De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

Het Geref. Studenten-Congres.
11. (Slot).
De beteekenis van het Verbond.
Door de studenten was o.a. ook ds. R. B a r t l e m a, Ned. Herv. pred. van Zeist, uitgenoodigd om te spreken op 't Congres en wel over het onderwerp: „De beteekenis van het Verbond voor ons persoonlijk geloofsleven".
Ds. Bartlema ving zijn onderwerp aan met er op te wijzen, dat er in de Schrift sprake is van tweeërlei Verbond. In de eerste plaats stond hij stil bij het Noachietisch verbond. Dit is een natuurverbond, een verbond, zoo zegt ds. Bavinck, van de lankmoedigheid Gods. Het is niet zedelijk van aard, maar enkel een natuurverbond, waarin geen „twee deelen begrepen" zijn. Het is monopleurisch. Alleen de vatbaarheid voor verlossing is door dit verbond gehandhaafd, maar de verlossing zelf wordt gegeven door het genadeverbond. Ook dit verbond is monopleurisch. Het is de vrije genade Gods die Hem bewoog ook dit verbond op te richten, welke oprichting reeds in de eeuwigheid lag, maar de afkondiging geschiedde veel later. Eerst in het Paradijs, waar God in de moederbelofte den knop gaf, waaruit later onder Abnaham en Mozes de bloem zich zou ontwikkelen, die in Christus tot volle ontplooiing kwam.
Al is dit verbond monopleurisch van oorsprong, het moet toch dipleurisch worden. De mensch zelf moet komen tot volle genieting van de weldaden, die God in dit verbond schenkt.
Het genadeverbond is niet individueel, maar organisch; het zet zich voort in de geslachten. Daarom is het hier op aarde nooit onvermengd. Wezenlijke bondgenooten zijn alleen diegenen, maar ook die alleen, die de genade Gods deelachtig zijn.
Het komt er voor ons persoonlijk op aan — zoo vervolgde spreker — te weten of wij wezenlijke bondgenooten zijn of niet. Het leven des geloofs openbaart zich in een veelheid van vormen, maar 't is altijd een worstelend leven. Van groote beteekenis hierin is het sacrament en met name de doop. Zelfs voor de ongeloovige gedoopten is deze van gewicht. Immers de doop is een merk- en veldteeken van Christus. Wie in uniform zijn koning bestrijdt, pleegt krijgsverraad. Maar vooral is hij van beteekenis voor hen, wien het om de beleving van het Kruis te doen is. Dan is hij een middel om met vrijmoedigheid tot Christus uit te gaan.
De twijfelende grijpe zich vast aan zijn doop, waarin God Zijn belofte gaf, maar waarin Hij den mensch ook verplichtte tot een nieuwe gehoorzaamheid. De doop spreekt van eeuwige toezeggingen, maar ook van de eischen Gods; eischen, die alleen in Christus te vervullen zijn, in Wien Gods toezeggingen ja en amen zijn.
Zij het ook — zoo besloot spreker — in onze studie zoo, dat het gaat om God. Uw werken en mijn werken zij daaraan verpand. Ook als we nog staan in den voorbereidingsstrijd moeten we ons werpen op onze studie, op ons werk. Maar hoe schoon het ook is groote kennis te hebben, alleen als we bewust uit God leven kan er uit ons een geslacht groeien, dat in teeren wandel aan de wereld toont de barmhartigheid en liefde Gods, geopenbaard in het Kruis".

De verhouding van bijzondere en algemeene openbaring.
Voor de Theol. en Natuur-Philosophische sectie sprak op het Congres te Lunteren dr. W.J.A. Schouten, van Kampen, over: „De verhouding van bijzondere en algemeene openbariing". Ook van dit referaat laten we een verslag volgen:
„Van oudsher" — zoo begon spreker — „heeft de Christelijke theologie onderscheiden tusschen een algemeene en bijzondere openbaring Gods. De beteekenis van de algemeene openbaring is den laatsten tijd wel wat verwaarloosd. Daarom is er aanleiding om ons nader te bezinnen over het verband tusschen algemeene en bijzondere openbaring. Beide stemmen daarin overeen, dat ze den zelfden oorsprong hebben. Daarom kan er ook nooit eenige tegenspraak of eenig conflict tusschen die beide zijn.
De kennis van de openbaring Gods in de natuur danken we in hoofdzaak aan de natuurwetenschap. Vroeger leefde de mensch in veel nauwer contact met de natuur dan tegenwoordig. Het wereldbeeld van onze oudste voorouders was, naar onze maat gemeten, zeer primitief. Geleidelijk nam echter de kennis toe. Het wereldbeeld van den modernen mensch wordt bepaald door en is opgebouwd uit de ontdekkingen, die in de verschillende wetenschappen gedaan zijn.
