GEESTELIJKE OPBOUW
De Vrijmetselarij (19)
De „Kanonnade" of tafelspeech van Br. Troelstra (zie vorig no.) ging dan als volgt verder:
Een enkele straal van haar lichtkrans schoot neer en treft geest en gemoed — ontvonkt ons bij 't zoeken naar wijsheld voor alles wat schoon is en goed;
,,Ontsteekt ons voor 't heil van de menschheid; wij dragen haar smart en haar leed; wij trachten haar kluisters te breken, door Staatkunde en Kerkleer gesmeed;
Ontgloeit ons voor 't recht en de vrijheid en richt naar de deugd onze schreên; ze doet ons, ja vreeselijk haten, maar — domheid en onkunde alléén!
Wij hebben geen leer dus, maar leven; de godsdienst ligt in ons gevoel; ons richtsnoer is rede en geweten; het streven naar schoonheid ons doel".
O, Meester! ik zegen deez' ure, uw woorden zijn wijs en zijn goed, ze geven weer rust aan mijn harte, tot leven en strijden weer moed.
Wees gezegend, heilige Orde! Dat uw zacht maar gIansrijk licht , meer en meer het brandpunt worde, waarop 't zoekend oog zich richt.
Langzaam dringen uw begins'len, zoo eenvoudig maar vol zin, ontdaan nu van alle winds'len, reeds 't profane leven in.
Dat de tinnen van uw Tempel, zich verheffen meer en meer; menig overschrijd' den drempel en kniel' voor uw altaar neer.
Maar dat bovenal uw zonen, waar de zon hen ook beschijn, overal en altijd toonen, vrije Metselaars te zijn!
Dat de band die ons mag binden, ons steeds dier en heilig zij; niet slechts als we ons hier bevinden, maar ook in de Maatschappij.
Komt, broed'ren, de les van ons leerboek herdacht!
Komt, het geweer nu aan den schouder gebracht!
Ons eerste vuur zij voor de WIJSHEID gegeven.
Die veilige baken op de zee van het leven!
Een tweede vuur worde nu door ons gebracht
Aan 't merg van het leven: de minlijke KRACHT.
En 't laatste en 't heiligste vuur, als om strijd,
Aan 't doel van het leven: de SCHOONHEID gewijd!"
In deze „Kanonnade", waarbij telkens "gevuurd" moest worden ter eere van d e W ij s h e i d — de K r a c h t en de S c h o o n h e i d, vindt men in kreupeldicht een beschrijving van doel en streven van de Vrijmetselarij.
In hetzelfde boek, bovenbedoeld, vonden we nog een ander geschreven stuk, waarin een Verslag wordt gegeven van een der ,,Broederlijke-maaltijden" welke door de Vrijmetselaars in de gezelschapskamer der loge wel gehouden wonden. Dit schriftelijk verslag luidt als volgt:
"Op de Broederlijke maaltijden, waarmede de viering van het St. Jansfeest van 1804 en de vergadering van 26 Dec. 1805 besloten zijn, hebben de zusters Maconnes geassisteerd. Van de laatste vergadering met de zusters is de volgende beschrijving te geven:
1805. Loge der Zusters Maconnes. Op den achtergrond der vergaderzaal had de Groot-Meester zijn zitplaats; vóór hem stond een tafel, waarop een vaas met mirten en bloemen; een antiek outer stond in het midden der zaal en aan het einde derzelve — in het Westen — de twee colonnes des Tempels, waarbij de beide Opzieners hun plaats hadden; vóór hen stonden twee antieke offer-outers met kolenbekkens.
Op het gegeven sein kwamen de Broeders zonder eenig Metselaarsteeken, met hunne gezellinnen de Vergaderzaal in, alleenlijk had de achtbre Meester en de beide Opzieners elk een sleutel in de hand, hetwelk een zinnebeeld was der huisvaderlijke plichten der Broeders.
Zoodra zij zich allen geregeld geplaatst hadden, gaf de achtbre Meester een teeken en opende de Vergadering op de volgende wijze:
Groot-Meester. Broeder 1ste Opziener, waar scheiden we de laatste maal?
1ste Opziener. Bij den verdwijnenden glans der oude en de te voorschijn tredende straal der nieuwe Eeuw, na volbrachten arbeid.
Groot-Meester. Waar vinden wij ons nu allen voor de eerste maal weer?
1ste Opziener. In het Heiligdom der Menschelijkheid, waar wij eene — voor onzen geest eerwaardigen en voor ons hart weldadigen —plicht vervullen moeten.
Groot-Meester. Waarin bestaat dezelve. Broeder 2de Opziener?
2de Opziener. We moeten ook de vreugd van ons zedelijk bestaan met de gezellinnen van ons leven deelen en daardoor de menschelijkheid huldigen.
Groot-Meester. De huwelijksband wordt voor een tijd gesloten, de dood verscheurt dien, maar de vriendschap zegeviert over de macht des doods, want haar eigendommelijk Vaderland is daar. Een dochter des Hemels zijnde, bezoekt zij slechts de stervelingen, teneinde den last van hun pelgrimschap te verlichten en den voor hen bestemden lijdenskelk te verzoeten. Heden over honderd jaar zijn wij allen daar. Gelukkig dan elk onzer, wiens echtverbintenis, in den heiligsten zin des woords, vriendschap geworden is of wordt! In het Vaderland vinden wij elkander niet alleen, maar beminnen ons daar ook weder. Daarom, geliefde Broeders! laten wij reeds hier ook de genoegens van ons zedelijk bestaan met de gezellinnen van ons leven deelen en daardoor de menschelijkheid huldigen. —
Nu leiden al de aanwezigen hunne handen te zamen.
De Groot-Meester stak op het groote antieke Outer de offerschaal aan; de beide Opzieners strooiden eenig wierook op de vóór hen staande kleinere outers, waarna de gansche Vergadering plaats nam.
De Broeder Orateur doet een redevoering over de bestemminig en beschaving der vrouwelijke sexe.
Na deze voordracht gaf de Groot-Meester een teeken; de Vergadering werd aldus gesloten:
Groot-Meester. Br. 1ste Opziener, wij hebben ook de vreugde van ons verstandelijk aanwezen met de gezellinnen onzes levens gedeeld en daardoor de Menschelijkheid gehuldigd. Wat blijft ons nu nog overig?
1ste Opziener. De vruchten van den vervulden plicht in te zamelen en te genieten.
Groot-Meester. Waardoor veredelen wij ons dit genot, Br. 2de Opziener?
2de Opziener. Daardoor, dat wij met de deelneemster onzer zorgen ook de vreugde van dit tijdelijk leven deelen en ons onderling tot nieuwe beproeving sterken.
Groot-Meester. Zoo zullen wij dan door lijden en vreugde beproefd, gevormd en altijd gelijk en onzer waardig, rijp om te werken en te beminnen, naar het raadsbesluit des Eeuwigen, de een na den ander volgen, maar elkander daar zeker wedervinden, herkennen en beminnen. (Gaf toen een teeken, waarop al de aanwezigen hunne handen tezamen leiden).
De Groot-Meester. Staat op en gaf den gezellinnen een broederlijken kus, die door de beide Opzieners en alle de Broeders vervolgd wordt, en nu voerde elk Br.: , zijne gezellin, stil en zwijgend uit de vergaderzaal in de gezelschapskamer terug, waarna zij zich onder een afwisselend gezang bij een soberen maaltijd verlustigden".
Onder dit Verslag was door den schrijver (overschrijver) aangeteekend: Hony soit, qui mal y pense; d.i. schande over ieder, die er kwaad van denkt!
(Wordt voortgezet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's