KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Diaken als Kerkeraadslid.
Op de Centrale Gereformeerde Diaconale Conferentie heeft ds. J.W. v. d. Bosch, Geref. predikant te Harderwijk een referaat gehouden over: „Welke is de verhouding, waarin volgens het Gereformeerde Kerkrecht, de diaconie tegenover den Kerkeraad behoort te staan?"
Wij hebben zelf enkele jaren geleden, het was naar aanleiding van besprekingen in de Kerkeraadsvergadering der Ned. Herv. Gemeente te Rotterdam, ook over dit onderwerp geschreven, belangende de plaats door diakenen in den Kerkeraad in het bestuur der gemeente, in te nemen.
Wij herinneren ons, dat er toen waren, die meenden, dat wij aan de diakenen tekort wilden doen! Natuunlijk was dat volstrekt niet het geval. Wij bedoelden alleen in het licht te stellen, wat, naar onze meening, volgens Schrift en belijdenis, naar Geref. Kerkrecht, de eenig ware plaats is, waarop de diaken te staan heeft. Het verheugt ons, dat ds. v.d. Bosch van Harderwijk op de Centrale Conferentie van diakenen der Geref. Kerken precies hetzelfde — n.l. wat de eigenlijke kwestie aangaat, — gezegd heeft, als wij vroeger in ons blad voordroegen als gereformeerd beginsel. Wij laten hier volgen het verslag van bovenbedoeld referaat:
Deze vraag is, zeide spr., volstrekt geen nieuwe vraag. Reeds in 1574 kwam zij aan de orde, n.l. op de Synode van Dordnecht. En sinds is ze telkens weer behandeld geworden. Vooral sinds de tachtiger jaren van de vorige eeuw, en dan met name in de Gereformeerde kerken. Daarvan zijn vele bewijzen. Geschiedde het vroeger meer uit een besef van vermeende inkorting der diaconale rechten, thans „sine via et studio" om louter kerkrechtelijke onderrichting te ontvangen. Het rapport „inzake onderlinge steunregeling der kerken ten opzichte van hare diaconale armenzorg" bij de Genenale Synode der Gereformeerde kerken te Groningen 1927 ingediend en aldaar met groote instemming ontvangen en door haar aan de kerken aanbevolen en aan de centrale diaconale conferentie te Utrecht 1927 medegedeeld, strekt hiervan ten bewijze. Vooral, wanneer we daartegenover stellen, wat de Generale Synode van Groningen in 1899 eens aan de diaconieën der Gereformeerde kerken moest voorhouden.
Wat nu de kwestie zelf aangaat: het ambt der diakenen moet, waar het in zijn practische toepassing met velerlei in aanraking komt, zijn verhouding bepalen niet alleen tegenover de „arme" geloovigen, de particuliere weldadigheid en de overheid, maar ook tegenover de andere ambten in het midden der kerk. Men verkeerde daarover in onzekerheid, door een schijnbare tegenstrijdigheid tusschen artikel 30 van de Nederlandsche Confessie en arrtikel 37 van de Kerkenordening der Gereformeerde kerken in Nederland. Bij meer dan oppervlakkige lezing blijkt evenwel, dat art. 30 confessie volstrekt niet bedoelt, de diakenen krachtens hun ambt bij den regeerenden kerkeraad te nemen. En staat toch niet, dat zij met herders en opzieners tezamen den kerkeraad uitmaken of de kerkeraad zijn, maar dat zij zijn „comme Ie senat de l'Eglise' of „quasi senatus Ecclesise". Alleen wordt dus uitgesproken, geheel in het algemeen, wie in de kerk „ex officio" iets te doen hebben en wat die dienaren te doen hebben, zonder dat de bedoeling is, formeel te regelen, wie nu het een en wie het ander voor zijn rekening heeft. Dit laatste is juist nader bepaald en omschreven in de Kerkenordening. Dit brengt de nadere ontwikkeling van wat in de confessie onbepaald is gezegd.
De geschiedenis bewijst, dat dit inderdaad de juiste opvatting is. Zij toch, die aan de Confessie hebben medegewerkt, hebben de redactie van de kerkenordening, zooals wij die thans kennen, in orde gebracht. Een inzage van de besluiten van verschillende synodes bevestigt dit. In 't voorbijgaan kan ook hier gewezen worden op de twee lijnen, waarlangs het Gereformeerd diakenwerk zich heeft ontwikkeld, n.l. de lijn der Fransche ontwikkeling en die van a Lasco, welker convergeering in het diaconaat der Nederl. Gereformeerde kerken o.a. te zien is.
