KERKELIJKE RONDSCHOUW
Het Woord Gods hooren en doen
Onder ons staat het vast, dat de Heere de Schepper is van hemel en aarde. Hij is het, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er en die Zijn Woord en Wet en Wil stelde voor alles, zonder onderscheid.
Hoort Job bezingen de grootheid en de majesteit Gods! „Die bergen verzet zonder dat zij het merken, die ze onderstboven keert in Zijn toorn, die de aarde doet beven en opspringen van haar plaats, zoodat hare grondzuilen trillen; die de zon bevel geeft en zij schijnt niet; die de sterren achter een zegel wegsluit, dat zij verdonkeren; die den hemel uitspant als een dun doek en wandelt op de vleugelen des winds over fel bewogen wateren, die den Grooten Beer en den Orion schiep en het Zevengesternte. Groot is de Heere en Hij doet ondoorgrondelijke dingen. Zijn wonderen zijn zonder tal!" (Job 9).
Die Almachtige God is de Souvereine Vorst, die Zijn scepter zwaait over alles en die Zijn Woord ons bekend maakte en Zijn bevelen, om die te doen.
Daarom staat er ook voor alle tijden: „tot de Wet en tot de Getuigenis, indien zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben" (Jes. 8 vers 20). Alléén als we naar Zijn Woord hooren en Zijn Woord doen, zal het goed gaan. In Zijn licht alleen wordt het licht gezien.
De Heere Jezus heeft nooit anders gesproken, 't Is altijd: Hoort Gods Woord en bewaart Gods Woord en wandelt naar Gods Woord, doet nooit anders dan naar Gods Woord. Ja, zoo zei Hij: ,,Zalig zijn degenen, die het Woord Gods hooren en het bewaren". (Lucas 11 vers 28).
Jezus gaf dan ook Gods Woord door aan degenen die Hem hoorden, 't Was niet Zijn woord, 't was het woord Gods, het woord Zijns Vaders. „Ik spreek, wat Ik bij Mijn Vader gezien heb" (Joh. 8 vers 38). „Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal en wat Ik spreken zal. En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is". (Joh. 12 : 49).
Zoo moet het altijd en overal in den weg van Gods Woord gaan, zal er waarachtig gelukkig lieven gekend en genoten worden. En dat geldt voor het zieleleven; dat geldt voor de Kerk; maar waarlijk niet alleen voor de ziel en voor de Kerk alleen. Dat geldt voor alles. Natuurlijk mogen wij wel 't eerst aan menschen zielen denken. Want de weg der verlossing loopt door het menschenhart heen.
En daarom zal elke ziel aan Gods Woord moeten worden voorgesteld, om Gods Woord te hooren en Gods Woord te verstaan en Gods Woord te bewaren. Dat is het eeuwige leven! „En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is" verklaarde de Heiland. (Joh. 12: 49).
God te kennen, Jezus Christus te kennen: — dat is het eeuwige leven!
Gods Woord te hooren, Gods Woord te verstaan, Gods Woord te bewaren — dat is het eeuwige leven!
Scheidt dat niet! Hier ligt de zaligheid. (Luc. 11: 28). Hier ligt het eeuwige leven. (Joh. 12 : 49). In dat licht zien we het licht. En die hier dwalen en ongehoorzaam het Woord Gods verwerpen, die verwerpen God Zelf, die verwerpen Jezus Christus, die zullen geen dageraad hebben! (Jes. 8: 20).
Gelijk de schakelen van een keten grijpt hier het een in het ander. Hier ligt onlosmakelijk verband.
Daarom zal de ziel in onze dagen van zoo onderscheiden religieuze richtingen en stroomingen wel op het Woord Gods acht moeten geven. Want alleen die Gods Woord hooren en bewaren worden zalig gesproken (Luc. 11 : 28). Alleen die tot de Wet en tot de Getuigenis des Heeren getrokken worden zullen dageraad hebben en in het licht wandelen, maar alle anderen zullen in de duisternis dwalen en blijven dwalen.
Niemand minder dan Jezus Zelf heeft ons dat geleerd. De Apostelen hebben zich daarbij aangesloten en de gemeente volhardde in de leer van den Heiland, in de leer van de Apostelen, Gods Woord bewarend. Maar dan moet het ook voor alle terrein des levens worden verstaan, dat „zalig is, die Gods Woord hoort en bewaart."
