De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een klagend volk door God gered.

8 minuten leestijd

En het gansche huis Israels klaagde den Heere achterna. 1 Samuel 7 vers 2b.

Ik woon in de hoogte en in het heilige en bij dien, die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat ik levend make den geest der nederigen en opdat ik levend make het hart der verbrijzelden; alzoo sprak eenmaal de Heere ten tijde van den Profeet Jesaja tot Israël.
Welk een nederbuigende goedheid beluisteren wij in die woorden. Dat God woont in de hoogte, eindeloos verheven boven het menschenkind, en in het heilige, ongenaakbaar voor den zondaar, het behoeft ons niet te verwonderen. Maar dat Hij wil wonen bij zondige menschen, die met den hoofdman moeten belijden, dat zij niet waard zijn, dat de Heere onder hun dak komt, zie, die kennis is ons te wonderbaar.
En toch is het waar. Zelf heeft de Heere het gezegd, dat Hij woont bij dien, die is van een verbrijzelden en nederigen geest. Hij woont bij hen om het dikwerf zoo kwijnende leven te versterken, het gekrookte riet weer op te beuren en de rookende vlaswiek weer te doen ontvonken.
Hij slaat toch, schoon oneindig hoog
Op hen het oog
Die need'rig knielen.
Is Gods Woord rijk aan beloften voor een verbroken en verslagen hart, het is vol van bedreigingen voor trotsche zielen.
God ziet van ver met gramschap aan
Den ijd'len waan
Der trotsche zielen.
Zoowel het een als het ander heeft Israël ondervonden in de dagen toen Samuel richter over hen was.
Wat was het bondsvolk Israël diep gezonken, toen Samuël richter over hen werd. Droevig was het gesteld met de leidslieden, Eli en zijn zonen, Hofni en Pinehas. En waar de Priesters zoo waren, is het geen wonder, dat ook het volk hoe langer hoe meer ging doen wat kwaad was in Gods oogen en het spijsoffer geheel verachtte. En niettegenstaande zij van God afhoereerden en Hem den trotschen nek toekeerden, meenden zij nog dat God bij hen woonde en in gunst op hen neerzag. Zoo duidelijk bleek dat, toen zij in de dagen van Eli tegen de Filistijnen streden en verslagen werden. Als het volk wederom in het leger gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? En wat was het antwoord? Zeiden zij: wij hebben tegen den Heere gezondigd en daarom heeft Hij, die woont in de hoogte en in het heilige, ons overgegeven? Verre van dat! Hoor, hoe zij tot het volk zeggen: laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des Heeren, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.
Dwaze menschen, om te meenen dat de ark hen verlossen kon. Wat hebben ze het ondervonden, dat als God zijn hulp aan het werk ontzegt, al hun plannen niets baten. Met gejuich mocht de ark worden gebracht in het leger. God kwam niet mede. Hij woont niet bij trotsche zielen. Vreeselijk hebben zij dat ervaren. Zeer groot was de nederlaag. De arke Gods werd genomen en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, benevens duizenden andere Israëlieten stierven. Voor Samuel was deze afloop geen wonder. God had het hem geopenbaard en als het volk hem vraagt, vanwaar die vreeselijke rampen, spreekt hij: 't Zijn uwe zonden, o Israël, die scheiding maken tusschen God en uwe ziel. God woont bij dien, die is van een verbrijzelden en nederigen geest. Verneder u onder de krachtige hand des Heeren, opdat Hij u verhooge. Als een Johannes de Dooper wekte hij het volk op tot boete en berouw. Van Dan tot Berseba trok hij door geheel Israël als een echte boetgezant. Het leek, alsof zijn arbeid vruchteloos was. Ook Samuel heeft het ondervonden dat al predikt een leeraar als een Boanerges, een zoon des donders, en de Heere komt het woord niet te zegenen, het niets baat. Maar al zal Samuel er zeker wel eens moedeloos onder geweest zijn, hij ging nochtans voort met zaaien onder biddend opzien tot Hem, die den wasdom geven moet.
Op Gods tijd gaf de Heere ook den wasdom. In het begin van 1 Samuel 7 staat geschreven: en het werden twintig jaren en geheel Israël klaagde den Heere achterna.