En als we dan letten op het kerkelijk recht, waaronder de Gereformeerde kerken in Nederland leven, dan blijkt, dat geen onzeker antwoord gegeven wordt op de vraag, hoe de diakenen zich hebben te verhouden tegenover den kerkeraad. De kerkeraad is als de vergadering der opzieners het eenige wettige bestuur voor de kerkregeering. In kleine gemeenten worden de diakenen dan wel steeds mede tot den kerkeraad genomen, in den zin van hulp-ouderlingen, doch wanneer dit geschiedt, heeft dat niet plaats volgens de goddelijke, schriituurlijke organisatie, welke voor het diakenambt naar Handelingen 6 geldt, doch alleen volgens „kerkelijke" regeling, om verkeerde besluiten en oligarchie te voorkomen, welke allicht zouden ontstaan, zoo te weinig opzieners de regeering der kerk in handen hadden. Echter is bij zulk een situatie het overwicht in de beslissing aan dat ambt, waartoe de te behandelen zaken behooren. En in groote gemeenten, waar art. 37 en art 40 kerkenordening onverkort worden uitgevoerd, is toch steeds de gewoonte geweest om den kerkeraad te doen bestaan uit een wisselend aantal leden. Voor de zaken van het geestelijk regiment bestond de kerkeraad dan alleen uit dienaren des Woords en ouderlingen, den z.g.n. gewonen of smallen kerkeraad, terwijl men voor de algemeene aangelegenheden der kerk steeds de diakenen, die anders afzonderlijk vergaderden, bij den gewonen kerkeraad nam. Men sprak dan van „kerkeraad met diakenen". (W. art. 83 K.O., Utrecht). In vroegere eeuwen heeft men in ons land aanvankelijk de diakenen bij den kerkeraad laten komen, alleen voor beroepingen. Doch langzamerhand is dit uitgebreid tot zaken, waarbij de dienst der barmhartigheid in zijn algemeene regelingen, plannen en rekeningen betrokken was, waarvan dan de uitvoering evenwel met latere verantwoording aan den z.g.n. breeden kerkeraad volgens art. 25 K.O. den diakenen zelven werd overgelaten, die in hunne bijzondere vergaderingen naar art. 40 K.O. daarover overleg pleegden. Eveneens werden de diakenen tot den kerkeraad getrokken voor aangelegenheden, die de algemeene kerkelijke en financiëele belangen der kerk rechtstreeks raken. Indien de diakenen echter ook aldus tot het regeerwerk van den kerkeraad (met diakenen) werden toegelaten, doen zij dit wederom niet krachtens hun diakenambt, maar „volgens kerkelijke regeling". Voetius houdt dit voor een toepassing van den stelregel in Spreuken 15 vers 22, n.l. dat door de veelheid der raadslieden het doel te beter bereikt wordt, in casu: een kerkregeering, die vrij is van hiërarchischen zin en van miskenning der rechten van het „populus ecclesiasticus". Koelman was het met deze regelingen, waarbij het diakenambt naar zijn gedachten uit zijn eigenlijke roeping werd gehaald en mede in de regeering van den kerkeraad getrokken werd, hetzij in kleinere of grootere gemeenten, wel niet eens. Hij achtte dit alles als ingaande tegen de goddelijke ordinantiën voor de ambten en noemde het dan ook „menschelijke of vleeschelijke voorzichtigheid en waanwijsheid, die onze kerken bederven", maar onze kerken zelve hebben, mede door Voetius voorgelicht, de verhouding van de diaconie tot den kerkeraad zóó geregeld, als hebbende het allermeest tot „kerkelijke" ontwikkeling van het werk der diakenen, wier zelfstandigheid juist dan ten volle gewaarborgd is, wanneer hunne regelingen en handelingen in den „breeden" kerkeraad, waartoe zij ook zelven behooren, kerkelijk goed bevonden zijn".
