De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Boven de krachten.

12 minuten leestijd

En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensohen, zijn mogelijk bij God. Lukas 18 vers 27.

Een zeker overste vraagde Jezus, zeggende: „Goede Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?"
Deze overste was een aanzienlijk Israëliet en een nauwgezet onderhouder van de Wet. Maar toch mist hij iets in zijn leven en gaat daarom tot Jezus. Maar als Jezus hem nu eenvoudig zegt, dat hij de geboden moet onderhouden, is hij verwonderd.
„Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan!"
Hij wil wat anders van Jezus hooren; er moeten nog andere eischen zijn. En dan noemt Jezus hem een anderen eisch: „Nog één ding ontbreekt u, verkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij".
Eigenlijk was dat geen nieuwe eisch. Het was maar een belichten van het ware onderhouden der geboden. Gods gebod onderhouden eischt eigen wil en lust onder Gods wil gevangen te hebben gegeven.
Had de overste dat? Kon hij dat? Kon hij Jezus, die hem riep, volgen met verlating van al zijn goederen? Neen, dat kon hij niet. Hij had vele goederen, en kon ze niet prijs geven voor Gods Koninkrijk. De overste had het ver, heel ver gebracht, maar hij stond toch nog buiten het Koninkrijk Gods.
De discipelen staan verwonderd. Ze zagen tegen dien overste op. Als nu zoo iemand, met al zijn deugden en werken, het Koninkrijk Gods niet kon ingaan, wie kan dan zalig worden?
Maar dan is het antwoord van Jezus merkwaardig: „De dingen, die onmogelijk zijn bij de menschen, zijn mogelijk bij God".
Met dit antwoord moet de Heere Jezus de discipelen in een zekeren zin teleurstellen. Daarin wordt toegegeven, dat het bij de menschen  o n m o g e l ij k  is, om zalig te worden. Maar dat moeten de discipelen juist verstaan. Zij moeten niet meer opkijken tegen het leven van een vromen Farizeer, die meent, dat hij door eigen werk kan zalig worden.
Zoo iemand was de overste. Hij was een man, wien het eeuwige leven, naar zijn meening, toekwam, zooals zijn leven op aarde in overeenstemming met Gods wet was. Hij was de man van het kunnen; de sterke, die met minachting op zwakkelingen neerzag; de verstandige, die de dwazen verachtte; de deugdzame, die den zondige vermeed.
Ook in onze dagen vinden wij zulke menschen, die alles kunnen. Wij kennen in het dagelijksche leven wel den zelfvoldanen werker, die meent dat hij zelf zijn leven groot maakt. En zulke sterke, verstandige menschen worden geëerd en gevierd. Menigeen, die niet bereiken kan wat zij bereikten, ziet met afgunst hen aan.
En toch, zijn zij werkelijk te benijden?
De menschen, die denken dat zij zelf „het kunnen", zijn nooit te benijden. Want die het zelf kan; heeft God niet noodig. En die God niet noodig heeft, leeft metterdaad ook zonder God. Daarbij kan hij wel een uiterlijk godsdienstig mensch zijn. Hij kan zelfs uiterst rechtzinnig zijn. Maar toch, als hij zelf „het kan", leeft hij zonder God. Benijdt ze niet, ook al zijn zulken voor velen een voorbeeld in uitwendig godsdienstig leven en deugdzaamheid. De overste was ook zoo deugdzaam als het kon en zoo godsdienstig als er maar één was. Maar daarbij kon hij zelf alles en stond daarom buiten het Koninkrijk Gods.
Maar, lezers, wat zijn wij als het over godsdienst en goede werken gaat? Zijn wij dan ook sterk? Zien wij met verachting neer op de zwakkelingen, die zoo spoedig voor de verieiding bezwijken? Als we hen in zonden zien vallen, zijn wij dan de sterken, wien zooiets niet overkomt? Staan wij daar hoog boven? Werken en streven wij met allen lust aan de bevordering van des Heeren Koninkrijk en het heil van onzen naaste, in de overtuiging dat ons alles gelukt? Dan zijn wij voor het oog van velen wel gelukkige menschen, maar dan hebben wij toch, omdat wij nooit de grens van ons kunnen voelden, God niet noodig gekregen in ons leven. En als we het zonder God kunnen, dan leven wij ook zonder God. En dan kunnen wij wel menschen zijn, die, zooals de Farizeërs, hoog boven anderen uitsteken, maar er is nog geen straal van eeuwigheidslicht op ons leven gevallen. Het einde van zulk een leven zonder God is met alle schoone vooruitzichten toch „zonder hope".
De rijke overste dacht er te zijn. En als Jezus met één eisch komt, blijkt hij buiten het Koninkrijk Gods te staan. Ja, 't blijkt, hij kan er niet in! Hij is te rijk! Alle rijkdom, ook de rijkdom van het „zelf kunnen", is een beletsel voor Gods Koninkrijk.