Want het volle leven, in al zijne onderscheidene terreinen en in zijn vele geledingen kan alleen goed gaan, als het zich beweegt in het spoor van Gods Getuigenis, als het zijn sterkte en wijsheid en vreugd vindt in Gods Woord en Wet.
Zooals alle leven in den beginne zeer schoon was, toen het zich openbaarde naar Gods scheppingsordinantie, naar Zijn Woord en Wet, zóó zal het levensgeluk en de levensvreugd ook alleen daar gevonden kunnen worden, waar men ook nu weer in den weg der wedergeboorte en bekeering leert vragen naar 's Heeren Wet en Getuigenis.
En dat Woord Gods, die Wet des Heeren en de Getuigenis van Hem, vinden we dan allereerst in den Bijbel. De Heilige Schrift is niet een boek tusschen andere boeken. Het is het Boek, het is de Schrift van God ingegeven, het is 's Heeren Woord!
De Heiland heeft Zich niet geschaamd te leven en te spreken bij en naar de Schriften, zijnde Gods Woord. Hij schaamde Zich niet te zeggen: „er staat geschreven!" Hij voerde de Emmaüsgangers terug naar de Schriften en leidde hen daarin rond, opdat zij zóó zouden komen tot den Christus, hun Zaligmaker. Geen Christus-ervaring dan in en door het hooren en bewaren der Schriften. En zóó moeten ook wij leven bij Gods Woord, de Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments, met onze Ned. Gel. belijdenis zeggende: „Alle deze boeken ontvangen we als canoniek, om daarop ons geloof te gronden en daarnaar ons geloof en onzen wandel te regelen."
Gods Woord eischt van ons gehoorzaamheid, bekleed zijnde als Gods Woord met de hoogste autoriteit.
Verwerpen we dat Woord, dan verwerpen we God, dan verwerpen we Jezus Christus, dan staan we den H. Geest tegen; dan halen we de oordeelen des Heeren over ons!
We moeten leeren hooren. We moeten leeren luisteren, leeren opletten, leeren verstaan, leeren ter harte nemen, leeren bewaren, leeren overleggen bij ons zelf Gods Woord en Gods Woord alleen.
En dan hoorende ook doen. Hoorende bewaren. Hoorende volbrengen.
Zalig die biddend mag vragen: „Heer, ai maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend" ; die geloovig mag getuigen: „Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet, mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren. Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed bevestigen in al mijn levensjaren, dat ik Uw Wet, die heilig is en goed, door Uw gena bestendig zal bewaren" (Ps. 119).
Zalig, die het Woord Gods hooren en het bewaren.
„Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis; dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen." Zoo zij 't, door Gods 'genade, ook onder ons!
De beginselen der Reformatie.
Bij de Hervorming is men weer terug geleid tot het Woord Gods, tot de Heilige Schrift. Wel poogt men telkens, met name van Luther te beweren, dat hij vrij en los stond van het Woord, van den Bijbel. Maar het water van de zee wascht het niet af, dat Luther weer teruggekeerd is tot de Heilige Schrift, om naar het Woord te spreken en te handelen, het Woord Gods te hooren en te bewaren, de Wet en de Getuigenis des Heeren weer te gehoorzamen.
Neem 31 October 1517 maar, toen de geleerde monnik de 95 stellingen aansloeg aan de Slotkek te Wittenberg, met de bedoeling dat daarover gesproken zou worden en daarover een godsdienstgesprek zou worden gehouden. Tusschen alles, wat aflaat, kerk en paus betreft, klinkt het daar, dat de heilige en heerlijke schat der Kerk is Gods Woord!
Neem 10 December 1520 maar, toen Luther door professoren en studenten omringd ten aanschouwe van honderden nieuwsgierigen de pauselijke banbul in het vuur wierp met het uitspreken der woorden: „Omdat gij de heiligen des Heeren beroerd hebt, zoo vertere u het eeuwige vuur", waarbij het een terugkeeren van de pauselijke- en kerkelijke inzettingen tot het Woord des Heeren betrof.