Na het referaat volgde discussie, waarbij velen vragen stelden aan den spreker. In zijn antwoord ging ds. v.d. Bosch nog eens een en ander na en zei o.m., dat „de diaken in kleine gemeenten wel als hulp-ouderling voor het geestelijk regiment dienst kan doen, doch niet in groote kerkeraden daarvoor, zitten kan, doch dan slechts voor zaken van algemeen of diaconaal belang. Bij conflicten tusschen den kerkeraad en de diaconie over diaconale zaken, moet een fijn gevoel van contact de broeders tot elkander brengen. Van opleggen van een wil eenerzijds en zwichten anderzijds mag geen sprake zijn. Door meer langdurige beraadslaging moet een algemeen bevredigende oplossing gezocht worden. Hierbij moet de kerkeraad (moeten de ouderlingen) zooveel mogelijk het overwicht aan de diaconie laten, terwijl de diakenen bij de besprekingen ter breede kerkeraadsvergadering, zaken van algemeenen aard meer aan de prudentie van de ouderlingen moeten laten. Voorts, wanneer de kerkeraad opening van zaken omtrent een diaconaal geval begeert, dient de diaconie die te geven, niet als onderhoorige van den kerkeraad, maar in het belang der zaak zelf, terwijl anderzijds een kerkeraad het diakenen niet euvel zal duiden, wanneer deze uitspreken dat aan een ondersteunde wel wat meer geestelijke zorg besteed mag worden. Wat aangaat het al of niet wenschelijke, dat ook de diaconieën in de meerdere vergaderingen hunnen zitting hebben, merkte de referent op, dat bij behandeling van diaconale zaken op een meerdere vergadering wel licht bij de betrokken diaconie zal opgestoken worden en dat in classicale commissies van onderzoek in zulke zaken ook wel diakenen benoemd worden".
Naar wij vernemen, zal het referaat in druk verschijnen.
Het Geref. Studenten-Congres.
Dat hadden we in onzen tijd niet: een Congres van Gereformeerde studenten. Dat men het nu heeft, verheugt ons. Wij hebben den indruk, dat er nu, meer dan vroeger wel geschiedde, ernst gemaakt wordt onder de studenten, ten opzichte van allerlei geestelijke vragen die van het allergrootste belang zijn voor Kerk en Volk. En waar de Reformatie niet anders en ook niet minder gewild heeft, dan uit het hoofdbeginsel: de Heilige Schrift, alles op te bouwen voor religie. Kerk, cultuur, wetenschap, kunst en wat niet al, daar verheugt het ons dat er ook een Studentenvereeniging is, die zich rondom dat beginsel der Reformatie scharen wil, om over allerlei met elkander te handelen.
Natuurlijk kan op studenten critiek geoefend worden. Natuurlijk kan dat zelfs op Gereformeerde studenten. Ook op een Vereeniging van Gereformeerde studenten. Ook op een Congres van Gereformeerde studenten. Wij voor ons verheugen ons echter, dat er een Vereeniging van Gereformeerde studenten van alle Universiteiten — ook van onze Rijks-Hoogescholen — is en het zal ons steeds tot blijdschap zijn, indien ook ,,onze" studenten aan deze beweging deelnemen.
Verleden jaar hadden wij het genoegen het Congres — het was het 9de toen — te Lunteren mee te mogen maken als gast. Buitengewoon hebben we toen genoten, te midden van „oude" kennissen en ,,nieuwe" vrienden. En met meer dan gewone belangstelling hebben wij toen de samenkomsten en besprekingen in grooteren en kleineren kring bijgewoond. We leefden toen in crisis-dagen. En studenten zijn óf heelemaal vóór óf heelemaal tegen. Alles of niets. Wat ook soms met gezeten oud-studenten wel het geval is.
't Was te merken in den studenten-kring. De Asser Synode, de kwestie-Geelkerken, allerlei vragen vroegen de aandacht. En er is gepraat, soms tot midden in den nacht, De inleidingen, door geleerde, zeer-geleerde en hoog-geleerde heeren gehouden, waren leerzaam. De debatten waren soms buitengewoon interessant. De causerieën waren alleraardigst; vooral toen Indische heeren gingen vertellen.
We willen maar zeggen: laten onze studenten zich werpen op de dingen die aan de orde van den dag zijn. Laten ze zich interesseeren voor de vraagstukken belangende Kerk en Volk, Laten ze zich saam scharen rondom de banier der Reformatie. En neen, dan zijn „de kwesties" niet van de lucht; ook zijn de problemen dan nog niet opgelost; maar het is toch de weg om met en voor elkander tot zegen te zijn en straks wèl voorbereid het volle leven in te gaan!
