KERKELIJKE RONDSCHOUW
De volharding der heiligen
Uit onze Belijdenisschriften.
De volharding der heiligen.
Men zegt, dat de menschen, ook kerksche menschen, ook gereformeerde menschen, weinig of niets van de Drie Formulieren van Eenigheid weten. 't Minst onbekend zijn ze dan misschien met den Catechismus. Op de catechisatie wordt deze nog gebruikt, in de kerk wordt er nog uit gepreekt —daarom is dat gelukkig dikwijls niet geheel „onbekend terrein". Maar de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen? En dan de Leerregels van Dordt?
Men moet zelfs op de Synode der Geref. Kerken, te Groningen pas gehouden, getuigd hebben, dat de jongeren in de Geref. Kerken er niets van weten. Ds. Schouten, van Amsterdam, moet hebben uitgeroepen: „ik zou niet gaarne den kost geven aan allen, die niets weten van de Leerregels van Dordt, want als ik die allen moest onderhouden, ging ik vandaag nog failliet!" Waarop prof. Lindeboom, rustend hoogleeraar te Kampen, bij interruptie bevestigend uitriep: „Ze weten er niets van!"
Daar staan ze dus, die „jongeren" uit het midden van de Geref. Kerken! Daar staan ze, met al hun Jongelingsvereenigingen met kasten vol leiddraden; met al hun Meisjesvereenigingen met al hun vergaderingen, waar trouw aan Assen gebiedende eisch is; daar staan ze met hun Scholen, Gymnasia, Universiteit, congressen, cursussen, waarbij eerwaarde, weleerwaarde, geleerde, zeergeleerde en hooggeleerde heeren en dames referaten houden, besprekingen leiden, enz.!
We zijn geschrokken! Is het niet om moedeloos te worden? Is het niet om te weenen ? — —
En toen hebben we gedacht aan „onze" jongeren; ook aan de ouderen onder ons. Want we zullen goed doen, de hand maar in eigen boezem te steken! Ook wij hebben in onze Hervormde Kerk onze prediking, onze catechisaties, onze cursussen, onze vereenigingen, onze bonden.
Zou het waar zijn, dat men ook onder ,,ons" weinig of niets weet van hetgeen in onze Drie Formulieren van Eenigheid staat? van hetgeen voorkomt in onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, van hetgeen uiteengezet, verdedigd en bestreden wordt in de Dordtsche Leerregels tegen de Remonstranten?
Vrees bekruipt ons wel eens. Wij huiveren soms — — —
De wintertijd staat voor de deur. De avonden lengen. Thuis komt weer gelegenheid tot lezen. Onze vergaderingen nemen weer een aanvang.
Laat ons aan 't werk gaan. Laat ons onderzoeken. Laat ons bidden om de ware belangstelling; om de heerlijke gave des Geestes; om een hongeren en dorsten naar de dingen van Gods Koninkrijk; om een verzadigd worden met het goede; om zegening voor hoofd en hart, voor leven en sterven beide!
Over ,,de volharding der heiligen" spraken de Leerregels van Dordt in het vijfde of laatste hoofdstuk. Misschien dat men niet precies weet wat onze geref. belijdenisschriften over dit onderwerp leeren. Laten we het hier eens mogen afschrijven wat de Leerregels tegen de Remonstranten over dat gewichtig onderwerp zeggen. We hopen, dat ouden en jongen het dan ook lezen willen; zij het tot geestelijk voordeel, voor 't eerst of bij vernieuwing.
We lezen dan in Hoofdstuk V van de Dordtsche Leerregels:
1. Die God naar Zijn voornemen tot de gemeenschap Zijns Zoons, onzes Heeren Jezus Christus, roept, en door den Heiligen Geest wederbaart, die verlost Hij wel van de heerschappij en slavernij der zonde, doch Hij verlost hen in dit leven niet gansch en al van het vleesch en het lichaam der zonde.
2. Hieruit spruiten voort de dagelijksche zonden der zwakheid; en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken. Dit geeft hun gestadig oorzaak om zich voor God te verootmoedigen, hunne toevlucht tot den gekruisten Christus te nemen, het vleesch hoe langer hoe meer door den geest des gebeds en heilige oefeningen der godvruchtigheid te dooden, en naar den eindpaal der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeeren.
3. Uit oorzaak van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook van wege de aanvechtingen der wereld en des satans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zoo zij aan hunne eigene krachten overgelaten werden. Maar God is getrouw, die hen in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtiglijk bewaart.