Denk aan April 1521 toen Luther op den Rijksdag te Worms stond voor den keizer, den aartsbisschop Ferdinand, den pauselijken nuntius, zes keurvorsten, vier en twintig hertogen, acht markgraven, dertig aartsbisschoppen, bisschoppen, afgezanten van rijkssteden, vorsten, graven en kanseliers. Wat was toen zijn zeggen? Immers dit: „Tenzij dan dat ik door de getuigenis der Heilige Schrift of door duidelijke bewijsvoering overwonnen worde,, — want ik geloof noch den paus noch het concilie alleen, daar het bekend is dat zij vaak gedwaald hebben en met zich zelf in tegenspraak zijn gekomen; daar mijn geweten door Gods Woord gebonden is, zoo kan en wil ik niets herroepen, omdat het niet veilig is, noch aan te raden iets te ondernemen tegen het geweten."
Ook al wilde Luther aanvankelijk de Roomsche Kerk niet verlaten, hij wilde terug tot het Woord. De schandelijke practijken van Tetzel deden hem het Woord naar voren brengen, om naar het Woord te spreken over zonde en verzoening. Hoemeer afgezanten van den paus als Eck en Cajetanus op hem aandrongen, hoe meer hij naar het Woord, naar de Heilige Schrift greep, om daaruit wijsheid te putten. 31-October 1517, 10 December 1520, April 1521 — 't was stap voor stap in de richting van het Woord.
Het geweten door Gods Woord alleen gebonden — dat was het beginsel van Luther. Hiermee gaf hij den genadeslag aan de Roomsche Kerk; hiermee schoof hij paus en priesterschaar opzij. Hij kwam zoo tot „de vrijheid van den christenmensch". Als christen stond hij vrij tegenover allen, gebonden in zijn conscientie aan Gods Woord alleen!
Luther leerde niet de absolute vrijheid van het geweten. Het was bij Luther niet: het geweten zonder meer. Dat zegt men wel dikwijls. De vrijzinnige Hervormden, de Protestantenbonders ook, komen telkens niet die voorstelling, dat voor Luther het geweten het hoogste was; het geweten als wet en regel gesteld bij alles. Maar men weet beter! Men kan althans en moest daarom beter weten! De Hervormer uit Wittenberg bond het geweten aan een autoriteit, aan de hoogste autoriteit, aan Gods Woord, aan de H. Schrift. „Zalig, die het Woord Gods hooren en bewaren", begon Luther, ook te midden van de vervloekingen van Rome's Kerk, hoe langer hoe beter te verstaan en hoe langer hoe meer te beamen. Bij Luther was de mensch geroepen zich aan Gods Woord te onderwerpen. Het subjectieve werd vastgemaakt aan het objectieve.! En zóó werd het geweten bewaard voor dwaling en zijn uitspraken werden gecorrigeerd door het Woord Gods, door de H. Schrift, waarbij de Geest des Heeren getuigenis gaf.''
Luther en Voltaire zijn niet ééns geestes. Evenmin als Calvijn en Rousseau in één adem genoemd mogen worden. De Reformatie riep van het woord des menschen — hoe die mensch ook heet — naar het Woord Gods terug. Het absolute gezag van Gods Woord werd geponeerd en verdedigd, ook al brak de vloek van de pauselijke Kerk los en al werden de brandstapels ontstoken. Dat Woord Gods, die Heilige Schrift, was leermeester en rechter, magister en judex. En daarom dwalen de Protestantenbonders c.s. die alleen spreken van het geweten als leermeester en rechter en die van de Reformatie jaar op jaar zeggen, dat dit het beginsel van Luther en de zijnen is geweest.
Zij, die in eenvoudigheid zich buigen voor de Heilige Schrift als het Woord Gods, zijn de echte zonen der Reformatie, niet die als hoogste leermeester en rechter roemen het geweten, de inspraak van geest des menschen.
Waarom verwerpt men de Heilige Schrift, waarom weigert men den Bijbel als Gods Woord op 't hoogst te achten? Omdat men eigen heer en meester wil zijn. Omdat men de rede, het verstand des menschen, z'n geweten of z'n religieus gevoel met de hoogste autoriteit bekleedt!
