De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

6 minuten leestijd

De Vrijmetselarij (21)
Men doet niet aan politiek — maar intusschen is men van zessen klaar, als het gaat om links te helpen tegen rechts.
En zoo is men ook alleszins godsdienstig — maar men staat vierkant tegenover de Kerken, tegen de geloofsbelijdenissen, tegen de fundamenteele geloofswaarheden van 't Christendom, omdat elke godsdienst z'n goeds heeft en niemand toch eigenlijk het rechte weet. Daarom reduceert men z'n godsdienst tot fraseologie, tot enkele groote woorden, om voorts „netjes''' te leven en „verdraagzaam" te zijn. De godsdienst der Vrijmetselarij is menschvereering en menschendienst.
De heer L i e f t i n c k had het in bovenbedoelde Kamerrede ook over den godsdienst van de Vrijmetselaars. Men moest vooraI niet denken, dat de Vrijmetselarij anti-godsdienstig was. „Want" — zoo vertelde hij — „onlangs is in de Loge „Vicit Vim Virtus" te Haarlem, waarvan ik Voorzitter ben, door professor Ostwald een lezing gehouden, die met groote aandacht werd gevolgd; en de conclusie was toen, dat het niet aanging om te meenen, dat de wetenschap, hoe hoog ook opgevoerd, voldoende was voor den mensch, maar dat er noodzakelijk bij moest komen de g o d s d  i e n s t,  de louterende, de koesterende gedachte om in verbinding te treden met het oneindige. Maar wij bepalen dat niet nader, wij kunnen dat niet, wij leggen niet hen geestelijk gebod op, hoe men daarover denken moet. Maar zóó staat bij ons de godsdienst op den voorgrond, en met applaus werd begroet de spreker, die in welsprekende taal daar het recht van den godsdienst verdedigde". „En wanneer bij ons komen nieuw aangenomen broeders, en zij worden bevestigd als Vrijmetselaars, dan gebeurt dat in den naam van den Opper-bouwheer des Heelals, dien wij niet omschrijven; terwijl boven de zitplaats van den Voorzitter het Alziend Oog schittert, zichtbaar direct voor ieder die binnenkomt". (Zie „Vrijmetselarij enz." door A.P.L. Faubel, bladz. 46).
Als dus de Vrijmetselaar zóó nog niet godsdienstig is, ja, dan weten we 't niet! .......... 't Is haast te mooi voor deze aarde .......... En prof. mr. J.H. Carpentier Alting roept dan ook triumfantelijk uit in zijn brochure „Vrijmetselarij" (Baarn. Hollandia Drukkerij; Kerk en Secte): „9 De­cember 1913 trad het Nederlandsche Kamerlid  L i e f t i n c k  met het volle gezag zijner krachtige persoonlijkheid op toen de clericaal Van W ij n b e r g e n  de Orde had beschuldigd. Zeker zullen zij, die  L i e f t i n c k  aanhoorden, of het door hem gesprokene lazen, diep onder den indruk zijn geweest van de overtuiging waarmee deze grijze redenaar sprak over „vereenigingen die zich ten doel stellen de menschen te verbeteren, te bekwamen, te steunen, godsdienstig te maken in den waren zin des woords".
Godsdienstig. Maar geen partij-godsdienst! Geen Joodsche-, geen Christelijke-, geen Mohammedaansche-, geen heidensche godsdienst. Neen! Godsdienst zonder meer, onder het Alziend Oog van den Opperbouwheer van het Heelal! De godsdienst van den braven mensch!
In symbolieke taal spreken ze het liefst over de groote, belangrijke dingen. Dat geeft iets eigens, iets aparts, iets verhevens en iets gewijds. Dat staat buiten de groote menigte der menschen, die er toch niets van begrijpt en dat geeft in den kring van ingewijden iets geheimzinnigs en iets intiems en iets verhevens! Men spreekt dan als in „gelijkenissen". Nooit is trouwens het woord toereikend, als het over dingen gaat, die het innerlijk wezen en het heiligste gevoel betreffen. Dat is het gebied van „het Onuitsprekelijke". En daarom gebruikt de Vrijmetselarij in haar Loges symbolen, om het hooge, heilige, onuitsprekelijke door zinnebeelden te benaderen, als er geen woorden zijn om het verhevene uit te drukken.
Elk symbool, door de Vrijmetselaars in de Loge, in den intiemen kring gebruikt, heeft dan een grondgedachte. Ieder blijft dan vrij in de nadere omschrijving, maar de grondgedachte is dan in en door het symbool gemeengoed. Zoo b.v. de symbolische taal Alziend Oog, Opperbouwmeester van het Heelal, passer, kubus, enz. Die symbolen zijn dan „de levende openbaring van het onnaspeurlijke".
Het woord „Vrijmetselarij" is op zichzelf reeds een symbolieke vertolking van de gedachte „als vrij man te bouwen aan den Tempel der Menschheid". De steenen voor dat bouwwerk zijn de menschen; aanvankelijk ruwe steenen, die echter door bewerking zuivere kubieken kunnen worden en dan de juiste en geschikte plaats in het bouwwerk moeten verkrijgen. Hierbij zit de gedachte voor, dat in het ruwste stuk steen toch innerlijk reeds het zuivere kubiek aanwezig is; het komt er maar op aan, de ruwe deelen te verwijderen! In dien gedachtengang is in ieder mensch het goede, althans in aanleg, aanwezig; noch geboorte, noch ras, noch nationaliteit doet daar iets aan af. Ontwikkel, vorm den mensch, en gij krijgt een goed mensch, deugdzaam en braaf, een zegen voor ziohzelf en voor anderen! Wel legt de practijk van het leven in deze dikwijls allerlei moeilijkheden in den weg, maar dat doet aan de waarheid en de mogelijkheid van deze ontwikkelingsidee niet af en ieder mensch die 't wèl verstaat, zal vertrouwen in zichzelf krijgen en als een nuttig arbeider meebouwen onder het Alziend Oog van den Opperbouwheer des Heelals aan den menschenbouw; hij zal zijn een nuttig lid van de samenleving.
Humaniteitsleer!
Beitel, winkelhaak, duimstok spreken in stille taal wat den mensch, als lid van de samenleving, te doen staat.
Het ruwe moet weg, het gladde, het effene, het gepolijste moet er voor in de plaats komen. De duimstok wijst daarbij den leerling-Vrijmetselaar op z'n plicht om den tijd met wijsheid te verdeden. Passer en driehoek zijn eveneens symbolen, om aan te geven, dat alles met voorzichtigheid en getrouwheid moet worden verricht, om passend ingeschoven te kunnen worden in het geheel tot voltooiing, verfraaiing en volmaking van het groote levenshuis, waar de menschheid wonen kan met levensvreugd en levensgeluk.
De drie kolommen beteekenen dan wijsheid, kracht, schoonheid, de hechte pijlers waarop het groote geheel van het wereldgebouw rust. Wijsheid ontwerpt het geheele plan. Kracht voert het werk uit. Schoonheid maakt het tot blij genot en zegening.
Op die drie kolommen moet de tempel der opperste schoonheid, het wereldgebouw der menschheid, rusten en de Vrijmetselaars hebben dat symbolisch steeds voor oogen, om het in gedachtenis te houden en het na te streven.
De symbolen zijn als stil-spreken.
En ze spreken zoo innig, zoo teer, zoo mooi — zegt de Vrijmetselaar. „Wereld vol haat en misverstand; waarom zijt gij niet één groote Loge?" — roept Faubel hartstochtelijk uit! (blz. 36).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's