UIT DE PERS
Met instemming lazen we en nemen hier over een artikel van dr. J.Ch. Kromsigt te Oostwold in de „Geref. Kerk", het orgaan van de Confessioneelen. Het artikel luidt als volgt:
FORMULES.
Door enkele predikanten is met instemming van eenige classicale vergaderingen bij de Synode een voorstel ingediend tot wijziging van de proponentsformule. Hierover schrijft prof. Ohbink in het „Weekblad voor Christendom en Cultuur" van 15 Juli j.l. het volgende:
„Zij, die in de Hervormde Kerk proponentsexamen hebben afgelegd, moeten voordat zij den „bul" in ontvangst nemen een schriftelijke verklaring onderteekenen, waarin o.a. de woorden voorkomen „overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Herv. Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen". Deze formuleering dateert van het jaar 1888. Ze heeft in haar kortstondig bestaan een moeilijk leven gehad. Onophoudelijk is ze bestookt en meer dan eens was ze in doodsgevaar. Tallooze samenzweringen zijn tegen haar beraamd en sommige werden ter nauwernood en op het laatste oogenblik afgewend".
In 1906, 1912, 1914, 1915, 1916 kwam het tot formeele aanslagen op haar leven. De oorlogstijd en de hobbelige jaren na den wereldoorlog schonken haar een weinig verademing: andere dingen vroegen toen de aandacht. Maar nu begint het weer. In de stille saaiheid der Classicale Vergaderingen klinken weer oorlogskreten; weer staat men haar naar het leven".
In dien trant gaat het dan door in het heele artikel. Uit verheven hoogte ziet de Hoogleeraar neer op dat minderwaardig gedoe, 't Heele artikel is berekend op lachsucces. De verdedigers van het voorstel loopen zoo kans om uitgelachen te worden in en buiten de Synode.
Nu zijn er metterdaad dingen, die verdienen vanuit de hoogte behandeld en met een glimlach op zij gelegd te worden. Ook zijn er wel dingen, die verdienen bespottelijk gemaakt en met spot doodgeslagen te worden.
'k Vraag mij echter af, of hier nu zoo'n ding is. En zoo niet, of deze hoogheid dan niet is onbetamelijke hooghartigheid en deze bespotting niet is een handelwijze, minderwaardig en verlagend voor een overigens hoogstaand man.
't Bedoelde voorstel is niet van ons uitgegaan, hoewel wij het gaarne willen steunen.
Wij gelooven met prof. Obbink niet, dat alle heil aan formules hangt, 't Komt ons toe van de g e e s t e l ij k e w e r k e l ij k h e i d, die door de formules wordt aangeduid. Wij gelooven niet aan het alleenzaligmakende van onze Christus b e l ij d e n i s, allerminst van onze belijdenis f o r m u l e. Wat bij onze belijdenis en onze prediking van den Christus uit ons is, is al te gebrekkig. Wij gelooven aan het alleenzaligmakende van den Christus, dien wij belijden en van wien wij getuigen. Wij gelooven in Jezus' alleenzaligmakenden Naam — Hand. 4 vers 12.
Maar dat beteekent toch niet, dat de formule er in 't geheel niet op aankomt. En we denken er niet aan om met deze betuiging een gebruiken eener gebrekkige formule, dat aanleiding geeft tot een dubbelzinnige praktijk, maar goed te praten en te handhaven.
En daar gaat het hier om. De formule: „het evangelie van Jezus Christus", bleek metterdaad aanleiding te geven tot dubbelzinnigheid. Het blijft hier n.l. onduidelijk of Jezus Christus van dit evangelie alleen prediker of ook middelpunt en inhoud is.
Prof. Obbink voelt dat echter niet als een bezwaar. Hij zegt n.l.:
,,Ik ben geen bewonderaar van de tegenwoordige proponents-formule in haar vaalbleek gewaad en den oudenwetschen snit van haar kleed, en ik zou het best vinden als ze door een wat fleuriger zuster in frisscher kleuren vervangen werd. Maar dan in geen geval als vrouwelijke politie-agent, geposteerd aan de kerkdeur, om de a.s. dominé's naar hun „geloof" brief te vragen. Dat is een onwaardig en nutteloos bedrijf. Wie meent geestelijke stroomingen met formules te kunnen leeren, heeft weinig psychologisch inzicht en weinig historisch besef".
Moeten dan in ieder geval de a.s. dominé's de vrijheid hebben om zonder „geloofsbrief" de kerk binnen te gaan en daarbinnen te prediken, een evangelie met of zonder Jezus Christus en dien gekruist tot inhoud, al naar zij dat willen?
