De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

De Vrijmetselarij (17)
„Gij hebt scherpe woorden gesproken, maar het was de waarheid, de volle waarheid" — zoo sprak mijn mede „broeder" der Loge. En hij hoopte, dat ik, als jongere, zou willen meewerken om veel te veranderen en te verbeteren.
Mijn antwoord kwam hierop neer, dat ik niet geloofde aan veel veranderingen ten goede. De wet der traagheid staat hierbij altijd in den weg. En de oude, ingeroeste gewoonten zouden niet gemakkelijk weg te werken zijn; daarbij ontbrak alle lust bij de broeders der Loge, die er weinig of geen idealen op na hielden. De waarheid en het recht hebben altijd een harden strijd te voeren; zooals de zon tusschen bloedroodgekleurde wolken verschijnt, breekt ook de waarheid en het recht alleen door na een bloedigen kamp. En ik verwachtte niet, dat de Loge de moeite zou doen, om, zij 't met veel strijd en moeite, tot verandering en verbetering te komen. Lust tot die edele goederen der menschheid ontbrak geheel en al!
„Gij zijt een dichter", viel mijn metgezel, die mij op weg naar huis begeleidde, mij in de rede. „O neen! ik ben maar een gewoon, nuchter mensch", was mijn antwoord, „maar ik voel voor de waarheid, voor recht en gerechtigheid, om daarbij op te komen voor verdrukten en die in nood zijn, en juist dat wordt totaal in de Loge gemist".
We namen afscheid; ik keerde naar mijn stille woning terug, vol van gedachten.
Langen tijd had ik mijn ouden vriend Leyden niet gezien. Ik besloot hem een bezoek te brengen, en ik bevond toen, dat hij, die al lang sukkelde, hard achteruit gegaan was, wat z'n gezondheidstoestand betrof. Als vriend en als arts schonk ik mijn volle aandacht aan hem en begreep, dat dit lichaam gesloopt werd en het einde nabij was. De heer Leyden was blijde mij te zien en spoedig waren we in een lang gesprek gewikkeld, waarbij hij mij een zeer droeve geschiedenis vertelde aangaande zijn eerst zoo veel belovenden zoon, die van kwaad tot erger was gekomen en zijn vader zoo ontzaglijk veel verdriet hiermee had berokkend. Toen kwam het gesprek op de Loge. Daar zou hij — zoo ging hij voort in z'n gesprek — wel niet meer komen. En daarbij liet hij tegelijk als z'n gevoelen blijken, dat ook ik wel niet blijvend aan de Loge zou gebonden zijn, In zijn ziekte-tijd had hij over veel, ook wat de Loge betreft, nagedacht en hij wist, dat er zooveel aan ontbrak, waarbij hij vermoedde, dat ik het op den duur toch niet zou kunnen en willen uithouden. Hij klaagde er over, dat er zoo weinig geest, zoo weinig kracht in de Loge was en dat de leden der Loge in 't minst geen moeite deden om op een hooger peil te komen staan. Er was geen oefening der hersens en geen streven om in de duisternis het licht der waarheid te ontsteken. 't Was alles zoo lusteloos en zoo gelijkvloersch, dat hij wel begreep, dat ik op den duur mij daar niet thuis zou voelen en vroeg of laat zou heengaan.
Ik verzocht mijn vriend zich niet zoo druk te maken en zich vooral niet zoo op te winden, daar dit voor z'n gezondheid niet goed was. Ik zei hem, dat ik reeds lang geleden tot dezelfde ontdekking gekomen was als hij maar dat ik mijn woord gegeven had zoolang mogelijk in de Loge te zullen blijven, welk woord ik gestand wenschte te doen.
Zichtbaar verheugd hoorde mijnheer Leyden deze laatste woorden aan en zachtsprekend zei hij mij: doe alles wat gij kunt om het anders en beter te maken in de Loge; breng licht en waarheid daar, waar 't zoo donker is en strijd voor recht en gerechtigheid, om te helpen waar hulp noodig is. Mocht u dat niet gelukken, dan geef ik u het recht om tenslotte als lid van de Loge heen te gaan.
Hij verzocht mij wat dichter bij hem te komen, omhelsde mij, drukte mij een kus op het voorhoofd en nam afscheid — voor goed, want weinige dagen daarna kreeg ik bericht van zijn overlijden. Natuurlijk woonde ik de begrafenis bij en dacht met weemoed aan mijn ouden vriend, die zooveel smart had moeten dragen en ook in de Loge zoo was teleugesteld, hoewel hij het altijd verborgen had voor mij.
