De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

Een nieuw begin.
Weer een nieuwe jaargang, 't Is reeds de negentiende.
Kunt gij het gelooven, die met ons begon en nu reeds achttien jaren „De Waarheidsvriend" gelezen hebt? Ja — wel vliegen de jaren daarheen. De jaren zijn als maanden, de maanden als weken, de weken als dagen, de dagen als uren! De Heere heeft het wèl gemaakt dit jaar, gelijk de jaren te voren. We kunnen Zijn Naam niet genoeg prijzen, vanwege Zijne lankmoedigheid en Zijne goedertierenheden, die zoo vele waren.
't Ging om onze aloude Gereformeerde Kerk, die zucht onder een ongereformeerde kerkelijke organisatie, door zoo ontelbaar velen gebruikt — misbruikt — om onze Nederlandsche Hervormde Kerk van de Nederlandsche Gereformeerde belijdenis los te maken en het kerkelijk leven te verderven naar de dwaasheid van eigen wil en wet. De Heere wilde ons — niets beter zijnde dan anderen — aan Zijn Woord binden en liefde tot de belijdenis der Vaderen in het harte geven, om er naar te staan, dat het fundament Gods mocht worden bewaard in het midden van het Godshuis, dat de Heere Zelf bouwde in dezen lande.
Zullen wij roemen?
Neen, want wij zijn niets beter dan anderen en bij ons is uit en van ons zelf dwaasheid, hoogmoed, zonde. Maar de Heere gaf ons nog in Zijn kracht te verbreiden Zijn Waarheid, de waarheid der Schrift; en te verdedigen Zijn rechten en inzettingen, naar Zijn Woord.
Of het bate gaf aan de erve der Vaderen, aan het huis onzes Gods in dezen lande? We gelooven van wel. Omdat de Heere het wilde geven en werken; omdat Hij het wilde doen uit genade, om Zijns Zelfs wil, gedenkend Zijn Verbond.
Jongen menschen gaf Hij nog lust in het hart naar het predikambt. Onder jonge menschen ging een ritseling des Geestes, om jongelingen en maagden te doen vragen naar Zijne inzettingen en Zijn Waarheid. Het vereenigingsleven breidde zich uit. Liefde voor de Zending werd gewekt en versterkt. Belangstelling in de stadsgemeenten en in de dorpen werd openbaar. Naar een Gereformeerde prediking ging de vraag uit bij velen. Kerkelijk ging men zich richten naar de beginselen van Gods Woord, om kloek de wapenen ook te hanteeren, als 't noodig was, om ons Vaderlijk erfdeel te mogen herwinnen en behouden. Gebed ging op voor den vrede van Jeruzalem, 't Gebod der liefde werd aangebonden en de strijd voor waarheid en recht aangeprezen. Bijzaken bijzaken te laten en hoofdzaken als hoofdzaken te gevoelen, kwam als gebiedende eisch telkens tot ons, om saam te strijden voor de erve der Vaderen, voor 's Heeren Kerk in dezen lande; welke Kerk in den weg des Verbonds — en geenszins als losse individuen — in het midden onzes volks geplant, in de geslachten mocht ingroeien naar 's Heeren welbehagen.
Offers der liefde werden daarbij gebracht; offers van dank en van gehoorzaamheid. Alles onverdiend. Alles door menigte van zonden verontreinigd. Alles krachteloos en waardeloos in zich zelve. Maar om Christus' wil geheiligd. In Christus Gode aangenaam. In Christus niet ijdel. In Christus vol kracht en sterkte.
En op Zijn woord, op Zijn bevel, gaan we verder. Op Zijn genade en bijstand rekenen we. Met Zijn beloften zijn we rijk en in Hem zullen we kloeke daden doen. Houdt Christus Zijne Kerk in stand, dan geen nood. Zelfs Satan en wereld zijn in Hem geknecht; ze zijn krachteloos gemaakt; Hij heeft ze overwonnen. En allen die in Hem gelooven, mogen in stil vertrouwen nazeggen: „wij zijn méér dan overwinnaars!" Halleluja! Jezus leeft!

De „Groote" Kerk.
