De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

Een eerste stap.
De wijziging van de Provinciale Wet, waarbij het griffiersambt der Provinciale Staten ook voor de vrouw wordt opengesteld, heeft de vorige week in de Tweede Kamer het vraagstuk van de benoembaarheid der vrouw in allerlei ambten en betrekkingen opnieuw aan de orde gesteld. Ditmaal kenmerkte de kwestie zich echter door iets nieuws, waardoor de zaak, die op zichzelf reeds weinig sympathiek is, een nog bedenkelijker karakter kreeg. Naast de bepaling, welke voor de Provinciale Staten de mogelijkheid opent om een vrouwelijke griffier te benoemen, kwam in het regeeringsontwerp het voorschrift voor, dat de griffier niet met den Commissaris der Koningin of met een lid van Gedeputeerde Staten mag gehuwd zijn.
Op zichzelf bezien, lijkt deze bepaling rationeel, doch van weinig beteekenis te zijn. Toch blijkt dit laatste bij nadere overweging wel anders. De nieuwigheid: de regeling bij de Wet, dat in sommige bij name genoemde gevallen de gehuwde griffier uit haar ambt zal worden ontslagen, houdt omgekeerd in dat deze vrouwelijke ambtenaar in alle andere gevallen bij het sluiten van een huwelijk haar ambt behoudt. Hier kan dus de ambtenares, die huwt en te wier aanzien het den Staten om allerlei redenen gewenscht mocht voorkomen dat zij wordt ontslagen, van haar ambt niet worden ontzet.
De Wet laat dit niet toe.
Dit lijkt ons een novum (iets nieuws) in onze wetgeving, waarvan de eerste stap, nu gedaan, tot verstrekkende gevolgen kan aan leiding geven. Het is begrijpelijk, dat deze regeeringsdaad groot verzet in de Kamer ondervond. Echter had het verzet, wat te bejammeren valt, geen succes. Met groote meerderheid van stemmen ging het voorstel er door.

Periculum in mora.
In de zitting van de Provinciale Staten van Zuid-Holland van dezen zomer, deed zich een incident voor, dat er op wijst, dat er een leemte in onze wetgeving is, waarin spoedig behoort te worden voorzien.
Op 5 Juli had de beëdiging plaats der nieuwgekozen Staten-leden. Onder dezen bevond zich ook de Communist Van Burink, die, na de belofte en de verklaring te hebben afgelegd, den volgenden dag zeide: 
Ik heb gisteren inderdaad de belofte afgelegd. 'k moest dat doen, omdat ik hier anders niet zou kunnen spreken en optreden. I k  l a p  d i e  b e l o f t e  a a n  m ij n  l a a r s,  d i e  b e l o f t e  h e e f t  v o o r  m ij  g e e n  e n k e l e  w a a r d e, in geen enkel opzicht, al moest ik tien beloften afleggen, ik had het gedaan, want ik wil hier zijn. De arbeiders hebben mij hierheen gestuurd. I k  a c h t  m ij  n i e t   g e b o n d e n door die belofte.
Wij hebben een paar woorden uit deze verklaring gespatiëerd om duidelijk te doen uitkomen, welke waarde dit Statenlid aan belofte en verklaring, die geheel gelijk gaan met den eed, hecht.
Op een vraag aan de regeering of bij herroeping van een afgelegde belofte van trouw aan de Grondwet en de Wetten des Rijks, niet de toestand moet intreden, welke zou bestaan, indien een lid de belofte niet zou afleggen, deelde Minister De Geer mede, dat de verantwoordelijkheid voor wat na aflegging der belofte geschiedt, het lid van het openbaar College zelf heeft te vragen.
Het wil ons voorkomen, dat, met alle respect voor den Minister van Financiën, met dit antwoord geen genoegen kan worden genomen. Terecht deelt De Magistratuur, het orgaan van de Vereeniging van Burgemeesers, Wethouders en Secretarissen „Groen van Prinsterer", als haar oordeel mede dat wijziging van de Provinciale Wet gebiedend noodzakelijk is.
De bepalingen, die aangeven wanneer iemand ophoudt lid van de Provinciale Stalen te zijn, behooren, zoo zegt het Orgaan, aangevuld te worden met het voorschrift: dat personen, die door woord of daad openlijk t o o n e n, zich noch aan eed, noch aan belofte, door hen als lid van een regeeringscollege afgelegd, te willen houden, ophouden lid van dit lichaam te zijn.
Natuurlijk zal voor de Staten-Generaal en den Gemeenteraad eenzelfde bepaling moeten worden getroffen.
Hier is voorzeker p e r i c u l u m  i n  m o r a (vertraging, waaraan gevaar verbonden is).