Dit jaar hebben we weer met belangstelling het Congres gevolgd (het 10de nu). Slechts met de courant in de hand, want de bedden in de tenten (primitief, maar leuk!) waren nu voor andere gasten bestemd. Maar uit de verte hebben we toch meegeleefd met hetgeen in Lunteren is verhandeld en we willen gaarne, hier onder, een en ander meedelen van hetgeen besproken is. Courantenverslagen dienen ons daarbij als bron.
Zegene de Heere onze studenten, opdat we straks tal van jonge mannen, predikanten niet alleen, maar ook doktoren, rechters, leeraren aan Gymnasium of H.B.S., ingenieurs, enz. enz., krijgen, die den Heere vreezen en wenschen te wandelen in oprechtheid voor Zijn aangezicht, naar Zijn Woord
Het is het zout, dat straks het leven doortrekken moet. Het is het hout, waarvan de pijlen worden gesneden, om afgeschoten te worden naar alle kanten. Het zijn de leidslieden des volks straks! Bereide de Heere ons in hen het goede, naar den rijkdom Zijner genade.
De Bekeering.
Aan den avond van den eersten dag van het Congres van Gereformeerde studenten, sprak ds. T h. K u i p e r s, van Beilen, over: Bekeering. Spr. zei, dat „crisis" leven is. We leven in een tijd van geestelijke crisis. Daarom juist, zegt spreker, was het zoo goed gezien van het bestuur om op dit congres allereerst te laten spreken over „bekeering". Immers we moeten uit en door de crisis heen en ons opmaken en naar God terugkeeren. Dat is bekeering.
In onzen tijd wordt de noodzakelijkheid om over bekeering te spreken, niet sterk gevoeld. Ja, spreker heeft soms den indruk dat het woord bekeering in de H. Schrift vaker voorkomt dan in onze preeken. Bekeering is echter noodzakelijk, omdat God ze eischt. We zijn van nature van God afgekeerd. De mensch moet geheel veranderd worden. Eerst de zinsverandering (metanoia) en dan de levensverandering (epistrophè). Het wordt bij ons wel eens te veel een natuurlijk proces. Tegenover de eenzijdigheid van Piëtisme en Methodisme is deze houding wel verklaarbaar, maar toch onjuist. Een Christen moet een bekeerd mensch zijn, een mensch op den terugweg naar God. Men kan de bekeeringen maar niet classificeeren en determineeren, want 't gaat in de bekeering om God. God laat zich niet determineeren.
We hebben in de bekeering de groote moeilijkheid van goddelijk en menschelijk werk. God bekeert; en de mensch moet zich bekeeren. De mensch is verantwoordelijk. God eischt een daad. Eisch van bekeering is voor allen dezelfde, de wijze waarop ze tot stand komt is verschillend. Spreker licht dit toe met verschillende voorbeelden uit de Kerkgeschiedenis. In de practijk van ons kerkelijk leven wordt de bekeering vaak eenzijdig opgevat. Of te intellectualistisch óf te mysticistisch.
Er heerscht onder ons een stemming van oververzadigdheid. De theologie stelt ons voor zooveel vragen en ons kerkelijk leven stelt teleur en daarom komt over ons de houding, die in Openbaring 3 getypeerd wordt: noch koud, noch heet.
Maar bekeering is geen slapheid en gebrek aan moed, doch een daad van de hoogste spanning. In de plaats van de bekeering wordt in onzen tijd gesteld het compromis. Het compromis voor den handelsman en voor den politicus. Maar daarmee wordt de absolute eisch van God genegeerd.
We hebben een groote pretentie, zoo besloot spreker, want Gereformeerd zijn beteekent: heimwee naar God, verankerd zijn, op weg zijn naar God. Dit congres is op weg naar God. Bekeerd leven is: leven met God, leven naar God. Heerlijk, te zien hoe God ook onder ons werkt. Het is nu tijd van bekeering. Elke reformatie, neemt stelling in de bekeering, doet ons onze eenzaamheid en onze armoede beseffen. Als het noodgevoel ons nu maar zoo beangst, dat we zeggen: Komt, laat ons opstaan en naar onzen Vader gaan.
Na dit zeer ernstige woord van ds. Kuipers, dat door allen met de grootste belangstelling aangehoord werd, werd de 1ste Congresdag op de gewone wijze beëindigd.
Schrift, Kerk en Belijdenis.