4. Hoewel nu die macht Gods, waardoor Hij de ware geloovigen in de genade bevestigt en bewaart, méérder is, dan dat zij van het vleesch zouden kunnen overwonnen worden — zoo worden nochtans de bekeerden niet altijd zóó van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bizondere daden door hun eigen schuld niet van de leiding der genade zouden kunnen afwijken en van de begeerlijkheden des vleesches verleid worden en die volgen! Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. Want zoo zij dit niet doen, zoo kunnen zij niet alleen door het vleesch, de wereld en den satan tot zware en gruwelijke zonden worden vervoerd, maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, daartoe somwijlen gebracht; gelijk het droeve vallen van David, Petrus en andere heiligen, zooals dat in de Schrift ons beschreven is, bewijst.
5. Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hunne conscientie en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeeren, opnieuw het vaderlijk aanschijn Gods verschijnt.
6. Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het wonderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, en laat hen niet zóó verre vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelven in het eeuwig ver derf storten.
(Wordt voortgezet).
Onze Vacatures.
Onlangs schreef, onder bovenstaanden titel, ds. K.A. Beversluis, secretaris der Vereeniging van Vrijz. Hervormden, in „Kerk en Volk" een artikel, dat aldus begon: „Reeds meermalen is er door verschillenden op gewezen, dat het groote aantal vacatures in vrijzinnige gemeenten een zeer ernstig verschijnsel is, te ernstiger waar ons ontbreken de personen om deze vacatures te bezetten".
Wij zouden ook een artikel kunnen schrijven over hetzelfde onderwerp, met eenzelfde begin, maar dan ongeveer aldus geformuleerd: „het groote aantal vacatures in gereformeerde gemeenten is een zeer ernstig verschijnsel, te ernstiger, waar ons ontbreken de personen om deze vacatures te bezetten."
't Is inderdaad bedroevend, dat het aantal vacante gemeenten zoo groot is, en voor ons zoo bedroevend, dat er zooveel gereformeerde gemeenten vacant zijn, terwijl er bijna geen geref. studenten en geref. candidaten zijn, om de ledige plaatsen straks aan te vullen. Want of de eene geref. dominé al van de eene geref. gemeente naar de andere geref. gemeente verhuist, helpt ons natuurlijk niet. Dan wordt wel een vacature in de eene provincie vervuld, 't zij in een dorp of in een stad, maar in een andere provincie komt er dan weer een bezette plaats ledig en dus schieten we op die manier niet op.
Men versta ons wel. Wij keuren het volstrekt niet af, dat een geref. dominé een beroep aanneemt en verhuist naar een andere gemeente. Dat kan dikwijls heel goed en wenschelijk zijn. Maar wat we nu op 't oog hebben is dit: dat het aantal vacante gemeenten op die manier niet minder wordt.
De moderne ds. Beversluis, de zeer ijverige secretaris der Vereeniging van Vrijz. Hervormden, die er blijkbaar van houdt om zich goed op de hoogte te stellen van de kaart van kerkelijk Nederland, schrijft dan verder: „Als ik de lijst der vacante vrijzinnige gemeenten doorzie, tel ik momenteel 101 vacaturen".
Wij zouden ook weer ongeveer van de geref. gemeenten 't zelfde kunnen schrijven. Want er zijn (ongeveer alles genomen) 1644 predikantsplaatsen in de Ned. Herv. Kerk, die aldus te onderscheiden zijn (ongeveer alles genomen!): 477 Modernen, 502 Ethischen, 451 Confessioneelen en 214 Gereformeerden. Van de 477 vrijz. predikantsplaatsen zijn er dan 101 vacaturen.
Dat is veel. Maar van de 214 geref. predikantsplaatsen zijn er 71 vacant. Dat is dus vooral niet minder!
Ds. Beversluis laat het dan niet bij het noemen van het getal 101 vacaturen, maar neemt dat aantal onder de loupe en gaat onderscheid maken tusschen vacaturen die er zijn, omdat men niet meedoet met den Raad van Beheer, en vacaturen die er zijn, waar men beroept, maar geen dominé vinden kan (zonder een andere gemeente vacant te maken); en vacaturen die er zijn, omdat men te arm is om te kunnen beroepen
Drie soorten dus; en het blijkt dan, dat er van de 101 vrijz. vacaturen 44 zijn, waar men de bijdrage aan de Centrale Kas voor de predikantstractementen heeft voldaan (daar kan men dus beroepen, maar er is geen voorraad van vrijz. dominé's), terwijl er 14 gemeenten vacant zijn, die te „arm" zijn om een aanvangssalaris van ƒ2500.— te geven; waarbij dan minstens 30 gemeenten komen, waar een behoorlijk tractement beschikbaar is en die toch vacant zijn, sommige zelfs reeds geruimen tijd.