Er zijn menschen, vooral in de steden, die, als ze het hebben over de Hervormde Kerk, gewoon zijn te spreken van de „Groote" Kerk. Dat is de voornaamste Kerk, eigenlijk maar de „eenige" Kerk, de andere Kerken hooren er eigenlijk niet bij. De Luthersche Kerk niet, de Gereformeerde Kerk niet, de Christelijk Gereformeerde Kerk niet. Neen — dat is alles van nul en geener waarde. Maar de „Groote" Kerk is je ware. Nu kunnen we er iets van verstaan, dat historisch de Hervormde Kerk in het „midden" staande, een voorname plaats blijft behouden. De Dom te Utrecht, de St. Laurens te Rotterdam, nu, die staan waarlijk niet aan den omtrek, maar in het midden. Hoeveel banden binden de Hervormde Kerk ook niet, in stad en dorp, aan de bevolking van stad en land? Een paar miljoen Nederlanders behooren toch altijd nog tot de Nederlandsche Hervormde Kerk. En daar om, nu ja, dat er zoo'n toon soms gehoord wordt van de „Groote" Kerk, we kunnen het wel zoo'n beetje begrijpen. Maar — en daar wilden we op wijzen — die ,,Groote" Kerk moet nu voorzichtig zijn. Want er zijn al plaatsen, waar de „Kleine" Kerk de grootste is en de ,,Groote" Kerk tot een kleine is geworden. De toren van de „Kleine" Kerk steekt hier en daar al een heel stukje uit boven den toren van de „Groote" Kerk. Daarom zal de „Groote" Kerk geweldig op haar tellen moeten passen, anders raakt ze haar „groote" plaats kwijt.
En wat heeft ze dan te doen?
Ze moet dan niet roepen, doelend op zichzelf: „de tempel, de tempel, de tempel". Want Ezechiël heeft het tweestammenrijk van Juda op 's Heeren bevel indertijd ook in dezen flink de waarheid moeten zeggen. Daar zei men telkens: „wat aan het tienstammenrijk overkomen is, zal ons niet over komen, want wij zijn Juda; bij ons is de tempel, wij hebben de oudste rechten, wij ..... ..... En dan moet de profeet zeggen: „wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout?" Alsof de profeet wilde zeggen: gij moet u niet verbeelden, dat gij beter zijt dan een ander, want al zijt gij een „wijnstok" (zie ook Psalm 80), als de wijnstok geen vrucht draagt (en daar komt het op aan), dan wordt de wijnstok uitgeroeid en het hout van den wijnstok evengoed in 't vuur geworpen als ander hout, dat uit het bosch gehaald wordt. (Ezechiël 15). De waarde van den wijnstok ligt alleen in z'n vrucht. Dat mag de „Groote" Kerk ook wel bedenken.
't Gaat om leven, waarachtig kerkelijk leven; echt geestelijk leven; om vrucht als Kerk van Christus. Wie zich beroemt een „wijnstok" te zijn bewijze het in levende ranken en veel vrucht. Dan zal de Vader in den hemel zich verblijden. Maar als de wijnstok verdort, omdat hij uit Christus uitvalt en Zijn woorden niet bewaart, dan zullen de ranken geen vrucht dragen. En de bijl ligt alreede aan den wortel van den boom.
Of er ontkomen is aan het oordeel? „Ik ben de ware Wijnstok. Alle rank, die in Mij blijft, die draagt veel vrucht". De belijdenis van den Christus, den Zoon des levenden Gods, zij en blijve de kracht en de sterkte van de Kerk onzer Vaderen!

Zonde en genade bij de Modernen.
Velen zeggen gaarne, dat de Modernen van heden heel anders zijn dan de Modernen van vijftig jaar geleden. Vooral onder de Ethischen gaat dat verhaal van mond tot mond. Die verandering ten goede bij de Modernen moet dan, volgens die Ethischen, vooral gezocht worden op het terrein van zondebewustzijn en behoefte aan verlossing. Het Kruis zou zelfs voor de tegenwoordige Modernen heel andere, veel hoogere beteekenis hebben gekregen. Dat de Modernen van heden nog even ver van het Kruis der verzoening staan als vroeger, heeft niemand minder dan prof. Roessingh indertijd gezegd. En wanneer we geregeld lezen, wat de vrijzinnige Hervormde pers geeft, dan zijn we het hierin met prof. Roessingh eens. Er is in deze niets veranderd. Het Evangelie des Kruises is nog even groote dwaasheid en ergernis voor de Modernen als vijftig jaar geleden, 't Is en blijft afschuwelijke „bloedtheologie" voor hen.
