MEDITATIE
Een goed besluit
»Ik zal hooren wat God de Heere spreken zal«. Psalm 85 vers 9a.
Een goed besluit.
Wat een voorrecht is het, ooren te hebben waardoor we kunnen hooren!
't Gaat echter ook hiermee als met zooveel andere zaken: zoolang we ons in het bezit er van verheugen mogen, tellen we 't niet, maar — zooals het spreekwoord zegt — ontberen leert waardeeren. Wat zijn er niet vele menschen, die heete tranen hebben geschreid toen ze ondervonden — tot hun schade en schande dikwijls — dat we onze ooren hebben gekregen om te luisteren naar den goeden raad van hen, die ons waarachtig welzijn bedoelen. En wat is dat noodig in onzen tijd, waarin de drukpersen steeds sneller draaien en de keuze van onze lectuur steeds ruimer wordt, terwijl het getal van hen, die door het gesproken woord invloed begeeren te oefenen, als met den dag grooter wordt.
„Die ooren heeft om te hooren, die hoore", zoo sprak eens Jezus, die „de mond der Goddelijke Waarheid genoemd wordt, en Hij wilde daarmee zeggen, dat men maar niet klakkeloos moet luisteren, het eene oor in, het andere uit, doch er naar staan om te begrijpen hetgeen gesproken wordt en er zijn voordeel mee doen.
Maar dat juist wordt zoo moeilijk! Want een ieder predikt zijn meening als de meest juiste met gloed van overtuiging u aan, zoodat menigeen, die zijn oor te luisteren heeft gelegd hier en daar, in de warreling van theorieën en stelsels het spoor bijster is geworden en er toe overhelt om met Pilatus sceptisch uit te roepen: wat is waarheid.
En toch is het ook weer zoo gemakkelijk! Dan n.l., als we, door genade, doen als de psalmist, die zei: „Ik zal hooren, wat God de Heere spreken zal".
Dat is de ware houding, die den mensch betaamt: te luisteren naar Hem, die zegt in Zijn Woord: Hoort, en uw ziel zal leven. Maar de meeste menschen denken niet aan het leven hunner ziel. Velen zijn zich zelfs niet meer bewust dat ze een ziel, voor de eeuwigheid geschapen, hebben, en op niet anders is de natuurlijke, onwedergeboren mensch bedacht dan op het antwoord van de vraag: Wat zuillen we eten, wat zullen we drinken, hoe zullen we vroolijk zijn? En het rumoer dat op die jacht naar geluk gemaakt wordt, is zoo groot, dat ze niet verstaan de stem van Hem, die zegt: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als „iemand Mijn stem zal hooren en open doen, Ik zal tot hem ingaan en met hem avondmaal houden en hij met Mij". Hij, die zoo spreekt, schreeuwt ook niet en verheft Zijn stem ook niet op de straten. Op de marktplaats des levens, waar het jachtende zakenleven of het ingespannen genotzoeken den mensch volkomen in beslag neemt, daar kan men Hem niet hooren, die zegt: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven".
Neen, weet ge waar ge naar Hem luisteren kunt? In de stille eenzaamheid, wanneer alles wegvalt wat u verhinderen zou uzelf te zien, zooals ge zijt: een zondaar voor God —, maar óók in de samenkomsten der gemeente, waar de gemeenschap der heiligen geoefend wordt en allen één van zin zijn om te hooren, te hooren naar wat God de Heere spreken zal.
Zoo moet ons leven zijn. Een luisterend leven! Niet enkel naar wat menschen zeggen, noch naar wat wij zelf willen; niet naar de wereld, maar naar God. Als schepselen Gods, verordineerd om beelddragers Gods te zijn op de aarde, betaamt ons dat reeds.
Hoeveel te meer dan, waar we, dat beeld Gods verloren hebbende door de zonde, verduisterd zijn geworden in ons verstand, verijdeld in onze overleggingen, verdorven in onzen wil en genegenheden.
Dan alleen zal ons leven waarlijk leven, d.w.z. genieten zijn, wanneer we luisteren naar God, van Wien in een anderen psalm wordt gezongen:
Bij U, Heer, is de levensbron,
Uw licht doet klaander dan de zon
Ons 't heuglijk licht aanschouwen.
God, de Bron van dat leven, dat waarlijk Leven is, d. w. z. genieten zonder wrange vrucht of bitteren bijsmaak, in tegenstelling met het natuurlijke leven, dat niet anders is dan een gestadige dood, — God is het, naar Wien de psalmist besluit te hooren.
Andere sprekers mogen het oor der menigte boeien, maar naar de stem van God, den Heere, die trouwe houdt tot in eeuwigheid, te luisteren, is de begeerte van allen, die in de omstandigheden van den dichter verkeeren. In het begin van zijn lied heeft hij vermeld dat God weer welbehagen heeft gehad in Zijn volk en het niet heeft gelaten in de macht der vreemden, die het hadden overmeesterd. God heeft de zonde bedekt en opgehouden te toornen.
En toch — als er nog zooveel is, dat elkens weer zeggen doet dat men nog onder den toorn is — als God met de eene hand schijnt te geven en met de andere weer te nemen.