Over de beteekenis van de natuurwetten heerscht onder ons nog veel verschil van opvatting. Voor spreker geven de natuurwetten de menschelijke omschrijving van relaties die buiten den mensch bestaan. Ze zijn niet identiek met die relaties, maar een gebrekkige benadering er van.
Al is een conflict tusschen algemeene en bijzondere openbaring onmogelijk, wel kan er verschil bestaan tusschen de menschelijke kennis daarvan. Zoo b.v. kan er verschil zijn tusschen de natuurwetenschap en de theologie.
Het verschil tusschen algemeene en bijzondere openbaring ziet spreker aldus: De bijzondere openbaring beheerscht onze wereldbeschouwing, maar geeft ons geen wereldbeeld; de algemeene openbaring schenkt ons een wereldbeeld, maar beïnvloedt onze wereldbeschouwing niet.
Al maakt de Schrift, omdat zij geen astronomie geeft, niet uit, welk wereldbeeld het juiste is, toch omschrijft zij de wereld der zichtbare dingen op een wijze, die past bij de eeuw, waarin de gewijde schrijvers leefden. Door de nieuwe ontdekkingen op het gebied van astronomie en geologie, is onze kennis van de aarde veranderd en verrijkt. De geologie heeft getracht den ouderdom van de aardlagen te bepalen. Het resultaat echter is niet erg betrouwbaar, maar de physische bepalingen van den ouderdom der aarde verdienen zonder twijfel een veel grooter vertrouwen.
Spreker staat uitvoerig bij deze en andere methoden stil.
De Schrift leert ons over den ouderdom der aarde niets, de kennis daarvan behoort tot ons wereldbeeld. Het is onjuist, te meenen dat ons wereldbeeld neutraal zou zijn. Dit sluit echter niet uit, dat er een groot terrein is waar personen uit verschillende wereldbeschouwing kunnen samenwerken. Het object is voor den Christelijken en niet-Christelijken natuuronderzoeker hetzelfde, maar de Christelijke wereldbeschouwing beïnvloedt de persoonlijkheid van den Christen-geleerde.
Spreker handhaaft de zelfstandigheid van de algemeene openbaring, maar wil van den eeuwigen vrede tusschen religie en wetenschap niets weten. De uitdrukking „tweeëriei wetenschap" aanvaardt spreker in zoo verre, als daar niet mee bedoeld wordt twee diametraal tegenover elkander staande wetenschappen, maar zoo, dat de Christelijke wereldbeschouwing als correctief werkt.
Het hoogste ideaal — zoo besloot spreker — moet voor den Christelijken beoefenaar der wetenschap zijn een volkomen harmonie tusschen wereldbeeld en wereldbeschouwing".
Zendingstaak.
Ook is — natuuriijk! — over de Zending gesproken op het Studenten Congres te Lunteren. En men kon moeilijk beter geslaagd zijn voor dit onderwerp. Want dr. J.H. Bavinck — zoon van den Rotterdamschen predikant en neef van wijlen prof. dr. H. Bavinck — was bereid gevonden hierover een referaat te houden. Deze jonge theoloog-paedagoog heeft in de laatste jaren „naam" gemaakt en een „goeden opgang" verkregen in het midden van ons gereformeerde volk. Het is een geloovig-geleerd man, die wetenschappelijk goed onderlegd is en in de practijk in Indië en hier geschoold, die schitterend spreekt, buitengewoon mooi schrijft, eenvoudig als een kind en tegelijk diep-wetenschappelijk de dingen weet te zeggen, te vertellen, te beschrijven ook.
We hoorden van zijn spreken te Lunteren ook weer: „'t was schitterend!"
Over: „Zendingstaak" heeft dr. Bavinck Jr. (zoo'n man moesten ze nu eens vlug aan een van onze Rijks-Universiteiten benoemen tot professor, om als theoloog, paedagoog en Zendingsman z'n vleugels breed te kunnen uitslaan!) te Lunteren gesproken. We laten een verslagje volgen:
De Zendingstaak — aldus spreker — rust op ons allen. Reeds bij Israël hooren we er van, maar de visie, die de Israëliet op de heidenwereld had, was een andere dan de onze. 't Was voor hem een krijgstaak, een protest tegen het heidendom. Bij Paulus wordt het anders. Hij zag in de afgodsbeelden een kreet naar God, of ze Hem ook tasten en vinden mochten. Daar hebt ge de groote paradox: Die heidenwereld is groote zonde en die heidenwereld is zoo iets erbarmelijks, is een weenen, een grijpen naar God. Maar tegenover de arme Javanen geven we dat toe. Omdat we boven hen staan, durven we met vrijmoedigheid het heerlijk Woord van God brengen. De blik, dien we op hen hebben, is de blik van het erbarmen. Daarom mogen we de Zendingsgedachte niet beperken tot Java. Wat de wereld dicht bij ons betreft, staan we nog op het krijgsstandpunt. Tegenover socialisme en ongeloovige wijsbegeerte zeggen we: Denk er om, dat ge goed principieel uw houding daartegenover bepaalt. Tracht het uit elkander te rukken. Is dat goed? vraagt spreker. Op den duur ligt daar een gevaar in, n.l. van het te sterk leven in de negatieve spanning. Ook tegenover het moderne heidendom moet de krijgstaak uitgroeien tot Zendingstaak.