We lazen een artikel over Zonde en Genade van den Tielschen predikant v.d. Poel. Na lezing vroegen we ons zelf af: waar zit toch die omkeering en die verandering ten goede bij de Modernen? Waarlijk, we konden ze niet ontdekken! Integendeel, 't Is in deze zooals het was!  We stippen een en ander even aan:
„Er is een tijd geweest, dat de vrijzinnigheid bovenstaande woorden òf niet òf slechts met grooten schroom gebruikte. Dit strekt haar tot eere. Woorden worden ook zoo gemakkelijk cliché's. Er zijn zooveel menschen, die spreken over zonde en genade, die niet voelen wat ze zeggen. Ze strijden dan ook niet tegen de zonde; ze doen hun best niet hun fouten en gebreken tegen te gaan en te overwinnen. Aan de hooge moreele eischen van de Bergrede b.v. en van andere redevoeringen van Jezus, wordt weinig gedacht.
Bij de vaststelling der Kerkleer èn in de eerste eeuwen, èn in den tijd der Reformatie, ging het allereerst om de zaligheid der ziel hiernamaals. Een „zaligheidshandel" wel genoemd. Nu heeft Luther den aflaatzwendel den nek omgedraaid, maar 't bleef bij hem: hoe krijg ik een genadigen God? wat moet ik doen om zalig te worden? Dit uitsluitend soteriologisch en eschatologisch (wat op persoonlijke verlossing en op het einde der dingen betrekking heeft) element in het geloofsleven, is door het Modernisme wel zoetjesaan uitgezuiverd. Hebben nu voor de Modernen de woorden „zonde" en „genade" geen waarde, geen geldigheid meer? We zouden deze vraag niet ontkennend durven beantwoorden. We geven aan die woorden wel een anderen inhoud, maar dat wil nog niet zeggen, dat het minder de oorspronkelijke Bijbelsche beteekenis er van zou vertegenwoordigen, dan wat er door de oude theologie van gemaakt werd.
Wij, Modernen, zijn ten minste in ons godsdienstig leven al zoo ver gevorderd, dat we niet trachten Gods wil te volbrengen, enkel met het oog op toekomstige zaligheid. Voor die toekomst hangt een sluier, dien wij niet gaarne opbeuren. Het woord zaligheid wekt bij ons heel andere gewaarwordingen. Dat is niet zalig leven na den dood, maar zielevrede, 't welk een werkelijkheid aanduidt van het leven nu, van het heden. Het eeuwig leven is voor ons het hooger leven, in den zin van Godsleven, maar niet een leven aan gene zijde van het graf. Wel leeft bij ons de hoop, dat wie in God leeft, en dus in God werkelijk zijn hoogste Goed gevonden heeft, na den dood in een hoogeren bestaansvorm dat leven ook zal smaken. Maar wij Modernen, gaan bij deze dingen van een gansch ander standpunt uit — dan de orthodoxen c.s. — het is ons om het werkelijke leven te doen, om de vrome zielservaringen in het heden, zij 't dan, dat die zalige ervaring slechts gebrekkig onder woorden te brengen is.