Daartoe kan zeker deze vaalbleeke formule beter dienen dan een fleuriger zuster.
Maar is het dan toch niet veel waardiger om aan de proponenten, wat de professor in hoogeschooltaal hun „bul" noemt, te geven zonder dat ze eenige verklaring onderteekenen? Voor de aanvaarding van allerlei wereldlijke ambten moge dan nog een ambtsbelofte, zelfs een ambtseed noodig zijn, die ook wel wettelijk gehandhaafd worden kan, 't is ver beneden de waardigheid van dominé's om eenige band te verdragen! Hun „vrijheid" zij ongebonden! Evenals die van belijders, die ook tot het belijdend lidmaatschap moesten toegelaten worden zonder eenige belijdenisfonmule, in vraagvorm hun voorgelegd, te aanvaarden!
Zoolang echter nog niet alle formules zijn afgeschaft, behooren ze door hun dubbelzinniigheid deze vrijheid te waarborgen!
Maar waarborgen ze zoo metterdaad „vrijheid"?
O.i. werken deze dubbelzinnige formules heel iets anders uit. Dit n.l., dat geestelijke ongebondenheid saamgaat met uitwendige gebondenheid.
Deze dubbelzinnige formules dienen nu slechts om formalistisch reglementair saam te binden wat geen geestelijke eenheid, maar een innerlijke tegenstrijdigheid vormt. De dubbelzinnige proponentsformule dient om predikers, die een Christendom, waarvan Jezus Christus middelpunt en inhoud is, prediken, saam te binden met hen, die dat verwerpen. De door de toevoeging der woorden „geest en hoofdzaak" krachteloos gemaakte b e l ij d e n i s f o r m u l e, bewerkt een dergelijke ongeestelijke, formalistisch reglementaire saambinding van belijders. Beide formules samen worden gebruikt om in stand te brengen en te houden een formalistisch-reglementaire eenheid, die verhindert, dat onder predikers en belijders onzer Kerk het „unes in Uno", de eenheid in Christus, de Christocentrische eenheid van Christus' lichaam, kerkelijk tot openbaring komt.
Wat ons betreft, wij achten voor het gebruik in de aardsche, de strijdende Kerk, formules onmisbaar. En als hun gebrekkigheid blijkt, dan kan dit geen aanleiding zijn ze geheel af te schaffen, maar ze door verbetering zoo veel mogelijk te vrij waren tegen misbruik, opdat ze aan een g e e s t e l ij k e eenheid en niet aan een alleen formalistisch reglementaire eenheid dienstbaar mogen zijn. Daartoe behoeft echter o.i. onze Kerk niet slechts nieuwe formules, maar algeheele reorganisatie. Ook formules op zichzelf echter zijn onmisbaar en gewichtig. Hoezéér: dat blijkt uit de Schrift duidelijk genoeg.
Toen Simon Jona's zoon van Jezus beleed: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", zeide Jezus niet: „Spreek toch zoo 'n formule niet uit. Ik begeer zoo'n proponentsformule en zoo'n belijdenisformule niet. Dat leidt maar tot formalisme". Neen, Hij hechtte aan de belijdenis in deze formule plechtig Zijn zegel en zeide: „Zalig zijt gij, Simon Bar Jona; want vleesch en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. En ik zeg u, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen".
Wel wist Jezus heel goed, dat er dood formalisme bestaat en dat er mondbelijders zijn. Hij zeide het uitdrukkelijk: „Niet een iegelijk, die zegt „Heere, Heere" zal ingaan in het Koninkrijk Gods".
Toch zeide Hij niet: „Alleen op de vroomheid des harten komt het aan en alle uitwendig belijden is maar nutteloos, onvruchtbaar confessionalisme". Neen, Hij zeide: „Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is. Maar zoo wie Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijnen Vader, die in de hemelen is".
Moge ook onze Kerk Hem belijden, zij het gebrekkig, in gebrekkige formules en fonmulieren, in gebrekkige uitdrukking in woord en daad, toch b e l ij d e n, opdat haar Hoofd haar niet verloochene voor Zijnen Vader.
En als het dan waar is, dat niemand, geen persoon en geen Kerk, recht kan belijden, recht kan zeggen „Jezus de Heere te zijn", dan alleen door den Heiligen Geest, dan is ook dat voor een Kerk geen reden om het zeggen van die formule maar na te laten, maar om het te zeggen, daarbij gedurig biddend om den Geest, die 't rechte zeggen leert. Zóó zullen haar, op deze petra gebouwd, de poorten der hel niet overweldigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's