De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

De Vrijmetselarij (18)
Twee volle jaren hield ik het als voorzitter uit — schrijft dr. Daiber — toen zich een heel onaangenaam ding voordeed, dat weer een treurig licht deed opgaan over de loge en de toestanden, die daar gevonden werden, 't Is daar wel de echte „menschenpmn" en de echte „beschaving", die men vindt! Ook hier geldt het: „Cherchez la femme!"
De vrouw van een mijner medeleden van de Loge bezocht mij en vertelde mij haar lijdensgeschiedenis! Ik stond er van verstomd, toen ik alles aangehoord had. Ik zei haar, dat ik mij onmogelijk met deze dingen kon bemoeien en verzocht haar niet weer bij mij terug te komen. Maar zij herhaalde haar bezoek en telkens kreeg ik weer die in-droeve familiegeschiedenis, zoo vol van huiselijk leed, te hooren. Of ik wilde ot niet, ik moest mij er ten slotte mee inlaten, sprak er met anderen van de Loge over en bemerkte wel, dat men er niet vreemd van opkeek. Ook sprak ik met den man in kwestie, vermaande hem als vriend en medebroeder, herinnerde hem aan vrouw en kinderen, en wetende dat zijn vrouw altijd een goede echtvriendin en moeder was geweest, bond ik hem op het harte zijn eigen vrouw niet te vernederen, door zich met een andere vrouw in te laten. Maar het baatte niets, alles bleef zooals het was.
Men drong er bij mij op aan, dat ik mijn plicht als Voorzitter zou doen en de zaak in de Loge zou behandelen. Eindelijk bracht ik het in de Commissie-vergadering, maar al spoedig bemerkte ik, dat ik mijn hand in een wespennest had gestoken. Ik bemerkte ook de erbarmelijke karakters en de huichelachtige moraal bij velen. Men nam den schijn aan van alleen op „bewijzen" te willen handelen in deze zaak, maar de werkelijkheid was, dat men het zoo erg niet vond en dat men om zulke dingen niet iemand uit de Loge wilde stooten. Bewijzen ran menschen buiten de Loge, wilde men niet aanvaarden. En in de Loge vergoelijkte men alles. De zaak werd telkens uitgesteld. Op aandringen van den eersten Voorzitter nam ik nog niet mijn afscheid van de Vrijnicfselarij, maar het was er nu haast toe gekomen. Om wel en wee van een familie gaf men blijkbaar niets. Er moest maar gras over deze zaak groeien, dan was het weer voorbij. En als ik dan later wilde heengaan, dan zou men ten slotte geen belemmering meer in den weg stellen; maar om „hangende deze zaak" heen te gaan, vond men gevaarlijk en daarom verzocht men mij het  n i e t  te doen. Mijn blijven gaf den eerloozen echtgenoot den moed mij aan te klagen, zeggende, dat ik zijn goeden naam had durven aanranden. Maandenlang duurde deze geschiedenis. Een eere-raad werd benoemd. Maar men bewees, dat de moraal was: „een medebroeder moet men niet afvallen!" Mijn besluit was genomen, diende mijn ontslag in, maar de broeders die hadden gezegd met mij tegelijk te zullen heengaan, bleven heel kalm en men was er niet weinig trotsch op, toen hij mijn eere-plaats mocht innemen. Hij heeft er nog jaren van genoten! Mijn belofte, mijn ouden overleden vriend Leyden gedaan, had ik gehouden. Zo o  l a n g  m o g e l ij k  had ik gewacht en  z o o  l a n g  m o g e l ij k  had ik het bij de Vrijmetselarij uitgehouden, maar nu ging ik heen, omdat het mij telkens duidelijker werd, dat, een enkele uitgezonderd, de leden van de Loge mannen waren zonder hoogere idealen, geenszins dat gezelschap van brave, deugdzame mensahen zijnde, zoals ik het had verwacht. Noch voor de Loge zelf, noch voor de gemeenschap ging er enige kracht ten goede van hen uit.
Ik ben nu oud geworden. Mijn voorhoofd is van zorg doorploegd, op mijn hoofd doen de haren denken aan witte sneeuw — ik heb veel doorgemaakt, ik heb veel alleen ook moeten dragen — maar van mijn heengaan uit de Loge heb ik nooit spijt gehad. En ik heb van de Vrijmetselarij verteld, wat ik er van vertellen kan en moet.
Van de Vrijmetselaars - teekenen heb ik niets gezegd. Dat heb ik beloofd, nooit te zullen doen. 'k Heb het ook niet gedaan. Maar ik heb die symbolische teekenen nooit meer gebruikt; ze zijn mij te kinderachtig!"
Tot zóóver het boekje „Elf jahre Freimaurer" van dr. Albert Ludwig Daiber; welk boekje bij duizenden en duizenden exemplaren In Duitschland en daarbuiten is verspreid. (Stuttgart. Walter Hüdecke).
„Ik ben een ideaal armer, een droeve ervaring rijker geworden", was het getuigenis van dr. Daiber.