Op het Geref. Studenten Congres te Lunteren, den tweeden dag, heeft dr. J. T h ij s Geref. predikant te Zwolle, een referaat gegeven over bovenstaand onderwerp. We laten een overzicht van het gesprokene hier volgen:
„Spreker ving zijn referaat aan met te zeggen, dat het de bedoeling van het bestuur was voornamelijk over de Belijdenis te spreken, maar in verband met de Schrift en de Kerk.
Tusschen belijdenis en kerk — zoo zei spreker — is een zeer nauw verband, immers de belijdenis draagt een kerkelijk karakter. De kerk kan niet zonder belijdenissen leven en kan maar niet zeggen: we hebben aan Gods Woord genoeg, we hebben geen belijdenis noodig. Als een kerk alleen Gods Woond als leefregel heeft, dan is de zuiverheid des geloofs niet genoeg gewaarborgd.
Want wat wordt er van de uitspraken van Gods Woord al niet gemaakt! Daarom is een belijdenis noodig, waarin ze haar geloof uitspreekt.
Veel breeder stond spreker stil bij het tweede gedeelte van zijn onderwerp, n.l. de belijdenis in verband met de Schrift. Daar een belijdenis belijdenis des geloofs is, bestaat er een nauw verband tusschen belijdenis en Schrift. Immers het geloof is een aannemen van het Woord Gods met kennis en vertrouwen. De inhoud van het geloof is het Woord Gods. De belijdenis is een reproductie uit het menschelijk bewustzijn van hetgeen in de Schrift is gegeven.
De belijdenis is niet belijdenis der ervaring, maar belijdenis des geloofs.
Maar dan moet het geloof in den juisten zin worden genomen en niet, zooals b.v. geschiedt door Jul. Kaftan. Volgens hem wordt het geloof wel door de H. Schrift gewekt, maar heeft niet de leer van de Schrift tot inhoud. Het is een misbruik maken van de Schrift — zoo zegt Kaftan — wanneer wij er een leer uit zouden construeeren. Het geloof staat tusschen Schrift en belijdenis in en het geloof maakt uit, wat in de Schrift als waarheid is te aanvaarden.
Maar — zoo zei spreker — het geloofsbegrip van Kaftan mag niet als reformatorisch worden erkend. Is de belijdenis de uitdrukking van het geloof, dan is ze tevens de uitdrukking van de Schrift. Want ze reproduceert de Schriftwaarheid in eigen vorm. Wel doet ze dit niet en kan ze dit niet doen op a d a e q u a t e wijze, omdat het geloof niet bij machte is de volheid der openbaring in zich op te nemen. Ook de reproductie van het geloofsbezit blijft beneden den rijkdom van dit bezit. Daarom is de belijdenis niet adaequaat aan de openbaring en blijft ze revisibel en appellabel aan de Schrift. Maar daarmee valt de waarheid der belijdenis niet, want inadaequaat is niet hetzelfde als onwaar. Omdat de belijdenis de weergave is van de Schriftwaarheid, bezit ze g e z a g.
Toch mag hierbij de Kerk niet uitgeschakeld wonden, want aan de Kerk heeft, Christus de bevoegdheid gegeven om de Schriftwaarheid te formuleeren en te belijden. Prof. Hepp heeft het zoo uitgedrukt: ,,Het gezag van het dogma rust materieel op het gezag der Schrift, maar formeel op dat der Kerk.
Als nu de Kerk een belijdenis heeft opgesteld, dan kent ze daaraan toe een kerkelijk gezag. De Kerk eischt alleen, dat al haar leden de belijdenis zullen aanvaarden Daardoor wordt de vrijheid van onderzoek allerminst belemmerd, want ieder lid heeft het recht van gravamen, als dit gravamen maar steunt op de Schrift. Als de Kerk — zoo besloot spreker — de belijdenis stelt tot regel des geloofs, dan bedoelt ze daarmee te zeggen: dat moet de uitdrukking zijn van uw persoonlijk geloof. De belijdenis der Gereformeerde Kerken zij de uitdrukking van uw aller persoonlijk geloof".
Na dit referaat — zoo meldden de dagbladen ons ~ volgde een zeer drukke discussie, waaraan velen deelnamen. Prof. dr. A. Noordtzij besloot de discussie door als oudere een woord tot de jongeren te spreken. Het woord van den Utrechtschen hoogleeraar werd met zeer groote belangstelling aangehoord en maakte op alle aanwezigen diepen indruk.
Wereldgelijkvormigheid.
