SCHRIFTVERKLARING
Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; denwelken geen mensch gezien heeft, noch zien kan; welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. 1 Timoth. 6 vers 16.
102 1 Timotheüs.
Eer en eeuwige kracht. Amen. In deze lofverheffing wordt God eeuwige eer toegekend. Maar wat zou dit baten, indien de kracht afwezig ware om Hem de eere te geven, die Hem toekomt, 't Zou slechts een wensch zijn, waaraan nimmer voldaan werd. Het zou wél getuigen van liefde en hoogachting als de inwoners van een rijk hun Koning hulde bewijzen, maar zij weten ook dat een rijk, dat machtiger is dan het hunne, al hun hulde nietig kan maken en hun geëerden Koning tot een dienstknecht kan vernederen. Bij den Koning der koningen is dit echter niet zoo. Hem komt eeuwige eer toe, maar Hij heeft ook eeuwige kracht. Dit is eene zaak die den apostel uitermate verheugt, die hem zóó bezielt, dat hij hierop het „Amen" onmiddellijk moest neerschrijven, of uitspreken, indien het ook van dezen herderlijken brief waar is, dat hij hem dicteerde, vóórzegde, terwijl een ander hem schreef. Dit laatste zegt ons dan, dat hij in het slot van deze lofverheffing Gods zóó vervoerd werd door den Geest, zóó verrukt over de deugden des Heeren, dat hij er een plechtig „Amen" op deed volgen. Hij was dus nog niet van plan den brief te eindigen. Dit zou al een poovere verklaring zijn van dit woord „Amen", als men meende: Paulus had reeds geëindigd, toen hem nog iets inschoot, dat hij ook nog wilde schrijven. Neen, hier is het woord „Amen" een plechtige bezegeling, die uit de volheid van zijn ziel opkwam, vooral toen hij zich indacht dat bij God eeuwige eere en eeuwige kracht samengaan.
Al wat zich tegen den Koning der koningen verzet, heeft geen kracht van zichzelf. Als satan de „overste der wereld" genoemd wordt, dan heeft de Heiland Zelf hem als een geweldigen wederpartijder aangeduid, als een vijand van God en Zijn volk, die de menschen dezer wereld met hun krachten en gaven gebruikt, om de heerschappij van den souvereinen God te fnuiken. Maar dit zal hem nooit gelukken. Immers niemand, geen mensch, geen engel, geen gevallen mensch, geen gevallen engel, heeft de kracht. Het schepsel heeft niet anders dan verleende kracht. En dit niet als iemand wien een geldsom verleend is en daarmede kan werken zoolang hij haar bezit, terwijl de gever dit maar moet toezien, ook al zou hij zich tegen den gever verzetten. Zulke tijdelijk-onafhankelijke krachten zijn er niet tegenover God. De Koning der koningen heeft elk oogenblik eeuwige kracht. Hij kan elk oogenblik de verleende kracht onttrekken. Hij bezit ,,eeuwige" kracht, zoodat Hij alle stroomingen en krachten „van den tijd" leidt en regeert tot het eeuwige doel dat Hij Zelf Zich voorstelde, n.l. Zijn eere, zooals wij in ons vorig stukje schreven. Het is geen wonder dat de apostel hierover in zielsvervoering geraakt. Zoo zal elk kind des Heeren zich met blijdschap verbazen over de grootheid Gods, als hij op zijn plaats is; de aanbidding des Heeren zal zijn ziel vervullen en hij zal het „Amen" uitspreken op elke lofverheffing Gods.
Het is dus duidelijk dat „Amen" hier niet een slotwoord is dat te vroeg wordt uitgesproken. Het woord heeft hier z'n veelzeggende beteekenis. Ieder weet dat de Heere Jezus dit oorspronkelijk Hebreeuwsche woord gebruikt, als er in onze vertaling staat: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u". Eigenlijk moest er staan, wijl dit woord toch overigens aan het slot van betuigingen en verklaringen, ook aan dat van de Evangeliën, onvertaald gelaten is: „Amen, amen, zeg ik u". Helaas is dit woord vaak een doode term geworden en klinkt het velen aan het einde van een gebed of van eene prediking in de ooren als een slotgeluid. 't Is wel een bewijs hoe de schoonste woorden tot een klank worden afgestompt door hun gebruik. Voor den apostel was het hier geen klank, zooals ik reeds zei, 't Was eene krachtige bevestiging die uit zijn Geestrijke ziel vloeide, alsof hij zeide: „Dit is vast en zeker zoo! Dit is eeuwig waar!"
Het schijnt dat in de samenkomsten der eerste Christenen het Amen-zeggen placht te geschieden. Immers lezen wij in 1 Cor. 14 vers 16: „Indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die de plaats eens ongeleerden vervult, Amen zeggen op uwe dankzegging, dewijl hij niet weet wat gij zegt?" In ieder geval was de gemeente en ook Timotheüs met dit woord goed bekend. Als dus in de Engelsche Bisschoppelijke kerk deze gewoonte nog bestaat, zooals ten onzent ook in de Hernhuttersche Broedergemeente en in de samenkomsten van het Leger des Heils, moeten wij die gewoonte vooral niet afkeuren, al begrijpen wij dat zij tot versteening voeren kan. Het is waarlijk wel hard noodig dat de gemeente in hare samenkomsten meer meeleven toont met wat gebeden, gedankt en gepredikt wordt. Veel te veel gelijken onze eerediensten op preek-en hoordiensten, waarin de prediker alleen werkzaam is en de gemeente slechts hoort, terwijl er voor afwisseling een paar keer gezongen wordt. Van het begin tot eind is heel de gemeente werkzaam, al kan slechts één persoon haar in overdenking, gebed en dankzegging voorgaan, 't Was werkelijk niet kwaad als zij door een Amen dit ook uitsprak, zooals in de gemeente van Corinthe. Dan werd deze waarheid meer aller eigen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's