En ja — dat de Vrijmetselaar vol idealen is wanneer hij begint, is bekend. De Loge is immers het beste van het beste. Veel beter dan de Kerk. Veel beter dan de godsdienst. De ware broederschap en de ware beschaving vindt men in de Loge en de Vrijmetselaars zullen de wereldruïne herbouwen en maken tot een huis der vreugd, staande in het midden van een gelukkig land, een vreedzaam volk, hier en in alle werelddeelen.
In een oud boek Algem. geschiedenis der Vrijmetselarij door Emmanuel Rebold, Gouda, G.B. van Goor, 1852 — vonden we een inlegblad met een geschreven gedicht, waar boven staat „Kanonnade, afgestoken op St. Jan in de Loge De Friesche Trouw, den 22sten December 1871 door Br. J. Troelstra. Dat vers luidt:
De moedige jeugdige zwerver, zwierf dagen en maanden in 't rond, of hij ook de waarheid mocht vinden, of hij ook de ruste soms vond.
Op 't stoppelveld der theologen, had hij zijne schreden gezet; maar immer vond hij zich bedrogen, elk licht bleek een dwaallicht te met.
Hij klopte aan de tempels der christenen, hij klopte aan Pagode en Moskee, Jehova's aanbidders ontsloten, hun wetsrol, hun talmud hem mee.
Hij hoorde van Brahma en Boeddha, van Vischnoe en wat al niet meer, hij vond slechts, waarheen hij zich wendde, een zinlijk kunstmatige leer.
Zij hadden een stelsel ontworpen, en daarnaar hun Godheid gekleed; en elk van hen riep: hier de mijne, de ware, en ik haar profeet!
Gij moogt aan haar kleedje niet tornen, geen lintje noch strik kan er af, aanbid haar zooals wij ze u toonen, en rust is uw heil tot aan 't graf !
De God van die andren is Baal, zij zelf zijn voor eeuwig verdoemd, en de eind'looze straf zal hen treffen, die andere goden slechts noemt.
Maar ziet, onze zwerver zocht waarheid, geen God naar een stelsel gemaakt; de groote en dreigende woorden, zij hadden zijn hart niet geraakt.
Hij wendde zich af van hen allen, met weemoed en weerzin in 't hart, en zwierf weer het stoppelveld over, zijn oog vol van droefheid en smart.
Zijn rug was gekromd van het zwerven, zijn knieën zij beefden a'ls riet, zijn wangen verbleekt en vervallen, zijn voorthoofd droeg 't merk van verdriet.
Het spook van vertwijfeling ontmergde 't gebeent van den zwerv'ling al meer, zijn harte werd koud en versteende, zijn geest was niet vlug als weleer.
Gefolterd door 't vruchteloos vragen, naar ziel en naar lichaam vermoeid, klopt hij aan de deure des tempels, door alle gezindten verfoeid.
Heeft hier, naar die needrige zalen, geheimvol en weinig gekend, de schuchtre godinne der waarheid ook soms hare schreden gewend?
Ik vond ze niet ginder, in kerken wijd opengesteld voor elk een, waar men, als bij trommelslag predikt: hier, hier is de waarheid alleen!
Ja, mogelijk dacht ze haar kuischheid, haar reinheid soms daar aangerand, en heeft nu die heiige godinne, hier wellicht haar altaar geplant ?
En hem werd de deure geopend, de blinddoek bedekte 't gezicht, als beeld hoe elk tast in het duister, hoe elk hier moet zoeken naar licht.
Men zeide hier: Mensch ken u zelven! uw beeld is de hoekige steen, uw taak is hem kubiek te maken, uw loon zelfvoldoening alleen.
Ge treft op uw weg door dit leven, zoo menige hindernis aan ; maar neem tot uw leidsvrouw : de rede, den godsdienst tot staf op uw paan.
Zij reikt den versterkenden beker u toe met milddadige hand; hoe moeilijk de strijd ook mag wezen, uw hart blijve aan 't reine verpand!
Legt soms ook de vijand u lagen, valt hij vaak in 't duister u aan; steeds blinken u lichtende sterren, gij zult in den strijd niet vergaan.
O, Meester! zoo sprak nu de zwerver, dit alles is heerlijk en schoon! Maar zeg mij nu, wat is uw stelsel? verklaar mij, wat zijn uw geboon?
Wij hebben, o jongeling, geen stelsel, geen leer ketent hier uwen geest; we hebben eenvoudig: beginselen, we erkennen de liefde als 't meest. 
We eeren den Bouwheer van alles als heerscher op ieder gebied; wij noemen zijn naam steeds met eerbied, zijn Wezen omschrijven wij niet.
Wij kennen niet eens toch onszelven, noch 't leven van 't nietigst insect. Wie leeft er dan die ons de kennis des eeuwigen Bouwheers verstrekt?
Wij leven hier allen in raadselen, wij tasten en voelen hier rond, in 't zoeken ligt hier onze roeping; niet één die de waarheid reeds vond.
„Wat zegt gij, o Meester, de waarheid toeft niet op ons pad?"
„Neen, jongeling, wij leven in schemering, de waarheid is eeuwig, is God".
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's