De Zendingstaak ziet in het socialisme een grijpen naar idealen, maar buiten de zelfverloochening om; in de wijsbegeerte een hijgen naar de waarheid, maar buiten het kruis om. We moeten in die moderne wereld zien een hijgen, een grijpen naar God en een tegelijk zich afkeeren van het kruis. De spanning van de krijgstaak en Zendingstaak is de spanning, die het jonge geslacht doorleeft.
Ons leven — zoo besloot spreker — moet zijn een vlammend protest tegen de zonde van ongeloof en twijfel en tegelijk een grijpen van de hand, die zich uitstrekt naar het Licht. De krijgstaak, die zich verheft tot Zendingstaak, stempele het leven van den Christen. Grijp, wat gij grijpen kunt. Red, wat ge redden kunt".
De Walen (1)
Herhaalde malen is door ons nu over deze kwestie geschreven. De Walen nemen in de Synode — en daardoor in heel de organisatie van onze Nederlandsche Hervormde Kerk — een veel te groote plaats in. Tot tweemaal toe heeft de Synode nu besloten dat te veranderen. De meerderheid der Classicale Vergaderingen was van hetzelfde gevoelen. Maar nu moet de eindstemming in November nog komen in de Provinciale Kerkbesturen, waar de leden hoofdelijk stemmen en waarbij dan twee derden van het totaal aantal stemmen vóór moet zijn, wil de wetswijziging van kracht worden.
Zóó ver zijn we nog niet. Maar daarom juist willen we hier eens overnemen, wat prof. dr. A.M. Brouwer, te Utrecht, dit jaar zelf lid van de Synode met adviseerende stem, over deze belangrijke aangelegenheid geschreven heeft in het Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur. (16 Sept. j.l.).
Prof. Brouwer schrijft dan: „Een belangrijk besluit is ook genomen ten opzichte van de Waalsche gemeenten. Deze hebben in de Synode van 19 leden drie jaren lang één predikant, en dan drie jaren lang één predikant en één ouderling als afgevaardigde. Men vindt deze vertegenwoordiging niet in overeenstemming met het aantal en de beteekenis der Waalsche gemeenten, en daarom wil men hun de synodale vertegenwoordiging ontnemen en hun alleen de bevoegdheden geven van een classicaal ressort. Reeds de Synode van 1926 heeft dit aangenomen, de Classicale Vergaderingen adviseerden in meerderheid ook daarvoor. En nu heeft de Synode van dit jaar het bevestigd. Dat wil nog niet zeggen, dat het ook inderdaad doorgaat. Immers de Provinciale Kerkbesturen hebben nog het recht, hun  V e t o  uit te spreken. Dit gaat bij hoofdelijke stemming. Tweederden moeten er voor zijn en anders gaat 't niet door. En nu meenen sommigen, dat die tweederden niet verkregen zullen worden. En dan blijft het, zooals het is. Alleen is er kans op een geheel andere Synode, op de Groote Synode van 45 leden, en dan wordt toch alles anders. Zoo leven wij in een tijd van overgang en onzekerheid.
Maar er is dus, zullen wij voorzichtigheidshalve zeggen, eenige kans, dat de Walen hun vertegenwoordiging in de Synode komen te missen. Dit is genoemd: gebrek aan piëteit, rechtsverkrachting, minderwaardig partijgedoe. De Walen toch zijn „modern". Nu zet de rechtzinnige meerderheid hen er uit. En dat is een leelijke streek, zeggen de modernen.
Om met dit laatste te beginnen: zeggen de modernen dit zonder eenige partij-overweging? Is het louter belangeloos opkomen voor het verdrukte recht? Of — is dit oordeel even partijdig als het besluit der rechtzinnigen in hun oog? Ik kan het niet helpen, maar de blanke onschuld van de eene en het zwarte verraad van de andere partij komt mij wat verdacht voor. Misschien is het beter, dat pot en ketel elkaar niet verwijten dat zij zwart zijn. Laten wij trachten alle partij-overwegingen er buiten te laten en de zaak op zichzelf te bezien.
