FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
39)
In den tuin waren nog wel geen rozen en lelies (want die komen later), maar wel tulpen en hyacinthen, muurbloemen, viooltjes, vergeetmenietjes en lelietjes van dalen; seringen en gouden regens bloeiden, en de abrikoze-, perzike-, pruime-en vroege pereboomen eveneens. Witte kapellen waren uit haar omhulsel gekropen en vlogen van bloem tot bloem, en de bijen lieten zich hooren, nu zij met veel genot den eersten honing verzamelden.
Wat een pracht en schoonheid! Hoe riep alles Gods grootheid uit!
Ook tuinman Van Leeuwen had het druk. Er was al heel wat gezaaid, gepoot en geplant; en hoe netjes zag het er alles uit in den groeten tuin. In de broeibakken waren de eerste groenten reeds klaar; elke week moest er een groote mand vol naar Amsterdam verzonden.
„'t Is warm, vader", zei Gerrit, die flink zijn vader hielp.
„Ja, jonge, warmte moeten we hebben in dezen tijd, anders komt er niet veel van terecht. Maar God geeft alle jaren weer alles op zijn tijd, daar kunnen we op rekenen".
Rika kwam vader en Gerrit roepen om koffie te drinken, en meteen zeggen, dat er een brief van Hein was gekomen.
„Dan zulten we even rusten, Riek. Dat komt Gerrit wel goed uit; die heeft het al warm genoeg".
„'t Is vanmorgen ook warm, vader", zei Rika, terwijl ze rond keek. „En wat is het toch alles mooi hier, net een feest".
„Ja, kind, de lente is de schoonste tijd van 't jaar, zij brengt elken morgen wat nieuws, 't is alles nieuw en frisch, jong en teer; 't gaat mij soms aan mijn hart het af te snijden".
„Maar dat moet toch, vader? " zei Gerrit.
„Zeker, jonge, daarom doen wij het ook. Wij moeten dankbaar zijn dat wij het mogen doen, dat God het laat groeien, opdat wij het niet alleen zien, maar ook gebruiken zouden.
Zij gingen naar huis. Vader had al spoedig Hein's brief geopend, terwijl omoe koffie inschonk. 't Was een groote brief en Van Leeuwen was weldra zoo in 't lezen verdiept, dat hij de koffie vergat.
„De koffie wordt koud, Jan; goede berichten van Hein? "
„Ja, extra best, moeder", en vader las door. 't Was dan ook wel de moeite waard. „Wat een brief, omoe! Hoor eens, 'k zal hem u voorlezen".
Omoe, Rika en Gerrit luisterden alle drie met aandacht. „Wel, wél", zei oude Geertje, „'t is een wonder, Hein is terecht gebracht, Jan; God heeft ons gebed verhoord".
En 't was lente ook in omoe' s hart, zij schreide van blijdschap. Lezen wij niet in den Bijbel, dat ze frisch en groen zullen zijn in den ouderdom? Nu, zoo ging het haar; het was lente ook in het tuinhuis. Hoe druk zij het ook hadden, het werk werd vergeten, Hein's brief nam allen en alles in beslag. Vader had hem gelezen, omoe zocht haar bril in de tafellade en las hem nogmaals met allerlei uitroepen van verwondering en blijdschap.
Wat stond er dan in dien brief?
Wij zullen het vertellen.
In den laatsten tijd had Hein dikwerf geschreven. Vroeger kwam er maar zelden een brief van hem, en deze waren kort en koud. Maar dat was anders geworden, sinds Rika er geweest was. Omoe had wel gemerkt, er was iets gaande met Hein, de Heere werkte in hem; hij kon nog wel terecht gebracht worden en zij had volhard in het bidden voor hem, zijn vrouw en kinderen.
Dat ds. Stevens er geweest was, wisten zij; Hein had dat dadelijk geschreven. Maar niet, dat de dominé had voortgezet, wat Rika was begonnen, of liever, dat de Heere ook ds. Stevens gebruikte tot heil van Hein's gezin.
Toen de kleine Jan op dominé's knie zat en zeggen moest, waarom hij zoo graag wilde dat tante Rika terug zou komen, had hij vrijmoedig geantwoord: „Omdat tante zoo mooi vertellen kon uit den Bijbel en hen versjes leerde van Jezus". De dominé zei, „als tante Rika niet komen kan, dan moet moeder nu maar vertellen". Jan zag even moeder aan, maar zei niets, alsof hij haar niet beschaamd wilde maken tegenover dien vreemden man. Maar zij werd toch beschaamd; zij was jaloersch op hare schoonzuster, en 't was alsof de dominé daarvan iets merkte en daarom zei: „Ja, juffrouw Van Leeuwen, als een moeder hare kinderen voor goed aan zich verbinden wil, kan zij niet beter doen dan Jezus als band te gebruiken".
Dat woord was er in gegaan. Zóó was het; tusschen tante Rika en de kinderen was een band gelegd, en daarom hielden zij zooveel van tante. Maar het waren toch hare kinderen en zij had ze lief. „Waarom kon zij niet aan hare kinderen geven, wat zij van Riek ontvangen hadden en altijd weer begeerden?"
Marie dacht er ernstig over na, sprak er met haar man over en 't liet haar geen rust meer. Toen zij ziek was, had zij geen predikant willen ontvangen, nu begeerde zij dat die dominé terug kwam om haar te zeggen, wat zij doen moest. Maar ook zonder ds. Stevens begon zij er iets van te verstaan. De kinderen hielden niet op aan de deuren van vaders en moeders hart te kloppen; en deze gingen langzamerhand open".
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's