De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

De Vrijmetselarij (15)
„Een groote, schoone gedachte ligt toch aan het geheel ten grondslag", vervolgde mijn oude vriend, mijnheer L e y d e n: de verbroedering van alle goede menschen der geheele wereld, zonder aanzien van hun maatschappelijke positie, hun geloof en hun nationaliteit. Dat deze gedachte werkelijk bestaat, hebt gij, heer dokter, nu heden gezien". — „Waarom zwijgt gij? " zoo vervolgde hij, toen ik niet dadelijk antwoordde. „De gedachte, waarvan gij zooeven melding maaktet, is niet het privilegie der Vrijmetselaars", antwoordde ik. „Zij ligt in ieder werkelijk ontwikkeld en edel-denkend mensch; 't zij hij een Duitscher, een Engelschman of een Franschman is. Ook betwijfel ik 't sterk of de Loge, bij haar opvallend heterogene samenstelling, medewerken kan tot een algemeene verbroedering van de menschen". Mijnheer  L e y d e n  bleef staan en zag mij scherp aan. „Lieve broeder, gij zijt een geweldig twijfelaar en gij schijnt mij zeer moeilijk te bevredigen. Want gij stelt zulke hooge eischen. Leer onze instelling door vlijtig bezoek kennen, want gij zijt pas leerling. Word eerst Meester — dan zullen we over de zaak verder praten". "Ik wil mij eerlijk moeite geven den geest der Vrijmetselarij te zoeken en te begrijpen. Neem mijn vrije critiek niet kwalijk, zij is goed gemeend". „Openhartigheid tegenover openhartigheid, vertrouwen tegenover vertrouwen, is ook een van onze kernspreuken", antwoordde de heer Leyden. „Gij behoeft u dus niet te verontschuldigen, daar mij uw critiek en uw twijfel bewijzen, dat gij op den goeden weg naar de waarheid zijt. lk hou van menschen van uw soort, die niet dadelijk alles, wat men hun zegt, voor goede munt opnemen, maar de dingen ernstig onderzoeken en overal tot op den bodem alles willen leeren kennen".
Hartelijk namen wij afscheid van elkander en ik besloot den raad van mijn ouden vriend te volgen en van 't begin af aan zoo trouw mogelijk de samenkomsten te bezoeken, om daardoor deel te krijgen aan den vrijmetselaars-geest. Maar deze geest vond ik, in weerwil van mijn trouw bezoek van alle vergaderingen, waartoe ik als leerling toegang had, niet. In de samenkomsten werden over weinig interessante dingen lange redevoeringen pro en contra gehouden. Bij de gewoonste en onbelangrijkste dingen werd zooveel lawaai om niets gemaakt, dat ik mij begon te vervelen. De opschepperige bewering, dat het doel van den Vrijmetselaars-bond de opvoeding van zijn leden tot echte menschen was, kon ik in 't begin van mijn Vrijmetselaarsdagen en helaas! ook later niet bevestigd vinden. Als al die partijtwisten, haarkloverijen en letterknechterijen bijgedragen hadden tot de opvoeding tot menschen, dan zou er in onze Loge veel gepresteerd zijn. Niet alleen verveling, maar ook tegenzin gevoelde ik meer en meer, als mijn ernstig oprecht streven, om met de oudere leden der Loge op hartelijke, warme wijze om te gaan, zulke geringe gevolgen had. Ik was lid van een heele gewone kegelclub in de stad, welke iedere week éénmaal voor het aangename en gezonde genot samen kwam, maar waarlijk, daar ging het vriendelijker en gemoedelijker toe als in de Loge, zonder dat we elkaar heel lief „broeder" noemden!
Het was een koud bad voor mij en gansch ontnuchterd over de Vrijmetselarij en onze Loge-leden, zocht ik de schuld in deze eerst bij mij zelf en dacht dat de oorzaak schuilde in mijn jonge jaren. En ik troostte mij met de gedachte, dat het met de jaren wel anders en beter zou worden. Ge kunt ook niet verwachten — zoo sprak ik bij mijzelf — dat men u, een vreemde, aanstonds als vriend en broeder zal tegemoet treden; ge moet eerst door uw omgang vertrouwen wekken. Een zaak is des te meer waard, als men er moeite voor doen moet en het zal nooit ons eigen worden, wat we niet met inspanning zoeken. Daarbij is het 't moeilijkste werk ons zelf op te voeden en de menschheid te verbeteren en ik stond nog maar aan 't begin van den weg. Ik wist ook nog zoo weinig van de Vrijmetselarij en van de Loge; dat zou wel de oorzaak zijn, dat ik mij er nog niet thuis voelde. Daarom troostte ik mij zelf en stelde mij telkens voor oogen, dat het wel spoedig beter worden zou, waarom ik ook al mijn krachten moest inspannen om er beter „in" te komen.