Ook dit onderwerp is met de studenten behandeld te Lunteren. Ds. E.L. S m e l i k, van Tienhoven (U.) sprak daarover en zei:
„Dit onderwerp is thans belangrijk, omdat het ons dwingt ons te bezinnen op het al te zeer verwaarloosde terrein der ethiek. Het opgeven ervan verraadt zelfkennis. Het is niet 't gevaar van een bepaalde groep van Gereformeerden. Het Calvinisme met zijn cultuurwaardeering brengt als vanzelf dat gevaar mee. Hylkema en Haitjema wezen daar vooral op. Wereldgelijkvormigheid kan het speciale gevaar, de speciale zonde der Calvinisten licht worden.
Men moet reeds staan in Christelijke geachtensfeer om dit woord te verstaan. In het uitspreken er van ligt een scheiding opgesloten tusschen „wereld" en geloovige, en de vermaning tegen „wereldgelijkvorigheid" gaat uit van een t e g e n s t e I l i n g, die bestaat tusschen die beide. Elke levensopenbaring heeft zijn vorm. Er is een levensvorm van het Christendom en een levensvorm van de wereld. In dien levensvorm drukt zich iets uit van het eigensoortige van den inhoud. De levensvorm der wereld past alleen voor het wereldsche leven. De levensvorm van het Christendom alleen voor het Christelijke leven. De moeilijkheid ligt nu daarin, dat Christendom en wereld het in alle opzichten tegenover elkander staan. Het Christendom in het algemeen, en het Calvinisme in het bijzonder, staat tot op zekere hoogte waardeerend tegenoven de wereld. De Christen kan zich niet onttrekken aan elken levensvorm der wereld. Hij eet hetzelfde brood, draagt dezelfde kleeing, gebruikt dezelfde techniek, spreekt dezelfde taal, denkt in dezelfde categorieën als de wereld. Krachtens de scheppingsorde is hij daarop aangewezen. De geloovige is en blijft aardemensch.
Men moet dus de tegenstelling daar zoeken, waar de „wereld", de wereldsche menschheid, zich een eigen, onafhankelijk, autonoom levensbeginsel kiest, zich van God emancipeert, eigen „wereldsche" waarden en weelden stempelt. Het uitgangspunt hiervoor ligt in Gen. 3, waar de principieele keuze gesteld wordt tusschen God en wereld. Onze verhouding tegenover die weeld is daar verkeerd geworden. De zonde werkt in de individu en in de menschengemeenschap. Het wereldproces (de aeon van Rom. 12:2) oefent een machtige suggestie uit. De vormen van deze wereld zijn hierom zoo gevaariijk voor den Christen, omdat in dezen, naar de voorstelling van Rom. 7, een oude mensoh is overgebleven, die zich in de wereldsche vormen zoekt uit te leven. Evenzeer als het op den weg des Christens ligt om door het gebruik van Gods genademiddelen zijn geloof te versterken, zoo ligt het ook op zijn weg om door vermijden van den wereldschen levensvorm „zijn oude natuur te dooden" (Doopsformulier). Dit is een stuk Christelijke levenstechniek.
Practisch gesproken, liggen de verschijnselen der wereldgelijkvormigheid niet slechts in de bekende trits: kaartspel, tooneel en dans, wier veroordeeling in de Gereformeerde ethiek bijna zonder uitzondering plaats vond, maar ze zijn veel geraffineerder en dus gevaarlijker te vinden daar, waar ze zich met Christelijk masker vermommen. Er is altijd een zekere ascese noodig (Pascal), al is voor ieder het gevaar elders gelegen. Elke gave, elk genot, elk talent kan gevaarlijk zijn in bepaalde omstandigheden. Er is wereldgelijkvormigheid op het gebied van het denken (natuurwetenschappelijke methode, die Gods werking uitschakelt), van het willen (autonome moraal, humanisme in plaats van naastenliefde, opportunisme), van het gevoelen (aestheticisme). Men vindt wereldgelijkvormigheid in de politiek en in de kerk, waar die tot menschelijke machtsmiddelen de toevlucht nemen. Wij moeten nonconformisten zijn tegenover de wereld. Waar men de wereldsche vormen toelaat, komt straks ook de wereldsche inhoud (Salomo !). We moeten in teedere voonzichtigheid onze verhouding tegenover de wereld bepalen: die koopen, als niet bezittend, zegt Paulus. De Christusgelijkvormigheld moet in de plaats komen van de wereldgelijkvormigheid".
Ook op dit referaat volgde een drukke bespreking, waaraan velen deelnamen.
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's