontwerp-Electriciteitswet kan worden tegemoet gezien.
Voorstellen tot herziening van de Veiligheidswet en de Invaliditeitswet zijn in voorbereiding. De ten vorigen jare reeds aangekondigde herziening van de Ziektewet, welke aan de invoering van deze wet moet voorafgaan, zal Uwe vergadering spoedig bereiken.
Op Java en op de Westkust van Sumatra zijn betreurenswaardige onlusten voorgevallen, welke, dank zij het doortastend optreden van bestuur, politie en leger, spoedig werden bedwongen. Aan het eigen Indische volksleven zijn deze onlusten vreemd. Maatregelen zijn genomen om ook in de toekomst de bevolking tegen aanslagen op haar welvaart en veiligheid te beschermen. Daarnaast wordt, zooveel de geldelijke omstandigheden toelaten, de cultureele en welvaartspolitiek in Nederlandsch-Indië met kracht voortgezet.
Met belangstelling wordt uitgezien naar de vruchten welke de kortgeleden voor Suriname aanvaarde maatregelen ten bate van dat overzeesche gebiedsdeel zullen afwerpen.
De economische toestand van Curacao blijft gunstig.
Met den wensch dat Gods milde zegen op Uwen arbeid moge rusten, verklaar Ik de gewone zitting der Staten-Generaal geopend.
*
Treffend was de aanhef van de Troonrede, toen de Koningin uiting gaf aan hare blijdschap dat Zij voor de eerste maal Prinses Juliana in aanraking mocht brengen met de Volksvertegenwoordiging, waarmede hare intrede in het openbare leven werd bevestigd. Dat de Koningin dit mocht doen met dankbaarheid jegens God, is uit den mond van de Koninklijke Moeder zeker door menigeen met groote instemming vernomen.
Treffend was ook het moment, toen met deelneming gewaagd werd van de ramp, die eenige maanden geleden het oostelijk deel van ons land teisterde en daarbij van vreugde werd gesproken over de milde hulp, die spontaan van vele zijden werd verleend.
Maar niet minder indruk maakte ook het woord van de Koningin, toen Zij beschermend de hand uitstrekte over Java en de Westkust van Sumatra en de bevolking daar vrijpleitte van revolutionaire gezindheid.
Met betrekking tot een tweetal punten doet de Troonrede een niet onbelangrijke mededeeling.
In de eerste plaats vermeldt zij dat een tractaat met België opnieuw aan de orde zal worden gesteld, en in de tweede plaats kondigt zij aan, dat het ontwerp tot vervroeging van den datum, waarop het zevende leerplichtjaar in werking zal treden, spoedig zal worden ingediend.
Omtrent de handelspolitiek, die de Regeering zal volgen en waarover in de Economische Conferentie, dezen zomer in Genève gehouden, zooveel is gezegd geworden, wordt in de Troonrede weinig licht ontstoken. Over de richtlijnen, die voor de economische politiek zullen worden gevolgd, zwijgt de rede voorzichtelijk.
Overigens biedt de Troonrede allerlei beloften, waarvan men nu reeds kan zeggen, dat de vervulling van de meeste moeilijk meer in de komende twee jaren van het Kabinet te wachten is.
Verschillende dezer beloften zijn intusschen vaag gesteld, wat van een intermezzo-Kabinet niet anders te verwachten was.
Van principiëele zaken wordt in de Troonrede geen gewag gemaakt; wel schijnt 't ons toe, dat bijzonder de wetsontwerpen, welke worden aangekondigd tot wijziging van het strafstelsel, niet altijd zullen zijn van antirevolutionaire gading.
Laten wij dit korte overzicht van de Troonrede ook met de bede mogen besluiten, dat God de Heere aan Regeering en Volksvertegenwoordiging wijsheid en kracht schenke om tot zegen van land en volk werkzaam te zijn.
De invoering van het zevende leerjaar.
(Slot).
De heer de Waal Malefijt, die, zooals wij de vorige week zagen, de principiëele en technische bezwaren tegen de voorgenomen wederinvoering van leerplicht voor het zevende leerjaar hoogst belangrijk acht, is verder van oordeel, dat ook de plannen der Regeering zeer ernstige bedenking ondervinden met het oog op de gevolgen, welke zij zullen hebben voor de geldmiddelen der gemeenten.
In de eerste plaats wijst hij op de kosten, verbonden aan den bouw van schoollokaliteiten om het zevende leerjaar onder te brengen. Uit de mededeelingen, welke nog onlangs de Regeering op dit punt verstrekte, bleek, dat er op 15 October 1926 van de 6701 scholen van gewoon lager onderwijs er 1783 waren, zonder zevende leerjaar.
Onder deze laatste soholen zijn er natuurlijk een aantal, die reeds voor het zevende leerjaar ruimte genoeg bieden, zoodat daar niet behoeft bijgebouwd te worden. Maar de Minister van Onderwijs berekent ook, dat er niet minder dan 565 scholen zijn, die, wanneer alle kinderen die in de termen vallen het zevende leerjaar te gaan volgen, ruimte te kort komen.
Wat de vermeerdering van localiteit van deze 565 scholen aan de desbetreffende gemeenten zal kosten, wordt door denzelfden Minister ruw becijferd op een uitgave aan rente en aflossing van ƒ 300.000.— 's jaars, wanneer bij het sluiten van leeningen op een termijn van 30 jaar wordt gerekend.
Terecht vestigt de heer de Waal Malefijt er de aandacht op, dat, als de Minister van Onderwijs inlichtingen verschaft over de geldelijke gevolgen van zijn plannen voor de gemeentekassen en er van gewaagt, dat het jaarlijksche bedrag van ƒ 300.000.— over eenige honderden gemeenten zal worden verdeeld, het onvoldoende is dat de splitsing der 565 scholen provinciesgewijze in een totaalcijfer plaats heeft. Hoe de toestand in de verschillende gemeenten zal zijn, wordt niet gezegd.