Z'n beurt laten voorbijgaan.
Een paar weken geleden hebben wij uit De Banier, het officieele orgaan der Staatkundig Gereformeerde partij, het bericht medegedeeld, dat aan ds. Zandt de hooge eer was te beurt gevallen, om in de commissie benoemd te worden, welke aan H.M. de Koningin de voordracht tot de benoeming van een voorzitter voor de Tweede Kamer had aan te bieden. Aan dit bericht mochten wij toen enkele korte beschouwingen wijden. Onze lezers zullen zich dit nog wel herinneren.
Echter, het bericht omtrent ds. Zandt was niet de eenige onderscheiding van dien aard, welke aan de Staatkundig Gereformeerde partij in de Tweede Kamer te beurt viel.
In hetzelfde artikel van De Banier, vinden wij nog een tweede mededeeling vermeld, en wel deze, dat onder de vaste rapporteurs voor de Staatsbegrooting voor Hoofdstuk VI (d.i. Marine) ds. Kersten een plaats was toegewezen. Ongetwijfeld zullen de leden van de Staatkundig Gereformeerde partij dit bericht met groote instemming hebben begroet. Maar ook buiten deze politieke organisatie, zullen er heel wat zijn, die de politieke beteekenis van deze benoeming hebben begrepen.
Immers ds. Kersten werd nu lid van de Commissie van rapporteurs, die een verslag van het verhandelde in de afdeeling der Kamer heeft op te stellen en bovendien gerechtigd is te overwegen, wat tot een juiste kennis en waardeering van het begrootingsontwerp kan in aanmerking komen. Vooral dit laatste gaf den rapporteur Kersten goede gelegenheid het standpunt van de Staatkundig Gereformeerde partij in het verslag op te nemen.
Dit evenement (merkwaardige gebeurtenis) zal, zoowel de partij van ds. Kersten als de belangstellenden daarbuiten met nieuwsgierigheid hebben doen uitzien naar hetgeen nu stond te gebeuren.
Wel liep de zaak over de Marine en dus niet over het belangrijkste deel van het regeeringsbeleid, maar toch ook bij de zeemacht komen zooveel belangrijke ondererpen aan de orde als b.v. de godsdienstige, geestelijke en zedelijke belangen der schepelingen, dat het zeer de moeite waard was, om al deze dingen in het licht der Staatkundig Gereformeerde beginselen te zien beschouwen.
Op 27 October is nu het verslag verschenen, met als eersten onderteekenaar het lid der 1ste afdeeling, den rapporteur Kersten.
Maar welk een teleurstelling!
Geen enkele opmerking over het beleid van den Roomschen Minister, geen enkele nieuwe frissche gedachte over het materiaal der Marine of over de rijkswerven, wordt in het verslag aangetroffen.
Bij de afdeeling personeel wordt met geen woord gerept over hetgeen het Staatkundig Gereformeerd beginsel voor de schepelingen noodig acht. Wel wordt in 't verslag gezegd, dat in de cantine van het Koninklijk Instituut voor de Marine het Algemeen Handelsblad, de Nieuwe Rotterdamseche Courant en de Telegraaf ter lezing liggen, doch geen Roomsch-Katholieke bladen, maar daar blijft het dan bij. En zoo gaat het in het geheele verslag voort. Het is alsof de leider der Staatkundig Gereformeerde groep in de commissie van Rapporteurs niet aanwezig was.
Op slechts één punt maakt het verslag een uitzondering. Wanneer n.l. gehandeld is geworden over de verzorging van de geestelijke belangen van het personeel en door sommige leden verzocht wordt om meer rekening te houden met de Zondagsrust en de Zondagsheiliging, beluisteren we de stem van den Staatkundig Gereformeerde. Dan heet het in dit onderdeel van het verslag:
Enkele leden achten de richting, waarin de verzorging van de godsdienstige belangen van het Marinepersoneel geschiedt, in strijd met de roeping van de Overheid van Nederland in verband met zijn historie. Ziedaar het eenig specifiek Staatkundig Gereformeerde, wat in het geheele verslag voorkomt. Doch dan wordt deze gedachte nog zoo vaag en zoo weinig belijnd uitgesproken, dat niemand, laat staan een Roomsche Minister, begrijpt, wat van deze opmerking moet worden gemaakt.
Het zou zeker een zaak van groote beteekenis zijn geweest, en dan had het werk van den Staatk. Gereformeerden rapporteur althans nog verdienste gehad, wanneer deze eens duidelijk had aangegeven, wat van Overheidswege behoort te geschieden, om hare daden in verband te doen zijn met de historie van Nederland.
Maar thans blijft de zaak in al haar geheimzinnigheid gehuld. Het zal ons dan ook zeer benieuwen, wat Minister Lambooy op de Staatkundig Gereformeerde opmerking uit het verslag zal hebben te antwoorden.
Intusschen wat wij over de houding van ds. Zandt schreven, die met zijn gang naar het paleis practisch niet anders deed, dan elk ander Kamerlid gewoon is te doen, moeten wij ook van het optreden van ds. Kersten zeggen, die toen hij geroepen werd om op papier neer te schrijven, op welke wijze de Staatkundig Gereformeerde beginselen in toepassing zijn te brengen, denzelfden weg bewandelde die ook wij voor de uitwerking onzer beginselen inslaan.
Mocht ds. Kersten echter volhouden, dat er toch nog ten aanzien der beginselen verschil ligt in hetgeen hij wil en wij voorstaan, dan liet hij tot schade der Staatkundig Gereformeerde beginselen ditmaal z'n beurt voorbijgaan, welke beurt niet spoedig weer zal terugkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's