Zoo sprak ik mij zelf moed in en met vele goede voornemens bleef ik mijn best doen om mij beter in de Loge thuis te gaan voelen. Ook de heer  L e y d e n  sprak in denzelfden toon tot mij. Maar niettegenstaande dat alles bleef de teleurstelling mijn deel en ik begon langzamerhand de Loge te ontwijken.
Twee jaar verliepen zonder dat ik een voet in de vergadering zette. Ik betaalde mijn jaarlijksche contributie en telkens de boete voor het constant absent zijn. Reeds liep ik rond met het voornemen als lid van de Loge te bedanken, toen ik heelemaal toevallig een heer ontmoette, die, in een andere stad wonend, onze Loge telkens bezocht. „Waarom zien we u nooit meer in de „bouwhut?", vraagde hij, die een landsman van mij was? Eerlijk zeide ik de oorzaak en sprak er van, om als lid van de Loge te bedanken. „Ook mij bevalt het hier niet zoo heel erg", antwoordde hij mij, „maar ik zou u toch raden nog wat geduld te hebben. Komt tijd, komt raad; en gij kunt, in het ergste geval, nog doen wat u dan later noodzakelijk voorkomt".
Mijn ouden vriend, die reeds lang sukkelde met zijn gezondheid, wilde ik niet voor 't hoofd stooten door te bedanken als lid van de Loge. Ook wist ik, dat ik de Loge geen genoegen zou doen, wanneer ik heenging. Daarom besloot ik eerst een schrijven te richten aan den Meester-Voorzitter, welk schrijven werd beantwoord met een verzoek tot samenspreking met hem. Deze uitnoodiging nam ik aan en ik besprak alles met hem. Zijn antwoord was, dat hij mij niet begreep in mijn gevoelens van teleurstelling en afkeer en ten slotte zei hij, dat ik óf weer de Loge moest bezoeken óf uit de Loge uittreden. „Dan wil ik liever gaan", zei ik. „Voelt gij u dan zóó afgestooten, dat gij wilt heengaan, vóór dat gij de beginselen van de Vrijmetselarij nog hebt leeren kennen? " Mijn antwoord was, dat de Loge niet geeft, wat zij belooft. De Meester adviseerde, dat ik nog wat geduld zou oefenen en moeite zou doen meer vertrouwd te raken met den kring der broeders, waarbij hij in uitzicht stelde, dat ik spoedig van leerling tot gezel, en dan spoedig tot meester zou worden bevorderd en ik twijfel niet — zoo sprak hij — of gij zult dan anders over de dingen spreken dan nu. „'t Kan waar zijn, 't kan ook niet alzoo wezen", was mijn laconisch antwoord. Maar de Meester liet niet af aan te houden en wees er op, dat de Loge een moeilijken tijd doormaakte, door de weinig eerbare handelingen van den vertrokken Meester. Hij verzocht mij nog wat te blijven als lid en nu voortaan ook trouw de vergaderingen bij te wonen, om dan spoedig een voordracht te houden over een of ander wetenschappelijk onderwerp, dat dan de aanleiding kon worden voor mijn bevordering in een hoogeren graad. De Meester twijfelde niet, of ik zou spoedig van mijn moedeloosheid verlost zijn en ik zou weldra van een Saulus in een Paulus zijn veranderd, sprak hij; waarbij hij een lange rij van namen wist te noemen van menschen die, evenals ik, eerst ook hadden willen bedanken als lid van de Loge, doch later blijde waren geweest hun voornemen niet te hebben volbracht. „Gij zijt arts" — zoo vervolgde hij — „maar dat zijt gij toch ook niet maar in een oogenblik geworden? Dat is toch ook stuk voor stuk gegaan? Welnu, zoo moet gij ook geduld hebben met de Vrijmetselarij en gij moet nu spoedig van leerling gezel worden, en van gezel meester straks, dan zult gij het heerlijke van de Loge geheel en al leeren verstaan!" „Nu zijt ge nog in uw „proeftijd", maar als ge straks gezel zijt, zal u alles veel heerlijker en schooner voorkomen dan nu".
Hoewel ik weinig vertrouwen had op een verandering ten goede, beloofde ik met het bedanken voor het lidmaatschap nog even te zullen wachten en ik zegde toe in een van de eerste vergaderingen een voordracht te zullen houden.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's