Dit is heel jammer, zegt de schrijver van het artikel in „Antirevolutionaire Staatkunde" en vervolgt dan:
Want niet alleen is controle op de verstrekte cijfers daardoor absoluut uitgesloten, maar wij weten ook niet, welke gemeenten veel, welke weinig en welke in 't geheel geen lokalen moeten bijbouwen. En dat is toch van zeer groot belang. Immers het zou volstrekt geen verwondering behoeven te baren, wanneer bleek, dat gemeenten met een weinig kapitaalkrachtige bevolking, en die daardoor tot de uiterste zuinigheid verplicht zijn, geen of weinig scholen hadden met een zevende leerjaar en dus veel zullen moeten bijbouwen, terwijl rijkere gemeenten, die wat royaler konden zijn, nu reeds aan alle scholen een zevende leerjaar of lokaliteit daarvoor bezaten. Gevolg zou dan al weer zijn, zooals in den laatsten tijd meer en meer te doen gebruikelijk is, dat arme gemeenten het zwaarst worden getroffen, terwijl de rijkere gemeenten vrijwel onbelast blijven.
De oud-burgemeester van Katwijk, van wien bekend is, dat hij expert is op het gebied van gemeentezaken, acht ook een termijn van aflossing van 30 jaar voor een schoolbouw-geldleening veel te lang; 20 jaar is wel de uiterste termijn, waarbinnen een leening voor schoolbouw behoort te zijn afgelost, en wanneer dan die uiterste termijn op het totaal der volgens den Minister benoodigde leeningen wordt toegepast komt men al vast in plaats van ƒ 300.000.— tot een bedrag van ƒ 307.500.— per jaar, dat voor rente en aflossing zal benoodigd zijn en dat gerust als het uiterst minimum kan worden beschouwd.
Naast de kosten, verbonden aan het bijbouwen van localiteiten aan de bestaande scholen, komt in de tweede plaats de meerdere uitgaaf voor exploitatiekosten.
Hoe groot het totaal dezer kosten, ten behoeve der 75000 kinderen zal zijn, die, naar berekend is geworden, alsnog niet het zevende leerjaar volgen, daarover laat de heer de Waal Malefijt ook zijn gedaohten gaan. Hij zegt daarvan:
De kosten per kind in de verschillende gemeenten loopen ver uiteen. Zoover mij bekend is bestaat daaromtrent ook geen volledige statistiek. In de „Mededeelingen van den Schoolraad" wordt echter van tijd tot tijd een lijst gepubliceerd, die daaromtrent eenige aanwijzing geeft. Uit de opgave, die voorkomt in no. 80 van dat orgaan, blijkt, dat over 1924 van 36 gemeenten er 12 waren die minder dan ƒ 12.— per kind en per jaar voor exploitatiekosten uitgaven, terwijl er 25 boven dat bedrag uit gingen. Als laagste bedrag wordt aangegeven ƒ 7.15, als hoogste ƒ 32.15. (Dit bedrag wordt opgegeven voor de gemeente Sassenheim Blijkbaar was dit door bijzondere omstandigheden zoo hoog, want voor 1923 staat een bedrag van ƒ 21.81 vermeld). Aan de hand van deze gegevens en in verband met hetgeen van tijd tot tijd omtrent de exploitatiekosten in de verschillende gemeenten bekend werd, is een gemiddeld bedrag van ƒ 12.50 zeker niet te hoog te noemen en beslist aan den lagen kant.
Voor 75000 kinderen geeft dit een totaal van 75000 X ƒ 12.50 = ƒ 937.500.—, dat de gemeenten meer aan exploitatiekosten zullen hebben te betalen dan tot dusver.
Natuurlijk gaat van dit bedrag iets af, n.l. wat aan schoolgeld voor deze 75000 kinderen meer zal worden betaald. Dit schoolgeld zal, blijkens de ervaring leert, wel heel weinig te beteekenen hebben. Neemt men als schoolgeld één tiende van de exploitatiekosten, dan zal het bedrag van ƒ 937.500.— met ƒ 93.750.— kunnen worden verminderd en per saldo ƒ 843.750 beloopen. In plaats van de ƒ 300.000.—, door den Minister van Onderwijs aangenomen, zullen dus de kosten, die de zevenjarige leerplicht met zich brengen, bij zeer matige berekening van de gemeenten vorderen een bedrag van ƒ 367.500.— + ƒ 843.750.— = ƒ 1211.250.—.
Deze cijfers toonen, naar de meening van den heer de Waal Malefijt, — en wij gelooven, dat hij gelijk heeft — dat er allerminst reden bestaat om met een breed gebaar en met een paar klinkende phrasen zich van de vraag: welke gevolgen de invoering van den leerplicht voor het zevende leerjaar voor de gemeenten zal hebben, af te maken. De hoogere uitgave, welke bijzonder de onder zware lasten zuchtende gemeente zich zal hebben te getroosten, kan de druppel zijn, die den boordevollen belastingbeker doet overloopen.
De Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw verklaarde ten vorigen jare in de Tweede Kamer, dat er reeds toen in meer dan 43 gemeenten faillissement dreigde. De conclusie, waartoe dan ook de heer de Waal Malefijt aan het eind van zijn belangrijk artikel komt: »0p grond van het boven uiteengezette komt het mij voor, dat er alle reden is, om aan het plan tot vervroegde wederinwerkingtreding der 7-jarige leerverpliohting geen uitvoering te geven«, onderschrijven wij, zoowel op principiëele, technische, alsook op financiëele gronden in haar geheel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's