Als de dichter Gods doen niet begrijpt en Gods wegen hooger blijken dan de zijne, dan stort hij zijn hart uit in het gebed: Breng ons weder, o God onzes heils, en doe uw toornigheid teniet over ons". En door dat gebed toont hij tot dien God in betrekking te staan. Hij gelooft dat de Heere geen lust heeft in den dood van den goddelooze, maar daarin dat hij zich bekeere en leve want dat heeft God immers zelf gezegd en Hij heeft het ook bewezen in de zending van Zijn Eengeboren Zoon, Christus Jezus en toch, zijn geloof schrompelt ineen onder den druk der omstandigheden en wat voor het geloof alzoo wonderlijk is — wie zal zich vermeten den raad Gods te doorzoeken — dat is voor het kleingeloof onmogelijk te doorgronden. Hij is als een drenkeling, die dreigt te verzinken, maar die met saamraping van alle krachten nog één kreet om redding uitstoot: „Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Toon ons Uw goedertierenheid, o Heere en geef ons Uw heil!" Want bij alle innerlijke aanvechting en bij alle bestrijding waaraan hij van buitenaf is blootgesteld, staat het voor hem vast:
De Heer is recht in al Zijn weg en werk.
Zijn goedheid kent in 't gansch heelal geen perk.
En nu zijn er altijd geweest en er zullen er altijd blijven: menschen, die net als de dichter van onzen psalm gekweld worden door de benauwende ervaring van de tegenstelling tusschen theorie en praktijk, tusschen belijdenis en persoonlijke bevinding. Telkens kunnen we ze weer ontmoeten, van die gedesillusioneerde menschen, onder alle standen en in alle kringen der maatschappij: oude menschen, die aan 't eind van hun leven tot het bittere besef komen dat hun levensbeschouwing — hoe voortreffelijke theorie het ook mocht zijn over de vraag: hoe kom ik door de wereld, — ten eenenmale niet bij machte blijken te zijn om den angst voor het: uit de wereld moeten, den angst voor den dood weg te nemen.
Wat zijn er niet een jonge menschen, vrouwen en mannen, die vroeger of later hebben ondervonden, vaak tot hun bittere smart, dat de dingen niet zijn wat ze schijnen en dat menschen, naar wie ze geluisterd hadden in volle overgave, omdat ze zich gidsen noemden op het pad naar het wondere geluk — onbetrouwbaar bleken te zijn.
Maar ook onder hen, die opgevoed zijn in de vreeze Gods en in de H. Schriften, die ons wijs kunnen maken tot zaligheid, zijn onderwezen — wat heeft menigeen het geloof zijner jonkheid verloren omdat ze maar niet overeen brengen konden de belijdenis van Gods rechtvaardigheid en Gods liefde met de beleving van zooveel ongerecrhtigheid en ellende.
En ja, laten we er maar voor uit komen, zelfs dan, wanneer God in ons leven zich geopenbaard heeft en Hij door de werking Zijns Geestes, die in ons uitgestort werd, tot een levende persoonlijkheid voor ons werd, zelfs voor Gods kinderen — hoe dikwijls beleven ook zij tijden, dat ze met Asaf zuchten:
'k Schatte mij geheel verloren;
Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosd' ik niet dan klacht op klacht.
Wanneer de slaap van onze oogen wijkt en we door al het verdriet verslagen zijn — dan: o, behoed dan uw hart boven al wat te bewaren is, — want het gevaar is dan zoo groot dat ge menschelijk zoudt gaan denken van God, alsof Hij een God van ja en neen, en niet van ja en amen zou zijn — het gevaar is dan zoo groot, dat ge uw oor te luisteren zult gaan leggen naar hen, die zeggen: waar is nu uw God?
De onheilige geest, die uitgaat van den Satan, die een vader der leugenen is geweest en de verderver der menschen in den beginne — kan alleen dan worden uitgebannen en met vrucht bestreden, wanneer een voortdurend gebed om de inwerking van den H. Geest bij ons wordt gevonden; wanneer Gods Geest ons inleidt in het heiligdom om de wonderen gade te slaan van oudsher — om nauwkeurig op Zijn werken en hun uitkomst op te merken. Dan komt na lijden weer verblijden — als de H. Geest, die in allle waarheid Gods kinderen leidt, hen troost en bij hen blijft, weer leert zingen:
Heilig zijn, o God, Uw wegen,
Niemand spreek' Uw hoogheid tegen.
Wie, wie is een God als Gij,
Groot van macht en heerschappij?
Dan wordt het antwoord op de bange vragen, die onze ziel benauwen, niet gezocht bij menschen, maar met den psalmist zegt ook ons hart: „Ik zal hooren wat God de Heere spreken zal", en in één adem laten ook wij er dan op volgen: „want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenooten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keeren".
Als onze ziel, door den H. Geest gedreven, met al zijn nooden zich tot God leert begeven — dan zijn we op de rechte plaats, op de plek, waar we wezen moeten om met God bevredigd te worden — wachtende op den Heere, onze sterkte zoekend in Hem, bij Wien geen verandering is noch schaduw van omkeering — wachtende om te hooren wat Hij spreken zal — en het toch al te weten want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenooten van vrede spreken, vrede, door het bloed des Kruises.
Kent ook gij het? Hebt ook gij dat goede besluit al genomen? Om biddend te luisteren naar Gods Woord; om aandachtig luisterend te bidden om dien vrede Gods, die alle verstand te boven gaat?
Want welgelukzalig is de mensch, die Gods stem heeft gehoord, het hart dat de boodschap des vredes heeft verstaan: Christus onze Vrede.
Wanneer gij geleid wordt in wegen van druk en beproeving, ja, zelfs als vleesch en hart bezwijken mocht in bangen nood naar lichaam en ziel — dan nog weet ge immers tot Wien ge vluchten, bij Wien ge schuilen moogt, op Wiens trouw ge veilig u verlaten kunt en biddend zingt ge:
Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht.
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven!
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven:
Ai 't geen Uw mond aan mij had toegezegd.
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
V. v. W.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's