FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
38)
„Gissen doet missen", zegt het spreekwoord, „maar kort na Nieuwjaar reed ik op een avond met de kar langs het kanaal, het begon al wat donker te worden, en ik zag den baron die vroeger op den Beukenhof woonde met een anderen mijnheer, die er nog wel eens komt, bij ds. Stevens ingaan. 'k Dacht wat moeten die heeren bij den afgescheiden dominé doen? Toen ik bij huis kwam en daar wat opgehouden werd, zag ik later smid Zeelman dien kant ook uitgaan, 'k Zou er wellicht niet meer aan gedacht hebben, maar zoo wat een uur later kwam de smid er weer langs en daarna was hier iemand die vertelde, dat de jonge baron met nog een mijnheer uit den Haag, in „de Gouden Leeuw" waren uitgespannen. En dat rijtuig is hier 's avonds , heen en terug langs gekomen. De heeren zijn opgehaald en weggereden. En nu vraag ik: ligt het niet voor de hand, dat een en ander met elkaar in verband staat? Die dominé zal er wel meer van weten, maar hij zal niet klappen; Zeelman is een van zijn schapen."
Maar wat de herbergier van „De witte haas" daarvan ook verder vertelde, het maakte geen blijvenden indruk, daar de smid over 't algemeen te veel vertrouwen had dat men hem voor een dief zou aanzien; en een andere oplossing wisten ze niet.
Intusschen deed Zeelman met opgewektheid zijn werk. Hij was zeer veranderd, dat merkten de kinderen, de knechten en Trijntje het dienstmeisje dagelijks, 't Was in de smederij sinds Nieuwjaar een ander leven geworden, alsof er licht ingekomen was, alsof de baas in plaats van armer, veel, veel rijker was geworden dan vroeger. Wat het was wisten zij niet en vragen durfden zij niet, maar allen namen het met blijdschap aan. Albert, de oudste knecht, die al menig jaar bij Zeelman diende, zeide: „Hij is nu de oude baas weer; het mag dan met dat verkoopen zijn zoo het wil."
De verkooping was voorbij, zij had meer opgebracht dan Zeelman schuldig was en de notaris zou het geld verzenden. „Ik zal dat wel in orde brengen, Zeelman, 'k weet er alles van; 't is best afgeloopen voor allemaal". „Ja, mijnheer, heel best, ik dank u zeer."
„Je zat in een moeilijk parket, maar je bent er goed uitgekomen; nu kun je gerust zijn."
En zoo was het. Blij en dankbaar was de smid, veel meer toen hij dat alles kwijt was, dan toen hij het vond. Vrede was er in zijn hart en herhaaldelijk moest hij God danken, die alles zoo wel had gemaakt.
Er werd nog eenigen tijd over gesproken, vooral vond men het vreem.d, dat de smid er niets over uitliet, en dat hij zelfs niet eens tegenwoordig was geweest toen in „de Gouden Leeuw" zijn eigendommen verkocht werden. Wie had zoo iets beleefd? Maar toen alles in de smederij zijn gewonen gang ging, liep het praten over dat geval ook langzamerhand dood.
't Was een schoone morgen in April, het mooie voorjaarsweer was gekomen, de smid was bij zijn duiven in den tuin. De zon scheen helder, de boomen en struiken begonnen zich te tooien met bloem en blad, de duiven hadden den zolder verlaten en waren weer gehuisvest in haar til; zij hadden schik en omringden den baas, want zij kregen een extra deel, en deden haar best het op te pikken. De smid zat weer op de bank onder den lindeboom, die nog wel kaal was, maar toch begon uit te botten.
Vrouw Zeelman kwam er ook en ging even bij haar man zitten. Nu was ze weer de kleine vriendelijke vrouw; hoe helder en frisch keek ze uit haar oogen! „Wat is toch alles veranderd, Kobus!"
„Zeg dat wel, Liesbeth; een nieuw leven is als 't ware begonnen, ik kan niet dankbaar genoeg zijn. Moge God ons verder bewaren, lieve, vooral voor de zonde."
„Wij moeten er tegen blijven strijden, Kobus, en blijven bidden."
„Ja, vrouw, oprecht als de duiven, zooals An begeerde. Ik noem ze nu maar steeds, en hij wees naar de duiven voor hem, „A nna's duiven, en 't is mij alsof God dan grooten vrede in mijn hart geeft."
„Weet ge wat ik zoo even dacht? "
„Nou? "
„Wij gaan samen vanavond naar tante van Leeuwen".
Nu alles achter den rug is, moet ik 't haar zeggen; ik heb dat den baron ook beloofd. Zij moet het weten, Liesbeth, zij heeft zich altijd zoo druk gemaakt voor de familie van den Beukenhof, en zal blij zijn over den goeden afloop."
Wat hadden ze het allen druk op den Beukenhof, nu de schoone lentedagen waren gekomen! Druk hadden het de vogels, met elkander te zoeken, met plannen te maken en de plaatsen uit te kiezen waar zij hun kunstige nesten zouden bouwen; vinken en sijsjes, kwikstaartjes en roodborstjes, lijsters en eksters, ja wat al niet! Sommigen waren met hun nestbouw al begonnen; evenals de musschen en de spreeuwen onder de pannen van het huis en de schuren, die er gewoonlijk al vroeg bij zijn, maar alle moesten toch zoo nu en dan eens rusten in de toppen der boomen, om te zingen, te fluiten, te jubelen, ieder op zijn wijze, ter eere van hun Schepper. Ook de boomen, planten en bloemen schenen zich te haasten hun nieuw feestkleed aan te trekken, want de lente was gekomen. Regen en wind kwamen ook, soms zelfs nog Maartsche buien, en schenen alle tegen te werken, maar de zon won het toch, elken dag meer.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's