GEESTELIJKE OPBOUW
De Vrijmetselarij (16)
De avond, dat ik spreken zou in de Loge, kwam. Ik werd in de groote feestzaal ontvangen en een talrijk auditorium was daar aanwezig. Naast den Meester Voorzitter ontving ik, als spreker, een plaats, en goedmoedig lachend begroette hij mij. Met een woord van den Voorzitter werd ik ingeleid; ik ontving daarna gelegenheid mijn voordracht te houden. Als medicus sprak ik, maar behandelde een algemeen onderwerp, waarvan ik veronderstelde, dat de beteekenis gevoeld zou worden door de hoorders. Na afloop bedankte de Voorzitter mij op hartelijke wijze en noemde mijn voordracht hoogst interessant en noodigde de broeders uit op de wijze der Vrijmetselaars daarvoor dank te zeggen. Handgeklap vulde een oogenblik de zaal, daarna volgde discussie. Enkele goede opmerkingen werden gemaakt, maar verder verliep het gesprek in allerlei, dat weinig of niets beteekende. Mij werd de eer aangedaan, dat de Voorzitter tot mij het verzoek richtte mijn referaat, te willen afstaan voor het archief der Loge als blijvende herinnering. Of het hier ging om de beteekenis van mijn voordracht, dan wel of het een poging was mij nader aan de Loge te verbinden, onderzocht ik maar niet.
Kort daarna ontving ik van mijn ouden vriend, die mijn mentor was, het bericht, dat ik op Zaterdagavond, den ..... ..... 1885, op feestelijke wijze zou worden bevorderd in den 2den graad en zou worden opgenomen onder de gezellen. Den penningmeester der Loge moest ik daarvoor een som gelds ter hand stellen — waarbij ik 't gevoel kreeg, dat de broederliefde in de Loge blijkbaar niet zonder geld bestaan kon.
Op den bestemden Zaterdagavond verscheen ik, met hoogen hoed en in feestgewaad, vergezeld door den heer Leyden, de Loge. Onderweg had mijn oude vriend mijn nieuwsgierigheid gaande gemaakt, door allerlei toespelingen op interessante plechtigheden. Maar tegelijk kon ik mijn onverschilligheid toch niet van mij af zetten en liet er ook wel wat van blijken; en ten spijt van alle opwekkende woorden van mijn ouden vriend, bleef de echte feeststemming bij mij weg.
Evenals toen ik voor 't eerst in de Loge werd binnengeleid, werd ik ook nu gebracht in "de donkere kamer des nadenkens", maar ditmaal als „broeder", zonder blinddoek, en nu in het kleed van Vrijmetselaars-leerling. In de kamer was alles nog ongeveer 't zelfde als toen ik, geruimen tijd nu geleden, voor den eersten keer kwam. Het geraamte, met uitgestrekte hand, stond er nog. Ooklag er weer een lijst met vragen ter beantwoording op de met zwart bekleede tafel: de zandlooper en het flikkerend licht ontbraken ook nu niet. Ditmaal maakte alles niet zoo'n indruk op mij, als te voren, toen ik als noviet, met blinddoek voor, hier binnengeleid was. De vragen die mij nu gesteld werden om die te beantwoorden, deden mij vanwege de naïveteit glimlachen. Ik liet pen en papier dan ook ongebruikt liggen waar ze lagen en schonk mijn aandacht aan het geraamte. Met het licht in zijn linkerhand, onderzocht ik alles eens nauwkeurig en maakte voor mijzelf allerlei opmerkingen. Terwijl ik daar zoo stond, vernam ik het mij bekende geluid bij de deur. Mijn „beschermheer" trad binnen om mij te halen, maar deze bleef verstomd, met het hoofd schuddend, op den drempel staan, toen hij mij zoo vol aandacht bij het geraamte zag, met het licht in de hand, om daar alles blijkbaar tot in de fijnste bizonderheden te onderzoeken. Het kwam hem voor dat ik weinig bezig was met de dingen die stonden te gebeuren, wat ook bleek uit pen en papier, die onaangeroerd daar nog lagen. „Hebt gij niet iets vergeten?" was zijn laconische vraag. Mijn antwoord was, dat ik niets vergeten had, maar dat ik die vragen zoo maar niet kon beantwoorden, omdat ik eigenlijk nog niets van de Vrijmetselarij wist. Weinig gesticht bleek hij te zijn over dat antwoord, maar zeide, dat het nu geen tijd was voor allerlei discussie. Goedmoedig lachend, nam hij mij vervolgens bij den arm en zoo gingen we samen naar de gesloten deur des tempels. Na veel plichtplegingen konden we eindelijk binnengaan en stonden we in de helverlichte feestzaal, in den „tempel der zuiverste menschenliefde".
