GEESTELIJKE OPBOUW
De Vrijmetselarij (23)
De Vrijmetselarij (23)
In ons Slotartikel willen we met een enkel woord ons oordeel over de Vrijmetselarij neerschrijven.
De Opbouw van het Wereldgebouw. Bevordering van het geluk der menschheid en omzetting van het gansche leven. Dat zijn de Vrijmetselaars-idealen! Alle domheid moet weg, ook alle slechtheid. Alle twist en tweedracht, haat en nijd moet verdwijnen, 't Moet een paradijs worden op aarde, waar de volkeren in vreêverbond samen werken tot geluk der menschheid van welk ras, van welke nationaliteit ook. Alle dom en dwaas geredeneer over godsdienst moet ophouden, ieder moet in z'n eigen weg maar zalig worden en alle godsdiensten hebben even veel of even weinig goeds. Met symbolische figuren wordt doel en streven aangeduid. Niet ieder begrijpt dat, alleen de ingewijden, de broeders, de geestverwanten, die uitgekozen zijn uit de groote massa, na keur van ontwikkeling, beschaving en levenswandel. En alle Vrijmetselaars hebben zich te vereenigen, om elkaar te helpen; om elkaar nader in te leiden in de waarheid; om elkaar te electriseeren, opdat allen als profeten der waarheid optreden met kracht. De menschheid moet opgevoed worden bij de waarheid en gebracht worden tot de naastenliefde, zóó zal de nieuwe maatschappij geboren worden!
Mooie woorden! Mooie idealen!
En men stelt zich in deze onder het patronaat van St. Jan, of Johannes den Dooper (St. Jansdag 1717 is de stichtingsdag van de Vrijmetselarij in haren nieuwen vorm).
Maar wij dachten, dat Johannes de Dooper, de voorlooper van Jezus Christus, er enigszins andere gedachten en beginselen op na hield? Hij toch ging in de kracht Gods uit om Sions Koning een volk toe te bereiden en die profeet des Heeren sprak van zonde en oordeel en predikte de bekeering door water en Geest. Optredend in het midden van een volk, dat eigen kracht en eigen wijsheid en eigen gerechtigheid meende te bezitten, verkondigde hij dat al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed zijn en 't eenige wat hij predikte tot behoud was: Jezus Christus, die vóór hem geworden is en na hem kwam, zijnde het Lam Gods, dat de zonde der wereld op zich neemt ter verzoening.
De Vrijmetselaars willen daarvan niets weten. Zij noemen dat alles dogma 's en verwerpen al dat dogmatiseeren — zooals zij 't noemen — om een beroep te doen op den mensch en alles uit den mensch op te bouwen, door beter onderwijs, beschaving en ontwikkeling, om in naastenliefde met elkander te leven als één groote „broederschap".
De Vrijmetselaars zijn daarom wel voor goed onderwijs tot ontwikkeling van den mensch, maar ze zijn tegen het christelijk onderwijs, omdat de godsdienst juist haat en twist en partijschap en verdeeldheid brengt. Met den mensch is nog wat te beginnen, maar zoodra die mensch over godsdienst gaat praten en dien godsdienst op den voorgrond gaat plaatsen, loopt het mis. In 1717, het jaar van de oprichting, heeft men uitgesproken, dat men genoeg had van het gekibbel over den godsdienst. Jood en Christen hebben beiden voor een deel gelijk; de Boeddhist en de Mohammedaan hebben ook veel wat goed, schoon en waar is. Luther, Zwingli, Caivijn hebben het ware ook niet geweten. En daarom moet ieder voor zich zelf maar uitmaken wat waar en echt en goed is; niemand weet toch precies hoe 't alles is. Daarom ook niet de religie of godsdienst als grondslag voor hun stelsel, maar: de adel der menschelijke natuur, de brave mensch, het schepsel!
Alles wordt op het fundament van de brave menschelijke natuur gebouwd en menschen zullen menschen als levende steenen op dat menschelijk fundament doen verrijzen door alle tijden en onder alle volkeren, als het wereldgebouw vol van vrede en geluk. Zóó zal de tempel der schoonheid voor het oog der menschheid gezien worden straks tot aan de uiterste einden der aarde, als de menschen maar willen leeren verstaan wat de Vrijmetselaars bedoelen.
Als de Vrijmetselaars het over de Kerk hebben blijkt het, dat hun haat het diepst zit tegen de Roomsche Kerk, omdat die Kerk zegt de waarheid te bezitten en zich fel stelt tegenover allen die van die waarheid verschillen. Een Kerk, waar allerlei wind van leer is, zou nog 't meest aan hun ideaal beantwoorden, maar ook daar zijn dikwijls nog te veel dogma's; en die vermoorden alle ware religie juist, zegt men. Daarom moet men het maar zonder Kerk doen en ieder moet maar leven naar de inspraak van z'n eigen geweten. De godsdienst van den mensch, is de eenig ware godsdienst. Het recht van den mensch, de deugd van den mensch, de liefde van den mensch, dat zijn de peilers waarop het alles moet steunen wat tot heil van den mensch en van de menschheid is. Als de Vrijmetselaars dan ook den Bijbel nog hebben in hun Loge, dan is het meer symbool, als boek van wijsheid en schoonheid, dan dat het hun Gods geopenbaarde waarheid tot zaligheid is. De Vrijmetselaars noemen den Bijbel een van de drie groote lichten; men eert den Bijbel als symbool op het altaar, doch men haalt er niets uit den z.g.n. mooie gedachten, om te beoefenen naastenliefde, enz. enz.
