STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Voorzichtigheid geboden.
De snelle groei van het Bijzonder Onderwijs gedurende de laatste jaren, verdient in meer dan één opzicht de aandacht van de voorstanders van de Christelijke School Daar is in de eerste plaats het feit, dat het Bijzonder Onderwijs gaandeweg het Openbaar Onderwijs is gaan overvleugelen. Telde de Bijzondere School op 1 Januarj 1904 ruim 269.000 leerlingen, dit aantal klom tot op 592.000 op 1 Januari 1926. Juist andersom ging het met de Openbare School die in dit tijdperk van 23 jaren haar leerlingental zag terugloopen van 563.000 kinderen op 483.000. De feitelijke toestand bij het Lager Onderwijs is dus deze, dat op 1 Januari 1926 van het aantal leerplichtige kinderen er 40% de Openbare en 60% de Bijzondere School bezochten, terwijl dit proces nog niet tot stilstand is gekomen.
Met deze cijfers voor oogen kan dus geconstateerd worden, en daarop valt in de tweede plaats de aandacht, dat de ontwikkelingsgang ten onzent van het Lager Onderwijs zich steeds breeder gaat ontplooien in de richting van het o.i. juiste beginsel; van de Bijzondere School regel en de Openbare School aanvulling. Dit gelukkige verschijnsel is een ware verrassing voor hen, die nu een kwarteeuw geleden zich in die richting de oplossing van den schoolstrijd dachten, doch niet konden hopen, de groote uitbreiding van den invloed van het Bijzonder Onderwijs nog te zullen beleven.
Maar er is nog een derde zaak, waarvan het goed is om er even op te wijzen. Dit betreft de noodzakelijkheid om toch niet te verflauwen in ijver en toewijding ter zake van wat noodig is om den bloei van het Bijzonder Onderwijs te bevorderen. Hoe dichter het eindpunt van den strijd nadert en het ideaal wenkt: de Vrije School voor heel ons volk, des te feller en te hartstochtelijker zullen de frontmakers voor de Openbare School den strijd voeren, om het terrein niet geheel te verliezen.
Reeds ziet men, dat de strijd tusschen het Openbaar en het Bijzonder Onderwijs scherper vormen aanneemt en hoe met alle mogelijke middelen getracht wordt de stichting van elke nieuwe Bijzondere School te beletten.
Daarom hebben de voorstanders van de Bijzondere School te overwegen, welke nieuwe middelen moeten worden aangewend om de verdere ontwikkeling van het Bijzonder Onderwijs mogelijk te maken. Stilstand zou hier achteruitgang beteekenen.
Is er nu voorshands alle reden om God ootmoedig te danken voor de zegeningen, welke het Bijzonder Onderwijs in zoo ruime mate mag genieten, toch mogen de oogen niet gesloten zijn voor een groot gevaar, dat van de uitbreiding van den invloed op het terrein van de school, bijzonder voor het Christelijk Onderwijs, dreigt.
Het gevaar, dat ons hier voor de aandacht staat, is dat van de verzwakking van het beginsel, waaruit het Christelijk Onderwijs leeft.
Vooral in de groote steden ziet men het verschijnsel, dat heel wat kinderen uit vrijzinnige kringen ook de Christelijke School bezoeken. Er zijn niet weinige vrijzinnige ouders, die zich met het anti-nationale en revolutionaire karakter, dat de Openbare School tegenwoordig meer en meer gaat aannemen, niet kunnen vereenigen. Daarom zenden zij hun kinderen veelmaals naar de Christelijke School, waarvan zij dan hopen, dat het „Christelijke" daar niet zal worden „overdreven". Gelukkig staan onze scholen nog te vast in het beginsel, dan dat zij aan dien drang, terwille van een druk bezoek aan de school zouden gevolg geven. Nog altijd is het Christelijk Onderwijs, het onderwijs dat wil aansluiten bij de opvoeding der kinderen in het gezin, en zijn onze scholen, Scholen met den Bijbel.
Toch is een gemengde bevolking op een Christelijke School een gevaar, een gevaar, dat niet te onderschatten valt. De toon op de Christelijke School wordt niet alleen door de onderwijzers bepaald, maar ook de leerlingen hebben hier invloed. Verheugen wij er ons dus over, dat het Christelijk Onderwijs bloeit en in leerlingenaantal sterk toeneemt, aan den anderen kant moeten wij een open oog hebben voor het gevaar, dat wij hierboven noemden, en dat zoowel schoolbesturen als onderwijzers een nieuwe verantwoordelijkheid oplegt. Voorzichtigheid, groote voorzichtigheid blijft hier geboden.
Geen afwijking.
Onlangs maakte De Banier, het officieele orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, met eenigen ophef gewag van de benoeming door de Tweede Kamer van den heer Zandt als lid der Commissie tot aanbieding van de voordracht tot benoeming van een voorzitter der Kamer aan de Koningin.
Waarom van deze benoeming expresselijk aan de leden van De Banier werd kennis gegeven, is ons niet duidelijk, aangezien elk lid der Kamer op zijn beurt in zulk eene Commissie wordt benoemd. Wat ons echter uit De Banier opviel was, dat aan de mededeeling niets werd toegevoegd. Immers zou het alleszins begrijpelijk zijn geweest, als ds. Zandt, toen de voorzitter der Kamer zijne benoeming tot lid der Commissie voorstelde, verzocht had van zulk een opdracht verschoond te blijven. Immers, waarmede de heer Zandt zich nu ging belasten, was om de Koningin te verzoeken om uit een voordracht, bestaande uit een Roosch-Katholiek, een Christelijk Historische en een Sociaal Democraat, een keuze te doen.
Echter de heer Zandt ging in pontificaal naar het paleis. De Koningin benoemde daarop in overeenstemming met de voordracht tot voorzitter der Kamer het Roomsch-Katholieke lid, den heer Ruys de Beerenbrouck. De eerste practische daad, waarvoor ds. Zandt gesteld werd, voerde hij uit als elk ander lid van de Tweede Kamer. Hier was geen afwijking van den normalen gang van zaken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's