Met veel symbolische handelingen, bij drie groote lichten: schoonheid, wijsheid en sterkte, werd ik bevorderd tot gezel. Ik werd gebracht bij een gebonden boek, dat in gouden letters tot opschrift had: „Ken u zelf". Dat boek moest ik openen en toen zag ik in een dubbelen spiegel, waaruit dat boek bestond, mijn eigen beeld, nu gekleed met een wit schootsvel met blauwe rosetten, waaruit mijn promotie sprak. Ik kon niet zeggen, dat ik, ook al werden daarna nog tal van toespraken gehouden, het echte gevoel had van Vrijmetselaar te zijn. Ook in de feestzaal, bij spijs en drank, kwam de echte stemming bij mij niet, wat aan den opmerkzamen blik van mijn ouden vriend niet ontging. „We zullen u zoo spoedig mogelijk nu tot „meester" bevorderen", zei hij tot mij, als om mij te troosten. „Ik bemerk wel, dat ook 't geen nu gebeurt u niet geheel en al bevredigt; maar gij vergist u; 't zal spoedig, als gij „meester" zijt, anders en beter worden." Ik antwoordde daarop niet veel en het gesprek nam een andere wending. Mijn oude vriend begon te spreken over zijn gezondheidstoestand en zei mij, dat hij de gebreken van den ouderdom hoelangs hoemeer ging voelen en dat hij dacht, dat het wel niet zoo lang meer met hem duren zou. Hartelijk namen wij dien avond afscheid van elkaar.
Het jaar, dat mij tot den graad van „gezel" bevorderd had, snelde heen. Ik mocht mij nu verheugen in de lichten van „wijsheid" en „sterkte", daar ik „leerling" was geweest en nu „gezel" was geworden — zoo zeide men mij — doch spoedig als ik „meester" was, zou ik ook genieten van het derde licht, het licht der „schoonheid". Maar de „schoonheid" van de Vrijmetselarij zag ik nog niet; ook zelfs niet in de verte! En als ik dacht aan al die komische gebruiken, waarmee een promotie gepaard ging, verwachtte ik weinig van de dingen die komen zouden. Heel de ceremonie trok mij niets aan. Toen de dag van mijn bevordering kwam, werd ik rugwaarts in den tempel gevoerd, op en af ging het weer, en tusschen mijn twee geleiders stond ik eindelijk in het heiligdom. Mijn „gezellenschort" werd mij afgenomen. „Zijt gij het waardig geweest dit schort te dragen" vroeg men mij. Maar een antwoord verwachtte men blijkbaar op deze vraag niet; want met een krachtigen ruk werd ik omgedraaid en stond nu voor den broeder Meester. Toen bemerkte ik, dat de Loge, die vroeger blauw gekleurd was, nu zwart, overal zwart was; treurig-zwart alles, 't Scheen alsof een doodenfeest zou gehouden worden. Met schrik zag ik, dat er overal doodshoofden, met zwart omhangen, mij aanstaarden, 't Kwam mij voor, dat ik niet in den Vrijmetselaarstempel, maar in de giftkamer was; overal doodskoppen boven gekruiste doodsbeenderen. Midden in de zaal stond een open doodkist.
Waartoe moest dat alles dienen, vroeg ik mij zelf af. Door den Meester werd ik nu rondgeleid en weinig had het gescheeld of ik was voorover gevallen tegen de doodkist, ware 't niet, dat mijn geleider mij had vastgegrepen. Intusschen kregen we een langdradig verhaal van den Meester over Hiram, den opzichter bij den bouw van Salomo's tempel, die door de gezellen vermoord was geworden! Wat die Hiram der oudheid met de Vrijmetselarij van de 19de eeuw te maken had, kon ik niet begrijpen. Een bitter gevoel maakte zich meer en meer van mij meester.
'k Was nu bevorderd tot den hoogsten graad. Maar wat moest ik nu doen. Ik voelde mij als een gevangene. Aan den eenen kant moest ik erkennen, dat de toonaange vende mannen uit den kring der Vrijmetselaars mij de laatste tijden zeer voorkomend hadden behandeld; aan den anderen kant kwam alles wat in mij is in opstand tegen het systeem der Vrijmetselarij, dat mij voorkwam als dwang, om iemand als een ledepop handelingen te doen verrichten, handelingen waartegen het gezond verstand opkwam. Heel ons sociale leven wordt op deze wijze in boeien geslagen, in Vrijmetselaarsboeien, waarbij al het goede, ware, schoone door de Loge geannexeerd wordt en aan Vrijmetselaars-zeden en gewoonten onderworpen. Hiertegen kwam alles wat in mij was hoe langer hoe meer in opstand, temeer waar het meerendeel der „broeders" mij in deze volstrekt niet als ideaal van „wijsheid", „sterkte" en „schoonheid" voorkwamen.
Ik nam mij voor regelmatiger de Loge te bezoeken. Misschien dat het beter zou worden dan. Doch in de discussies kon ik mij bijna nooit mengen; ze waren, evenals de vroegere, ook nu meestentijds hol en ledig, gaande over dingen, die voor mij weinig of geen interesse hadden, 't Kwam mij voor alles tijdverlies te zijn om lange avonden in een rookhol, benauwd en slecht verlicht, door te brengen. 't Eenige wat ik er van mee naar huis nam was hoofdpijn. En op een avond, dat ik weer in den kring der „broeders" was en mij verveelde en ergerde, kwam het, ongewild, tot een bekentenis mijnerzijds, waarbij ik uitsprak, dat ik niets begreep van wat de Loge nu eigenlijk wilde en deed, waarbij 't mij voorkwam, dat er niets in heel de beweging was, dat de wereld gelukkiger kon maken. Natuurlijk bleven de opmerkingen niet uit. Onder weg naar huis was er echter een der broeders, die zei: gij hebt scherpe woorden gesproken, maar het is de waarheid. Hij sprak echter de hoop uit, dat een jonge broeder, als ik, zou willen medewerken, om verandering en verbetering aan te brengen in de Loge.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's