Maar het was toch gelukkig, dat de overste Jezus ontmoette. Die nam iets weg van zijn zelfvoldaanheid. Die stelde hem een ideaal, hooger dan hij zichzelf ooit gesteld had. Hij zag het: daarvoor schoot hij tekort. Nu was er iets, dat hij niet kon. En bedroefd ging, hij heen, bedroefd over zijn niet kunnen.
Hij wilde aan het antwoord van Jezus nog niet aan, maar hij was toch bedroefd.
Maar er waren er meer, die met dat antwoord van Jezus geen vrede hadden. De discipelen kwamen er tegen op: „Heere, dat is toch te veel, wat gij vraagt! Dan kan toch niemand zalig worden!"
Maar Jezus geeft in Zijn antwoord te kennen: „Zoo is het ook; het is ook onmogelijk; onmogelijk bij de menschen. En dat moet ge juist leeren. Zóó hoog moeten de idealen gesteld worden, dat ge dat leert".
Het is voor niemand een aangename zaak om dat te leeren, en toch is het noodzakelijk. De Heere gebruikt daar dikwijls moeilijke wegen voor. Als wij denken het in de wereld te kunnen maken, komt God met Zijn slaande hand. Hij breekt af, wat wij opbouwen. Als wij denken het geluk te hebben verworven, ontneemt Hij geliefde panden. Als wij denken het leven in onze hand te hebben, laat Hij zien, dat de dood vlak bij staat. God kan ons alles ontnemen, zooals Hij Job ontledigde. En dan wordt de sterkste zwak. Dan weet de verstandigste geen raad meer. Dan wordt de werklust gebroken en de levensvreugde zinkt weg. De mensch kan er niet meer tegen op!
Waar niet tegen op! Nog denkt hij dikwijls: niet tegen het noodlot op. Maar mensch, leer dan eens zien: „Tegen God kan ik niet op". Of leer het liever anders zien (want God wil onze vijand niet zijn): „Als de Heere niet aan mijn linker-en rechterhand staat, kan mijn leven niet gelukken".
God maakt mijn leven, maar dan moet ik mijn leven ook in Zijn hand leggen.
Maar niet alleen in het natuurlijke, ook in het geestelijke kan de Heere er ons aan ontdekken, dat wij niets vermogen zonder Hem. Maar dan is het noodig, dat ons verstand met goddelijk licht bestraald wordt. Want zonder dat zien wij er wel iets van, dat wij met onze deugd en godsdienst te kort schieten, maar dan gaan wij toch die breuk op het lichtste heelen. Wij spannen ons in, en ja, wij overwinnen gebreken, karakterfouten, booze begeerten.
Dat houdt echter op, als de Heere ons Zijn eischen laat zien bij het licht des Heiligen Geestes. Dan leeren wij, dat wij niet maar hier en daar, maar in den grond der zaak, in ons hart te kort schieten. Dan wordt ons alle godsdienst en deugd ontnomen. Dan zien wij, dat al wat wij meenen te bezitten, voor God waardeloos is. Onze godsdienst waardeloos! Ons kerkgaan, ons bidden, ons bijbellezen doelloos! Wij dachten er iets mee te werken en van dat alles geldt: „Het is den Heere tot een last".
Wie door Gods gunst verkoren.
Voor Zijn bevelen staat.
Ziet doelloos en verloren
Al wat hij doet of laat.
Doelloos en verloren worden al onze deugden en goede werken. En als we dat zien, wordt ons leven niet beter, maar slechter. Want uiterlijke deugd en godsdienst, al hebben ze geen waarde voor de eeuwigheid, kunnen den mensch wel in dien band houden. Maar die band springt, als Gods licht er op schijnt. Wij hebben niet meer de rem van 't Farizeïsme en de zonde breekt los. Als de wet inkomt, die de zonde aan het licht brengt, wordt de zonde meerder. Ze wordt meerder, omdat het wordt: willens en wetens zondigen. Ze wordt meerder, omdat niets meer haar loop schijnt te kunnen stuiten. Wij spannen ons wel in, maar eigen zwakheid wordt al meer en meer openbaar. Het is onmogelijk om de wet Gods te onderhouden; onmogelijk om zalig te worden. Wij zien ons dieper en dieper zinken. Wij worden ellendige menschen.
En in onze ellende kunnen wij dan afgunstig zijn op die deugdzamen en vromen, die sterken! Zij kunnen werken! Hun leven stijgt! En wat wij doen is alles vergeefsch werk; wij komen steeds verder achterop. Wij willen nog wel en zwoegen nog wel, maar alles wordt ons uit de hand geslagen.