In de Ned. Hervormde Kerk van 2 millioen 800 duizend zielen is een groep van 8000 Walen, over een 20-tal plaatsen verspreid, met een 12-tal predikanten. Van de 19 Synodeleden verkiezen zij soms één, soms ook twee. In dit laatste geval staan zij gelijk met heele provincies als Noord-en Zuid-Holland met hun honderdduizenden leden. In het eerste geval staan zij gelijk met provincies als Zeeland, Utrecht, Overijsel, enz. Deze verhouding wordt niet in evenredigheid geacht met hun getal en hun beteekenis. Is dat gebrek aan piëteit, contractbreuk, grievend onrecht, enz.?
Hoe staat het eigenlijk met de geschiedenis der Walen?
Toen de Hervorming in de Nederlanden zich krachtiger doorzette, waren het voornamelijk Zuid-Nederlanders die hieraan den stoot gaven. Zij waren ook op het Convent van Wesel (1568), waar voor ons land de Kerkorde in beginsel werd vastgesteld, in de meerderheid. Het is te begrijpen, dat daarom met hun taal rekening gehouden werd. Zoo werd bepaald, dat voor degenen die Waalsch (Fransch) spraken de Catechismus van Geneve, voor degenen die Nederduitsch spraken de vertaalde Catechismus van Heidelberg als kerkelijk leerboek dienst zou doen. Ditzelfde werd bepaald op de Synode van Emden in 1571, toen dan eigenlijk onze Hervormde Kerk als nationale eenheid geboren werd. Intusschen kregen de Spanjaarden steeds meer invloed in de Zuidelijke Nederlanden, zoodat vele Hervormde Walen, om den marteldood te ontkomen, naar het Noorden uitweken. Zij kwamen in 1577 te Dordrecht bijeen en namen daar het besluit aan de eerstvolgende Nationale Synode, die in 1578 ook te Dordrecht zou gehouden worden, het verzoek te doen, dat zij eigen gemeenten met eigen Classes en eigen Synode mochten vormen, omdat het taalverschil te groote moeilijkheden opleverde. Aan dat verzoek werd in 1578 voldaan, maar met het uitdrukkelijk beding, dat zij zich in alle belangrijke zaken hadden te houden aan de bepalingen van de Nationale Synoden. Hier had dus, zooals  H o o y e r  en ook de in 1879 rapporteerende Comm. van prof. A c q u o ij  het noemt, een „administratieve scheiding" plaats, die alleen gemotiveerd werd door het feit „dat er in de Nederlanden twee talen werden gesproken".
Van een contract is hier allerminst sprake.
Er is van den aanvang af één Kerkgemeenschap geweest, waarin nu om bepaalde redenen een administratieve scheiding gemaakt wordt. Wanneer die reden ophoudt te bestaan, behoorde ook die administratieve scheiding op te houden. Want het is uit alles af te leiden, dat men in het geheel niet van zins was, twee verschillende Kerkgenootschappen er van te maken.
In onzen tijd nu kan men zeker zeggen, dat er in ons land niet meer twee talen worden gesproken, 't Is zelfs bekend, dat vele „Walen" beter Hollandsch dan Fransch verstaan.
Is er van geen contract sprake — moeten wij dan toch niet erkennen, dat onze Kerk altijd een federatief karakter gedragen heeft en men geen leden van de federatie, al zijn ze zwak, ter zijde kan stellen?
Ook deze redeneering gaat uit van de onderstelling, dat de Waalsche Kerken opzettelijk tot een zelfstandig bestaan zijn gebracht. Maar dit is, van den kant der Nationale Synoden gezien, stellig onjuist: hier zat geen andere bedoeling voor dan die eener administratieve scheiding.
Maar ook al waren ze in de 16de eeuw zelfstandig geworden, wil dat zeggen, dat onze Kerk nu heden ten dage nog een federatief karakter draagt? Dit mag gelden van den tijd vóór 1795, van de provinciale Kerken, maar tijdens de Fransche Revolutie is ook op kerkelijk terrein de strijd tusschen federalisten en unionisten uitgevochten en met een volledige overwinning der unionisten geëindigd. Het Reglement van Januari 1816 is een zuiver unionistisch reglement. En welke bezwaren er in den loop der 19de eeuw ook tegen dat reglement zijn ingebracht, niemand heeft ooit gepleit voor een terugkeer tot het federalisme van den ouden tijd".
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's