STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De zevenjarige leerplicht aan de orde.
Het wetsontwerp, dat beoogt om het tijdstip van den zevenjarigen leerplicht te vervroegen, is thans bij de Tweede Kamer ingediend. Zooals reeds bij een vorige gelegenheid gezegd werd, lag het in het voornemen der regeering om den termijn, waarbij de wet van 30 Juni 1924 de wederinvoering van den zevenjarigen leerplicht op 1 Januari 1930 stelde, te verkorten tot 1 Juli 1928.
Daaraan is nu door den Minister van Onderwijs gevolg gegeven.
Bij de beoordeeling van het ingediende wetsontwerp doen zich al dadelijk twee vragen voor, die echter door den Minister niet onder de oogen zijn gezien en die toch zeker niet onbeantwoord mogen blijven.
De eerste vraag betreft het politieke standpunt, dat de regeering sinds haar optreden in Maart 1926 ten opzichte van elken wettellijken maatregel inneemt.
Het is bekend, dat toen het Kabinet zijn program in de Staten-Generaal ontvouwde, het zichzelf de gedragslijn voorschreef, om met geen enkel voorstel van principieele beteekenis voor de Kamers te verschijnen. Ten opzichte van de beginselpolitiek moest de status quo worden gehandhaaft. Met deze beginselverklaring is nu het ingediende wetsontwerp ten eenenmale in strijd. Waarom thans van dezen regel wordt afgeweken, daarvan rept de toelichting op het wetsontwerp met geen woord.
De tweede vraag ziet op de financieele gevolgen van de wederinvoering van den zevenjarigen leerplicht. De invoering van dezen leerplicht werd destijds opgeschort uit hoofde van den financieelen toestand des lands, maar om dezelfde overwegingen werden toentertijd ook andere maatregelen op onderwijsgebied getroffen, die tot bezuiniging moesten leiden; zoo o.a. de maatregel tot verhooging van het aantal kinderen per sohoolklasse, met het gevolg dat vooral ten plattelande de kleine scholen in moeilijkheden kwamen. Thans voor de vraag staande — zoo schrijft Minister Waszink in zijn memorie van toelichting — of de wederinvoering van den zevenjarigen leerplicht financieel verantwoord is, meent de regeering deze vraag bevestigend te kunnen beantwoorden.
Maar daarmede is de vraag, die ons voor oogen staat, nog niet beantwoord; n.l. deze: waarom of bij een gunstiger financieelen toestand des lands wèl aan den zevenjarigen leerplicht wordt gedacht, om daarvan de opschorting ongedaan te maken en niet aan de kleine schooltjes, die zoo zeer uitbreiding van leerkrachten behoeven.
Uit de mededeeling van den Minister van Onderwijs blijkt, dat de wederinvoerinig van den zevenjarigen leerplicht de aanstelling van 1750 onderwijzers zal noodig maken, waarvan de kosten voor het Rijk, de gemiddelde jaarwedde per onderwijzer op ƒ 2000 stellend, op 3, 5 millioen komen te staan.
Deze 1750 onderwijzers zouden veel beter kunnen worden aangewend om den zesjarigen schooltijd meer vruchtdragend te maken.
Echter is er in het ingediende wetsontwerp nog iets, dat de aandacht vraagt, nl de mededeeling van den Minister, dat er een groep is van ruim 44.000 kinderen, die in het geheel niet ter school gaan. Het zal van belang zijn om te weten te komen „waarom deze kinderen de school niet bezoeken en of, zoo werkelijk meer gelden voor het onderwijs beschikbaar zijn, deze niet in de eerste plaats voor het onderwijs van deze kinderen behooren te worden aangewend. Groote groepen van kinderen, waaronder schipperskinderen, zijn tot op heden van alle onderwijs verstoken.
Eenige verwondering baart de verklaring van den Minister van Onderwijs, dat hij bij zijn vroegere mededeelingen blijft voor wat de kosten betreffen, die de gemeenten zich voor de invoering van den zevenjarigen leerplicht zullen hebben te getroosten. Het is alsof de Minister geen kennis heeft genomen van de cijfers, welke onlangs door den oud-burgemeester van Katwijk, den heer De Waal Malefijt, werden geproduceerd en die er juist op wijzen van welke verstrekkende gevolgen de invoering van den zevenjarigen leerplicht voor de gemeenten zal worden. Ook te dien opzichte zal de regeering zich duidelijk en onomwonden hebben uit te spreken. Het is te hopen, dat de Kamer den Minister aan zijn verstand zal weten te brengen dat er voor het onderwijs nog heel veel valt te doen, alvorens tot de invoering van den zevenjarigen leerplicht wordt overgegaan.
Belangrijke mededeelingen.