En dan verwerpt men ook het groote geestelijike beginsel, den geestelijken inhoud van de Reformatie: de rechtvaardigmaking des zondaars door het geloof; de verlossing des zondaars door des Middelaars bloed!
Luther verwierp door dit heerlijke en echt-reformatorische beginsel de roomsche beschouwing en de roomsche practijken van paus en priester, om in kinderlijk geloof terug te keeren tot het Woord, tot Christus, herstellende de Kerk, de Sacramenten, de ambten in bijbelschen geest.
Daar moet het met de zonen der Reformatie, met de echte Hervormden heen! Tot de Wet en tot de Getuigenis! Zalig, die het Woord hooren en het bewaren. Die zeggen: „Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet". Die zingen: „Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis". Die gelooven en belijden „naar de Schriften" en durven zeggen, met den Heiland, „er staat geschreven!"
„O onverstandigen, die traag zijt om te weten en te gelooven, de Schriften" — hooren we ook in onze dagen die klacht van den Heiland niet?
Het gezag der Heilige Schrift en het Protestantisme.
De Roomsche Kerk is zelve de draagster van het gezag. De Roomsche gelooft en doet wat de Kerk leert, omdat de Kerk het voorschrijft en oplegt. Te zondigen tegen de Kerk is te zondigen tot den dood. Dat heeft de Reformatie veroordeeld en verworpen.
Daarbij heeft Rome geroepen: „nu houdt gij, Protestanten, niets over. Want is de Kerk, de paus, onttroond, dan gaat ieder gelooven en niet-gelooven, belijden en niet-belijden, zooals ieder persoonlijk oordeelt dat goed is. Dat is de anarchie ten top. Ieder doet wat goed is in eigen oogen en de Koning ontbreekt".
Neen, hebben de echte Protestanten gezegd: de paus, de Kerk heeft geen recht om zich in den stoel Gods te zetten. Wij hebben het Woord des Heeren, wij hebben de Heilige Schrift, „dat die over ons heersche!"
Zóó heeft men gepoogd de Heilige Schrift te stellen tot kenbron der waarheid en regel voor leer en leven, waaraan de Kerk zich te onderwerpen, waarnaar de Kerk zich te voegen had, gehoorzamende de stemme Gods, welke in de Heilige Schrift tot ons komt.
En het hooge ideaal was, een reformatie te mogen tot stand brengen van heel het leven, — niet alleen van de Kerk, maar van alle terrein des levens, — uit het heilige principe, n.l. de Heilige Schrift (de Scriptura Sacra) alles opbouwend; voor leer en leven; voor cultuur, wetenschap, kunst, staat en maatschappij — voor alles kiezend het Woord als lamp voor den voet en als licht op het pad.
Eén groot reformatorisch werk, één groot nieuw leven, met de Heilige Schrift als wet en regel, als leermeester en rechter, is het doel geweest van de Hervormers, met name van Calvijn.
En zeker is er telkens door velen, die zich ten onrechte Protestanten noemden, gepoogd om het gezag van de Heilige Schrift te ondermijnen en den mensch op den troon te zetten. Maar de echte Protestanten zeggen: Gods Woord is geloofwaardig om zijns zelfs wil, omdat het Gods Woord is. En zij beamen, dat, wanneer het gezag van de Heilige Schrift wegvalt, alle pogingen om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, op teleurstelling moeten uitloopen. Daarom blijven ze opkomen voor de autoriteit van Gods Woord.
Men wil de Kerk soms weer bekleeden met de hoogste autoriteit, maar gereformeerd is, dat Gods Woord staat boven de conciliën en boven de besluiten der Kerk, boven de belijdenis, boven de regiementen, boven alles.
Men is niet echt-kerkelijk als artikel zooveel van bladzij zooveel van een reglementenbundel een en al is. Gods Woord gaat boven alles, en alle mensch is leugenachtig uit en van zich zelf. Dat moet ook bij kerkelijke ordeningen erkend en in 't oog gehouden worden.
Ook noemt men wel als van het hoogste gezag zijnde: de persoon van Christus. Maar 't is een mislukking, als men dan den Christus der Schriften niet eert, dien Christus dus, die Zelf gezegd heeft: niet Ik, maar het Woord Gods!