„Voor deze 30 vacaturen zijn geen krachten beschikbaar". „Zonder overdrijving kunnen we zeggen, dat als we op het oogenblik 25 vrijzinnige proponenten hadden, zij allen geplaatst konden worden. In werkelijkheid zijn er momenteel slechts 2 proponenten, die zich echter nog niet beroepbaar stellen. Wij hopen, dat September en November ons een drietal brengen zal, maar; wat is dat op het groote tekort?" „De ervaring is dan ook, dat telkens gemeenten zich tot het Algem. Secretariaat wenden met de vraag, namen te willen noemen van predikanten, die voor hun gemeente wellicht in aanmerking zouden willen komen — en het is dan een van de moeilijkste dingen op dergelijke vragen in te gaan". ,
Ook dit kunnen wij weer letterlijk zoo overnemen. Wij hebben (ongeveer) 214 geref. predikantsplaatsen ; daarvan zijn er 71 vacant; van die 71 zijn er 42 „protesteerend" en 29 die „betalen". Van de 42 „protesteerende" zijn er 8 die „onvermogend" zijn en van de 29 ,,betalende" zijn er 7 die onvermogend zijn. Indien dus alle geref. vacante gemeenten betaalden, zouden er 71—16 = 55 kunnen beroepen — en er zijn ongeveer geen proponenten. In elk geval zijn er 29—7 vacante gemeenten = 22 die beroepen—en er zijn ongeveer geen proponenten. Hadden wij dus op het oogenblik een 20 a 25 proponenten (dus niet studenten, verdeeld over verschillende jaren, maar proponenten, die nu beroepbaar zijn) dan zou dat 25-tal jonge geref. mannen aanstonds een plaats kunnen krijgen. En wanneer alle geref. gemeenten, die vacant zijn, gingen beroepen, hadden we 71 proponenten noodig!
In de Classis Arnhem, hebben we 2 predikanten van geref. belijdenis noodig voor 2 vacante gemeenten; in de Classis Nijmegen 2; Tiel 1; Bommel 4; Harderwijk 8; Rotterdam 1; Leiden 3; Dordt 6; Gouda 13; Brielle 7; Amsterdam 2; Middelburg 1; Zierikzee 3; Utrecht 4; Amersfoort 2; Zwolle 1; Deventer 2; Kampen 3; Breda 1; Heusden 5; in totaal 71.
En nu de toepassing?
Wij nemen maar weer over, wat ds. Beversluis schreef: „De kwestie van onze vacatures is een zeer belangrijke. Het afdoende middel blijft: meer jongelui opleiden voor predikant".
Dat blijven wij óók zeggen.
En als ds. Beversluis dan schrijft: „Onze eerste pogingen hebben al reeds eenig succes gehad. Een groot aantal aanvragen kwam dit jaar in voor de Studiekas, zóó groot, dat de Studiekas niet aan de aanvragen kon voldoen zonder haar reserve aan te spreken. Natuurlijk wordt dat gedaan. De zaak is te belangrijk, maar ook het vertrouwen op de offervaardigheid der onzen is zóó groot, dat het bestuur der Kas het aandurft. Immers nu ge, weet, dat er geld, veel geld noodig is om aan het tekort aan predikanten, waaraan onze beweging te gronde dreigt te gaan, te voldoen, zullen de gaven toestroomen".
Als ds. Beversluis dat schrijft, dan kunnen we weer veel (gelukkig niet alles) overnemen, en ook wij zeggen: dat vele jonge menschen van den Heere lust in het harte mogen ontvangen om predikant te worden; en dat vele groote en kleine giften mogen vloeien in de kas van onzen Penningmeester voor het Studiefonds.
Men weet het van ouds bekende adres! Naam en woonplaats staan elke week in ons bondsblad; ook zijn gironummer.
Ned. Herv. Stichtingen voor zenuw-en geesteszieken.
Een belangstellend lezer van ons blad schrijft ons:
»Onlangs werd een Vereeniging opgericht met bovenstaanden naam. Het ligt in de bedoeling te komen tot oprichting van een of meer gestichten voor krankzinnigen en andere geesteszieken in den meest uitgebreiden zin. Als haar grondslag aanvaardde de nieuwe Vereeniging: het Evangelie van Jezus Christus, naar de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds, overeenkomstig de belijdenis van de Ned. Hervormde Kerk.
Deze grondslag wijst geenszins in ethische richting, integendeel! Wanneer in overeenstemming met het Statuut wordt gehandeld, kan ook een Gereformeerd mensch zich verheugen over de oprichting. Immers ziet de groote „Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen", die op dit terrein zooveel goed werk deed, zich voor steeds moeilijker taak gesteld. Naast de bestaande inrichtingen te Veldwijk, Zuidlaren, Loosduinen en Wolfheze, zag zij zich genoodzaakt een, nieuw gesticht te bouwen in Vogelenzang. Hulp zal haar welkom kunnen zijn, nu zij komt van een Zustervereeniging.