Maar als het dan zoo droevig met ons staat, dat de eischen des Heeren ons vernietigen, heeft Jezus dan geen medelijden en matigt Hij Zijn eischen niet wat? Is het verwijt van de discipelen dan niet terecht: „Wie kan dan zalig worden!"
Maar Jezus geeft niets toe. Hij bevestigt ook dan, dat het inderdaad onmogelijk is, om van uzelf zalig te worden.
En dat moet ook de vrucht zijn van de kennis van uw droevigen zondestaat, dat het u duidelijk word: „Mensch, voor u als zondaar buiten God is er geen leven in der eeuwigheid mogelijk."
Maar ook al geeft de Heere Jezus niets toe. Hij laat u niet staan bij het: onmogelijk bij den mensch. Door die waarheid heen wil Hij u voeren naar de redding: „De dingen, die onmogelijk zijn bij de menschen, zijn mogelijk bij God."
Dat is het Evangelie voor een wanhopig zondaar. God moet er aan te pas komen, God moet het doen. God moet het doen. Maar is dat dan een Evangelie? Sommige menschen kunnen dat er niet in zien. Zij denken dat God een God van willekeur is. Als God het doen moet zegt hun dat slechts, dat zij maar lijdelijk moeten afwachten, of God het doen zal, en de kans daarop achten zij niet groot.
Ongetwijfeld, als God een God van willekeur was, dan lag in dat woord van Jezus geen blijde boodschap. Dan liet dat ons immers slechts de wagende mogelijkheid zien om gered te worden, met de grootste waarschijnlijkheid om verloren te gaan.
Maar Jezus' woord wijst ons naar een anderen God. Naar God die het zegt: „Zoo waarachtig als Ik leef, indien Ik lust heb in den dood des zondaars; maar daarin heb ik lust, dat de zondaar zich bekeere en leve."
De mogelijkheden bij God zijn geen onwaarschijnlijkheden, maar heerlijke werkelijkheden.
Alleen wij moeten die mogelijkheden niet in onszelf verwerkelijkt willen zien. In ons worden ze aan deze zijde van het graf nog maar ten deele werkelijkheid; zóó ten deele, dat van die mogelijkheid dikwijls niets te zien is.
Die mogelijkheden bij God moeten wij door het geloof zien als werkelijkheden in Christus Jezus Zijn Zoon.
„Hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God gedaan, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches."
Zoo heeft God de zonde veroordeeld in het vleesch.
En laten wij dan maar wanhopen, als wij zien op onszelven. Als we op Christus mogen zien, en in Hem het wonder van de mogelijkheden Gods, dan gelooven wij, dat Hij dat wonder ook in ons leven zal openbaren. Dat is geen uitwendig wonder. Sta daar niet naar, want dat zou alleen zijn tot verzadiging des vleesches.
Dat is een inwendig wonder: de omzetting van geheel uw hart en ziel en kracht en verstand. Zulk een wonder valt aan een medemensch niet op, en is toch de openbaring van den eeuwigen God in ons eindig bestaan.
Hoe staat het dan met ons? Hebben wij, zooals de discipelen, den geheelen nacht gearbeid, en niets gevangen?
Werpt 't net dan eens aan de andere zijde. Verwacht het niet meer van u w werk, maar van Gods werk!
Hebben wij als de kranke vrouw al onzen leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd en heeft niets ons gebaat?
Raak dan eens den zoom van Jezus' kleed aan en ge zult genezen zijn.
Hebben wij, zooals de kranke in Bethesda, acht en dertig jaren krank gelegen, wachtende op een mensch, die ons helpen kan?
Zie dan dat Jezus tot u komt en zegt: ,,Wilt gij gezond worden?" Luister naar Zijn woord: ,,Sta op, neem uw beddeken op en wandel." Zullen wij dan antwoorden: ,,Heere, ik kan niet." Of zullen wij opstaan in het geloof.
Als het dan nood is in ons leven; als we kennen den bitteren strijd met de zonde, het vallen en niet meer op kunnen staan, de vertwijfeling; dat wij eens aflaten van ons kunnen, en ons overgeven aan Gods kunnen. Dan zullen wij mogen volbrengen, wat boven onze krachten ligt, maar wat God door Christus in ons wil volbrengen. Dat is het wonder Gods in ons leven. Dat is het hooge, waartoe God ons roept, dat uitsteekt boven alle menschelijke zelfvoldaanheid. Dat is het leven uit den eeuwigen God, wiens eeuwigheidsleven in ons daalt. Dan wordt het onmogelijke door God tot werkelijkheid in ons leven.
Zij, die volbrengen willen
Wat niet de kracht vermag.
Zij zwoegen en verspillen
Hun uren dag aan dag.
Tot ze eens, naar Gods gedachten.
Wel hen! het werk volbrachten.
Dat boven hunne krachten.
Boven hun kunnen lag.
M.                                                                                B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's