Heel het gebouw dat zich de Vrijmetselaars denken komt naast en tegenover Gods Woord te staan. Dat is het vreeselijke. Dat is het vijandige. Dat maakt ook, dat het tot een teleurstelling, tot een ruïne wordt.
De H. Schrift toch zegt, dat Jezus Christus het fundament, de uiterste hoeksteen is, waarop het Godsgebouw zal rijzen tot in eeuwigheid, opgebouwd uit dat heilige, verkregen volk, gewasschen in Christus' bloed. „Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, gebouwd op 't fundament der Apostelen en Profeten, waar van Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, op welke het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast" — zegt Paulus in den Efezerbrief, maar ten opzichte van de Vrijmetselaars kunnen we zeggen, dat ze dezen steen hebben weggeworpen en dat ze bezig zijn op zandgrond te bouwen. Ze leggen zelf een fundament en wat ze er op bouwen is hooi en stroo en stoppelen, 't Is alles uit en door en tot den mensch. Waarbij de Heere zegt, dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpe lijk kleed en dat een iegelijk is vervloekt, die vleesch tot z'n arm stelt.
Men wil van den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus niet weten; slechts spreekt men in symbolische taal van den Opperbouwmeester des Heelals. 't Is een begrip, meer niet; hoogstens een stemming, maar; dat dan ook nog maar heel mager! Men wil geen ruw atheisme, maar sprekende van „God", willen ze Gods Woord niet aanvaarden en verwerpen ze Jezus Christus, Die in Zijn kruisdood den weg ontsloot voor een arm zondaarsvolk tot God, roepende tot de einden der aarde: wendt u tot Mij, want waarom zoudt gij sterven?
Volgens den Vrijmetselaar heeft de menschheid 't zelve in haar hand haar geluk te scheppen en den wereldtempel van schoonheid en geluk en vrede te bouwen; niet door zich te bekeeren tot God, niet door het geloof in Christus, maar door z'n plicht te doen, door z'n beste krachten te benutten, door zelfontwikkeling en zelfvolmaking. De wereld is haar eigen redster en de menschen hebben elkander te begroeten als redders der wereld, de aanbrengers van geluk, de wereldopbouwers, de stichters van het vrederijk!
Dat is het bedrog van de Vrijmetselarij — genomen op haar best.
Niet wat des menschen is, zal brengen het hoogste goed. De mensch is en blijft van nature een vijand, van zichzelf en van z'n naaste. Maar wat de wereld behouden kan is uit God en het wordt louter uit genade geschonken in Jezus Christus, naar Gods Woord. Zóó komt „de vrede op aarde" en uiteindelijk „wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in des menschen hart niet is opgeklommen; dat heeft God bereid in Zijnen lieven Zoon voor degenen, die Hem zoeken. Hem vreezen, Hem dienen, Hem liefhebben naar Zijn Woord en door Zijn Geest.
Wie dan ook het goede zoekt voor zichzelf, voor zijn kinderen, voor zijn naaste, voor zijn volk en vaderland, voor de wereld — die moet niet bij de Vrijmetselaars zijn. Dat zijn de bouwers niet van het huis, waarin wijsheid, kracht, schoonheid openbaar wordt en waarin geluk, vrede en liefde woont. Neen, het huis waar de Heere dat ten toon spreidt en dat openbaart, staat ergens elders.
Die dan ook bewonderaars zijn van wijsheid, kracht en schoonheid; die hunkeren naar levensgeluk, die smachten naar vrede en blijdschap, die liefde en barmhartigheid willen uitdeden — die moeten niet in de Loge zijn. Wie het goede wil zoeken voor zichzelf en voor anderen, die moet neerzitten bij de bron des levens Jezus Christus, die moet hooren en bewaren de woorden Gods, die moet eten van Zijn vleesch en drinken van Zijn bloed en die moet Hem volgen in Zijn bevel: predikt het Evangelie allen creaturen; want Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij.
Wie een ander bestek en een andere teekening er op na houdt, wie passer en duimstok en winkelhaak anders gebruikt, wie bouwt en versiert op andere wijze — die behoort tot de bouwlieden, die den steen, van God gelegd tot fundament en sluitsteen, verwerpen. Dat zijn sloopers, in plaats van bouwlieden. Die verwarren, breken af, ruïneeren in plaats dat zij helpen aan den bouw. Gods Woord laat zich niet inwisselen voor de filosofie van zondige menschen. Want wat wijsheid Gods is, dat is dwaasheid bij de menschen, maar door die dwaasheid der prediking van het Woord Gods zal de wereld gezegend worden en zullen de volkeren komen tot aanbidding van Sions Vorst. Dan komt er door Gods Geest vernieuwing en leven. Dan worden levende steenen toebereid en ingevoegd in het huis des grooten Konings. En die tempel is het wereldgebouw vol wijsheid, kracht en schoonheid; het gebouw Gods, tot vrede en zaligheid, ook waar de woeste volkeren wonen, om te staan tot in eeuwigheid.
Dat we medearbeiders Gods mochten zijn, om mee te bouwen aan dien tempel. Dat we als levende steenen zelf in dat huis mochten ingevoegd zijn, steunend op het fundament Jezus Christus. Dan zal dat huis ook door ons gezang worden vervuld, om Hem te loven en groot te maken, die te prijzen is tot in eeuwigheid door een volk, dat geen hooger lof kent, dan van Hem te getuigen: Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed, en Gij hebt ons Gode gemaakt priesters en koningen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's