De Anti-revolutionaire „ Rotterdammer " maakt onder het opschrift: „De vaccinatie onder nieuw licht gezien", de volgende opmerkingen:
Men kan gerust zeggen, dat het een schok gaf, toen de medische wereld moest erkennen, dat het met de vaccinatie mis was geloopen.
Nu eenmaal deze erkentenis los kwam, volgt er meer. Dr. Kramer, eerste geneesheer aan een der gemeentelijke ziekenhuizen te Rotterdam, komt met nieuwe gegevens aandragen. Hij deelt mede, dat de proef met entstof, bereid uit de hersenen van het konijn, reeds na enkele weken als mislukt moet worden beschouwd. In twee jaar tijd moest dr. Kramer bij het gebruik van de oude entstof zes mislukte gevallen constateeren, waarvan vijf genazen en één overleed. Na het gebruik van de neuro-vaccinatie, welke sinds eind Augustus 1927 wordt aangewend, constateerde hij twee gevallen.
Dr. Kramer meent, dat het de vraag zal worden of men niet van het konijn afstappen en terug zal moeten keeren naar het kalf. Maar kalf of konijn, bij het publiek is groote onrust gewekt en in elk geval is de daad van de medici, waarbij zij de Regeering hebben te kennen gegeven op dit oogenblik hulpeloos te staan, als een bewijs van grooten moed te aanvaarden.
Wij namen een dezer dagen uit „D e N e d e r l a n d e r" een artikeltje over, waarin deze meende ook dank te moeten brengen aan de regeering, die het vraagstuk ernstig aanvatte.
Het komt ons voor, dat over dezen dank aan de regeering niet door ieder gelijk zal worden gedacht. Was het niet de heer Slotemaker de Bruine, die pas in dit voorjaar in geenen deele tegemoet wenschte te komen aan de bezwaren, welke mede door anti-revolutionairen namens een groot gedeelte van het volk, werden ingebracht? En deelt de geneeskundige medewerker van de N.R. Cour. niet mede, dat sedert den zomer van 1926 de medische wereld overtuigd was van het verband tusschen vaccinatie en de encephalitische verschijnselen? Wat deed de regeering, toen deze conclusie vast kwam te staan? Hiernaar mag vanuit de Kamer wel eens naarstiglijk worden geïnformeerd.
Niet minder belangrijk dan deze opmerkingen is het standpunt, dat de Minister van Anbeid op dit oogenblik tegenover de gerezen moeilijkheden inneemt.
Op de vragen van het Kamerlid antwoordde Minister Slotemaker dezer dagen:
Na 22 Augustus, toen met de verstrekking van neuro-vaccine een aanvang is gemaakt, zijn aan de inspectie van de Volksgezondheid drie gevallen van de bedoelde hersenaandoeningen bekend geworden, waarvan bij onderzoek één waarschijnlijk en twee zeker bleken encephalitis postvaccinalis te zijn. Men bedenke hierbij, dat sinds den genoemden datum ruim 40.000 doses neurovaccine zijn afgeleverd, die zeker grootendeels gebruikt zullen zijn. Er wordt op gewezen, dat op naar schatting 550.000 entingen met de sinds 1924, doch vóór 22 Augustus 1927 verstrekte dermo-vaccine, 118 gevallen van aandoening van het centraal zenuwstelsel zijn waargenomen, d.i. 0,21 per duizend.
Reeds, na het eerste geval heeft de Gezondheidsraad vergaderd. Aangezien in het toen uitgebrachte rapport nog niet kon worden gerekend met de twee sindsdien opgetreden positieve gevallen, heeft de Minister een nader rapport verzocht, dat hem 17 October bereikt heeft, daartoe strekkende, dat, met behoud overigens van de bestaande voorschriften, aan de Regeering de bevoegdheid worde verleend om de betrokken voorschriften t ij d e l ij k b u i t e n w e r k i n g te stellen; subsidair om — indien de voorschriften niet gehandhaafd worden — de mogelijkheid van bijzondere voorzorgsmaatregelen te openen.
Bovendien heeft het hoofdbestuur van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst onder dagteekening van 14 dezer den Minister in overweging gegeven den indirecten vaccinatiedwang tijdelijk op te heffen.
De Minister bevordert, dat een ontwerp tot herziening der w e t t e l ij k e b e p a l i n g e n inzake den indirecten vaccinatie dwang deze week het departement zal verlaten.
Deze mededeelingen van den Minister zijn ongetwijfeld van groote beteekenis. Wij lieten enkele zinsneden uit het antwoord spatiëeren, om duidelijk te doen uitkomen dat wij zoo langzamerhand den goeden weg gaan betreden.
Het wachten is thans op het wetsontwerp dat aangekondigd is geworden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's