Ook om een andere reden kan een Gereformeerd-Hervormde zich onder bovengenoemde voorwaarde verblijden over de oprichting der nieuwe Vereeniging. Immers hebben tot nu toe, hoewel meer dan 60% der b.v. in Veldwijk verpleegden behoort tot de Hervormde Kerk, de Hervormden als zoodanig de verpleging hunner medeleden steeds overgelaten aan de leden der Gereformeerde Kerken, waartoe het bestuur en het personeel der groote Vereeniging grootendeels behooren. Daar is dus verwaarloozing van een Schriftuurlijke taak en dit moet de Hervormde Kerk schaden. Van de 653 patiënten op Veldwijk zijn 410 Hervormd, volgens het 42ste jaarverslag, maar 't is opmerkelijk hoeveel meer ijver Gereformeerden tot het verplegen schijnen te hebben dan Hervormden (voor hun eigen Kerkgenooten). Zoo zijn onder de 91 gediplomeerde verpleegsters slechts 19 Hervormden. Meerdere voorbeelden zouden te geven zijn.
Wij hopen, dat onze jongelingen en jongedochters meer lust gaan gevoelen voor 't schoone werk van verpleging, wanneer hun straks — wat God geve — meer gelegenheid wordt geboden om de Kerk te helpen bij de vervulling harer roeping: zich te ontfermen over het ellendige.
400 plaatsen zijn elk jaar m e e r noodig om de patiënten te kunnen opnemen en 't ziet er niet naar uit in onze dagen, dat dit minder worden zal. Daarom, zonder onedele concurrentie te voeren, is er nog wel ruim plaats voor de nieuwe Vereeniging (wier adres is: B. W. Laan 48, Amersfoort). Moge de Heere God haar genadig willen gebruiken als een middel ter leniging van veel lijden en moge zij hiertoe steeds worden geleid in de gehoorzaamheid van Christus, naar Schrift en belijdenis!«
Dit was reeds te verwachten, zegt het blad, nadat het Kabinet verklaard had, zich met de dieper liggende beginselen niet te zullen inlaten. Het kleurlooze, dat het ministerie kenmerkt, is, naar het, zeggen van den Staatkundig Gereformeerden schrijver in „De Banier", steeds de groote vijand geweest van het Gereformeerd leven en dat zal nog zoo zijn. Jammer, dat men van die zijde nu eerst tot deze ontdekking is gekomen, anders ware op dit oogenblik veel kwaad voorkomen geworden.
Maar niet alleen is voor „De Banier" het Kabinet een droeve teleurstelling, maar het geeft ook aanleiding tot bittere klacht. Die bittere klacht wordt geuit, nu het in de Troonrede bleek, dat de Nederlandsche producten niet tegen den buitenlandschen invoer zullen worden beschermd, zoodat handel, landbouw en nijverheid door zware sociale zorgen zullen blijven gedrukt. Ook uit de vervroegde invoering van het zevende leerjaar blijkt, dat het neutrale karakter van het kleurlooze Ministerie de vijand is van het Gereformeerde.
Enkele wetten worden in de Troonrede aangekondigd. Ook een wijziging in de Kieswet. Maar, zoo klaagt „D e B a n i e r", niet een wijziging tot afschaffing van den dwang. Daarover bekommert zich deze Regeering niet.
Mogen wij even het geheugen van de leiders der Staatkundig Gereformeerde Partij opfrisschen, door er aan te herinneren dat de politiek der coalitie er op gericht was, om de binnenlandsche industrie door gepaste maatregelen te beschermen tegen den buitenlandschen invoer; dat 't zevende leerjaar, ware het Kabinet-Colijn gebleven, met als Minister van Onderwijs mr. Rutgers, zeker geen vervroegde invoering zou hebben gekregen, en wat den stemplicht betreft, het Coalitie-Kabinet-Ruys juist een voorstel deed om den dwang af te schaffen. Alle zaken, die, en terecht, den Staatkundig Gereformeerden zoozeer aan het hart gaan, Alaar dan is de vraag zeker gewettigd, of het niet de leiders der Staatkundig Gereformeerden hun eigen schuld is, dat wij in deze impasse zijn geraakt? Het Kabinet-De Geer geeft ds. Kersten en ds. Zandt aanleiding tot droeve teleurstelling en bittere klacht. Maar wat zullen zij nu doen, om den politieken wagen, die in 't zand is gereden, weer in het vaste spoor te brengen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's