Men spreekt ook wel over de religieuse ervaring, of het geweten, als hoogste rechter. Maar alles is een absolute mislukking, wanneer men het los maakt van het Woord, dat vanouds door de Reformatoren is genoemd: Principium cognos cendi omnium credendorum ac agendorum, d. w. z. het kennisprinciep voor alles wat te gelooven en te doen is, dogmatisch en ethisch, voor leer en leven, het hoogste gezag hebbend.
„Niemand" — zoo leerde Calvijn — „kan zelfs den geringsten smaak der rechte en gezonde leer bekomen zonder te luisteren naar Gods Woord. Door eerbiedig te omhelzen wat God in Zijn Woord van Zichzelven getuigt, komen wij tot de ware kennis".
Wij belijden met de ware Kerk van alle eeuwen: tot de Wet en tot deGetuigenis — die niet naar dezelve spreken en handelen, zullen niet in het licht wandelen, maar in duisternis vallen en van kwaad tot erger komen. Bij opzij schuiven van de Heilige Schrift komt de tyrannie van den mensch inplaats van de autoriteit Gods. De vrede Gods wijkt dan voor de verwarring, door het schepsel aangebracht. Daarom kome het echt Reformatorisch beginsel onder ons meer en meer tot kracht en tot eere: Alleen de Heilige Schrift de kenbron der waarheid en regel voor leef en leven!
Gebrek aan kennis aangaande de Ned. Herv. Kerk.
We hebben tegenwoordig een Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk. Niet dus een Gereformeerde Encyclopaedie voor de Geref. Kerken, maar een Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk.
De uitgave is prachtig. Maar de opzet is voor ons te eenzijdig. Te eenzijdig georiënteerd naar den kant van de Gereform. Kerken. Alles wat van de Geref. Kerken is, jong en oud, geleerd en minder geleerd, is voor de redactie, welke ook uitsluitend „van de Geref. Kerken" is, blijkbaar welkom geweest, maar van anderen kant dan van de Geref. Kerken is blijkbaar niemand of zijn weinigen gevraagd. Van de Hervormde Kerk slechts een drietal: ds. Knap, prof. Van Leeuwen en prof. Visscher; meer niet; en van andere Kerkgemeenschappen — voor een Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk — niemand; zegge niemand.
't Zij zoo. Men moet het zelf weten. Wellicht zal men te laat straks de droeve gevolgen van dit eenzijdig drijven op elk terrein des levens naar één bepaalden kant betreuren.
Nu is eenigen tijd geleden het 2de deel van deze Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk verschenen. En daar in staat ook een artikel over de Ned. Hervormde Kerk. Natuurlijk sloegen we bij ontvangst van dit 2de deel dit artikel op. (blz. 574 enz.). Ds. Rullmann, Geref, predikant te Utrecht, is de schrijver ervan, een historicus overigens niet onvermaard. Een historische uiteenzetting van den loop der zaken sinds 1816 krijgen we. En de typeering van de Hervormde Kerk met een enkele zinsnede, waarvan de korte inhoud is: Boeddhist, Socialist, enz. enz. Waarbij dan als slotzin: „De volstrekt onvoldoende bezoldiging der predikanten, waardoor in menige pastorie (letterlijk armoede geleden wordt, heeft geleid enz.
Alles en alles bij elkaar genomen, krijgen we dus in een Christelijke Encyclopaedie oor het Nederlandsche volk van de Nederlandsche Hervormde Kerk niets meer en niets minder dan deze drie dingen: In de Ned. Hervormde Kerk is niet Gods Woord maar de reglementenbundel maatgevend; in de Ned. Hervormde Kerk woont Boeddhist en Socialist enz. samen; in de Ned. Hervormde Kerk wordt in menige pastorie letterlijk armoede geleden (blz. 577, 1ste kolom onderaan en 2de kolom boven en midden).
Is er anders niet te vermelden?
Is er niet iets anders ook nog, is er niet iets beters ook nog, is er niet iets moois ook nog aangaande de Ned. Hervormde Kerk te vermelden in een Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk? Gaat er dan niets anders om in de Ned. Hervormde Kerk? Heeft men nooit, nooit van andere dingen óók gehoord? Wij constateeren hier een zekere mate „gebrek aan kennis aangaande de Ned Hervormde Kerk". Meer willen we er liever maar niet van zeggen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's