Welk een blijdschap zal dat voor Samuel geweest zijn. Hij wist het, dat, zal er verhooging komen, er eerst een zich vernederen voor den Heere moet komen. Daarom zal er vreugde geweest zijn in zijn hart toen hij zag, hoe God de Heere zijn woord wilde gebruiken om Hem achterna te klagen. Maar Samuel wist ook, dat elk klagen nog geen treuren is vanwege de zonde; dat er zooveel droefheid is, die niet naar God is. Daarom sprak hij: indien gijlieden u met uw gansche hart tot den Heere bekeert, zoo doet ook de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astaroth; en richt uw hart tot den Heere en dient Hem alleen, zoo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken. En de kinderen Israels nu deden de Baals en de Astaroths weg, en zij dienden den Heere alleen.
Met zulk een klagend volk kwam Samuel te Mizpa bijeen. Daar bad hij voor hen tot Hem, die in de hoogte en in het heilige is; daar beleed Israël zijn afdwalingen en zeide: Wij hebben tegen den Heere gezondigd.
En nu zal het wel niet alles goud zijn geweest dat er blonk, nochtans was er, evenals op het Pinksterfeest, een groote schare, die van een verbrijzelden en nederigen geest was.
Wat zou het een voorrecht zijn, wanneer van ons volk ook eens mocht geschreven staan: en het gansche huis van Nederland klaagde den Heere achterna. De oordeelen Gods zijn in de laatste jaren zoovele over ons volk. Wat een rampspoeden. Is het te verwonderen? Wat een afhoereeren en God den trotschen nek toekeeren. Er is geen opmerken van de stem des Heeren in de oordeelen. Er wordt allerwegen naar de oorzaak van al die rampspoeden gezocht. Men tracht een verklaring te geven van dien watervloed, de cyclonen, de stormen en zooveel andere rampen op allerlei gebied. Men tracht het natuurlijk te verklaren en 't klinkt niet: Wij hebben tegen den Heere gezondigd. Daarom blijft het ook nacht.
Voor de Kerk ligt in deze ernstige dagen de roeping om het Woord Gods uit te dragen. Dat was ook Samuel's taak. Te getuigen tegen de zonde en de ongerechtigheid. Tot de wet en tot de getuigenis! Zoo zij niet spreken inaar dit woord, het zal zijn dat ze geen dageraad hebben.
Zwaar is die taak. Het lijkt zoo dikwijls een ploegen op rotsen. Dat was het ook bij Samuel. En toch bleef hij blazen op de boetbazuin. Paulus schreef aan Timotheüs: Predik het Woord; houd aan tijdiglijk en ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
Dat is nog de roeping ook in onze dagen en de Heere heeft beloofd, dat Zijn Woord niet ledig zal wederkeeren, maar het zal doen, hetgeen Hem behaagt. Dat er daartoe gebed moge zijn of de Heere den arbeid moge zegenen. Dat zal zeker het gebed geweest zijn van het overblijfsel naar de verkiezing in de dagen van Samuel. Ja, van boven moet de zegen komen. Wij kunnen planten en wij kunnen nat maken, maar God moet den wasdom geven.
Vergeefs op bouwen toegelegd;
Vergeefs, om 't huis voltooid te zien.
Gezwoegd, gezweet, o arbeidsliên;
Zoo God Zijn hulp aan 't werk ontzegt.
Vergeefs, o wachters, is uw vlijt.
Zoo God niet zelf de stad bevrijdt.
Maar als God werkt, wie zal dan keeren? Dat heeft Israël ondervonden, toen het den Heere achterna klaagde. De Filistijn mocht zich met machtige kracht tegen zijn ouden vijand verheffen, de Heere toonde, dat er voor Hem niets te wonderlijk is. Op het gebed van Samuel en 't volk deed de Heere groote wonderen. De God der eere donderde over de Filistijnen, zoodat zij verschrikt en verslagen werden voor het aangezicht Israels.
Vreugde en blijdschap was er bij Israël, waar de Heere in genade op hen had neergezien. Van den Heere was het geschied, 't Was voor hen een wonder in hun oogen. Daarom nam Samuel een steen en stelde dien tusschen Mizpa en tusschen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen.
Rijk had Israël ervaren, dat wie den Heere achterna klaagt met de bede om genade, door Hem niet wordt afgewezen. En wat toen niet geschiedde, gebeurt thans ook niet. Jezus Christus is gisteren en heden en in der eeuwigheid Dezelfde. Nog woont Hij in de hoogte en in het heilige, maar ook bij dien, die is van een verbrijzelden en nederigen geest, opdat Hij levend make den geest der nederigen en het hart der verbrijzelden.
Zalig, wie Hem heeft leeren achterna klagen evenals Israël in de dagen van Samuel; die het te doen is om de gunste Gods, door Jezus Christus, hij zal het ervaren op Gods tijd wat David in den 42sten Psalm betuigt:
Want Gods goedheid zal uw druk
Eens verwiss'len in geluk.
Hoop op God, sla 't oog naar boven,
Want ik zal Zijn naam nog loven.
O.B.                                                                     K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's