In de Loge was voor mij nu een ledige plaats meer, na het heengaan van den heer L e y d e n. Maar gedachtig aan 't geen ik beloofd had, bleef ik bezoeker van de samenkomsten. Toevallig was er een vacature in „het college van twaalf", waarvan de leden gekozen werden door de gezamenlijke leden der Loge. Een van het College („Beamten Kollegium" noemt dr. Dalber het in z'n brochure „Elf Jahre Freimaurer, blz. 66) sprak mij aan en zei, dat zij behoefte hadden aan een man van kennis, die als bibliothecaris en archivaris van de loge kon optreden. Hij vond dat ik daarvoor geschikt was en hij vroeg mij, of ik als lid van het College van twaalf zou willen toetreden, om dan de bibliotheek, die hopeloos in de war was geraakt, te ordenen en alzoo de Loge hierin te dienen, dat de leden weer zouden weten wat de bibliotheek bevatte, om er dan ook weer gebruik van te kunnen maken. Want nu lag alles nutteloos en niemand zag er naar om. Daarbij — zoo werd mij gezegd — kreeg ik op die manier ook een stem in het Kapittel en kon dan invloed uitoefenen op den gang van zaken in de Loge en ook voor de inwendige aangelegenheden mee stuur geven in de door mij gewenschte richting. Eerst had ik er in 't geheel geen ooren naar, maar na veel heen en weer praten liet ik mij overhalen tot een toestemmend antwoord en nadat ik gekozen was, heb ik alles gedaan om de boeken en papieren, die schandelijk verwaarloosd waren, te ordenen. Daarbij woonde ik nu ook geregeld de vergaderingen van „het College van twaalf" 'bij.
Toen de catalogus van de bibliotheek klaar was — menige vrije Zondag was er voor opgeofferd — en alles was gerangschikt, hoopte ik, dat er nu een druk gebruik van gemaakt zou worden. Maar die hoop werd niet vervuld. Niemand keek er naar om. Bibliotheek en leeszaal bleven ledig. Er was totaal geen belangstelling om te lezen of iets te onderzoeken. Een nieuw bewijs voor mij, dat de leden van de Loge zonder eenig hooger ideaal waren, dan om samen uren en avonden door te brengen met alledaagsche gesprekken en verder niets uit te voeren!
Intusschen moest ik invallen voor den 2den Voorzitter, die mij verzocht den volgenden Zondag, bij gelegenheid van het St. Johannesfeest, zijn functie waar te nemen en de vergadering te leiden met al de ceremoniën, die daarbij gewoonlijk plaats hadden. Ik wilde den man niet in de moeite brengen en stemde toe. Bij de feestelijke samenkomst had ik nu de leiding en inplaats van mij stiptelijk te houden aan alle vragen, symbolische handelingen, ceremoniën, enz., leidde ik alles op een eenigszins andere en wat vrijere manier. Dat scheen wel in goede aarde te zijn gevallen en het feit deed zich voor, dat ik weldra inplaats van bibliothecaris en archivaris te zijn, de functie van 2den Voorzitter had waar te nemen.
Toen kwam weer de tijd, dat de leden van „het College van twaalf" gekozen moesten worden door de Loge. En nu wilde men inplaats van den aftredenden eersten Voorzitter, die gewoon was niets uit te voeren, een jongen, flinken man kiezen, om zoo tot een betere leiding der Loge te komen. Men zou mij tot 2den Voorzitter kiezen. Maar het lukte niet om een anderen 1sten Voorzitter te krijgen. Ook ik had tegen de herkiezing van den tegenwoordigen functionaris geprotesteerd en gezegd, dat er een man moest worden gekozen, die praten kon en die er voor voelde alles flink aan te pakken en zich te geven voor het werk, om het met lust uit te voeren en niet zich te vergenoegen met langs platgetreden paden te gaan. Maar ik verloor het bij de stemming en de Voorzitter vergaf mij nooit, dat ik tegen hem geopponeerd had. Telkens moest ik er iets van hooren, ook in „het College van twaalf", en ik voelde, dat er gestookt werd onder de leden. Velen waren als poppen in de hand van een enkele, om willoos te doen wat men verlangde. En de verhouding werd telkens pijnlijker, waarbij ik niet kon dulden, dat een karakterloos mensch, zonder eenig ideaal, werd gehandhaafd en door ieder werd voorgesproken. Wij hadden werkelijk gedaan wat we konden, om het Logeleven op hooger peil te brengen en we hadden gehoopt, dat het langzaam vooruit zou gaan, maar gemakzucht en eerzucht verhinderden allen verderen voortgang in den goeden weg. Gekonkel en geknoei bedierven alles. En de schimpscheuten en plagerijen en beleedigingen bleven aan ons adres niet uit.
De Roomsche Kerk, bizonder de Jezuïeten, vreezen de Loge. Ze spannen alle krachten in om den invloed van de Loge te breken. Eigenlijk is dat bespottelijk en belachelijk, wat de Roomsche Kerk doet. Want de Loge beteekent niets. De Loge is in geen enkel opzicht gevaarlijk, omdat de Loge dood is, dood door karakterloosheid, lusteloosheid, gebrek aan kennis, gebrek aan weten en willen. De Loge is het aankijken niet waard! — — — (blz. 71—72).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's