Als wij Modernen, over zonde spreken, dan bedoelen wij niet een toestand waaraan niets te veranderen is. Zonde is niet een onveranderlijk, vaststaand begrip (statisch) voor ons, maar een bewegelijk, veranderlijk (dynamisch) iets; iets Ievends, iets, dat daarom ook door werkelijken strijd kan worden overwonnen. En wij moeten dit dan ook zelf doen. Verlost is hij, die zich zelf verlost. Zelf moeten we ons bevrijden van wat ons belet als kinderen Gods, als kinderen des lichts te leven. En deze strijd is zeer zwaar. Want naast het goede, het hoogere, dat in onze zielen sluimert, is daar eveneens het kwade, het zondige. En dit heeft veel kracht. Meer kracht soms dan het goede. En van buiten af wordt het in beweging gebracht. Van buiten af lokt ons het kwade en trekt onze zielen van God af. Om het eens ouderwetsch te zeggen: de satan kan zich kleeden in de gestalte van een Engel des lichts. Mephisto in het Faustdrama, die bedoeld wordt daar als de kwade tendenz van Faust's ziel, meer dan een uiterlijke verleider, moest dan ook niet zoo leelijk voorgespeeld ziin. In den aanvang ziet het kwade er niet zoo leelijk uit! En van binnen is er iets, dat er mee correspondeert.
Ook wij, moderne menschen, erkennen „zondige" menschen te zijn. Maar dat is voor ons geen dogma. En daarom gaan we ook niet allerlei dingen uitdenken om er van „verlost" te worden; om voor 't kwade, dat we deden, verzoening, vergeving te vinden. Dat theoretiseeren baat ons niet en begeeren we niet.
„Vergeving der zonde" is voor ons een levend begrip. Juist de mensch, die 't goede wil, die 't allerhoogste nastreeft, stuit telkens op zijn eigen zwakheid, z'n eigen zondigheid. „Twee zielen" wonen in z'n borst. Dat kan hem, den naar 't goede strevende, ontmoedigen. Maar dan komt te midden van het ervaren, dat hij 't goede wel wil, doch dat het kwade hem bijligt, het verheffend gevoel, dat God over deze zwakheid, deze zondigheid heenziet, ze vergeeft en toch Zijn bijstand, Zijn genade wil schenken, om voort te gaan op den weg, dien Hij wijst. Wat we in 't verleden voor zonde deden, op grond van onze zwakheid, God rekent 't ons niet toe, want Hij weet, wat in ons is, beter dan we 't zelf weten. Als we werkelijk aan Gods stem in ons binnenste willen gehoorzamen en 't lukt ons niet altijd, God zal den wil voor de daad nemen. Hij vergeeft ons de zonde, zoo deze ons van harte leed is. Hij schenkt ons Zijn genade, om met volharding te blijven strijden den goeden strijd des geloofs. En dit is alles zaak van het leven, niet van de dogmatiek".
Dit resumé van een artikel van ds. F. W. J. V. d. Poel, doet o.i. wel zien, dat er in de geloofsvoorstelling en geloofsovertuiging van de Modernen toch zeker niet zoo'n groote en geenszins een pnncipieele verandering heeft plaats gegrepen. Van een anderen ,,greep" in deze is in de verste verte zelfs niets te bespeuren.

Verworpen.
Velen waren ditmaal nieuwsgierig naar den uitslag der stemmingen in de Novembervergadering van de Provinciale Kerkbesturen, te houden over de door de Synode tot tweemaal toe aangenomen wetsvoorstellen, inzake de Buurtgemeenten en de Walen.
Beide voorstellen raakten het Algemeen Synodaal Reglement — de grondwet der Hervormde Kerk sinds 1816 — en moesten daarom twee-derden van het totaal aantal stemmen verkrijgen, om in het Algemeen Reglement — het hoofdreglement — te mogen worden opgenomen. Dat is nu eenmaal de wet in onze Hervormde Kerk. De Synode kan beraadslagen, de Classicale Vergaderingen kunnen praten, de Synode kan aannemen en nog eens aannemen — maar dan is het laatste woord aan de leden van de Provinciale Kerkbesturen, die hoofdelijk stemmen over de nieuwe wetsvoorstellen, en dan zonder eenige motiveering van hun stem met voor of tegen uitspreken wat zij willen. Rekenschap van gevoelen is niet noodig! 't Is ja of 't is neen — en dan worden de stemmen voor en de stemmen tegen van de leden van de 10 Provinciale Besturen opgeteld. Hierbij moeten dan echter ook worden gevoegd vier stemmen van de Waalsche Commissie, waar de drie predikanten en de ouderling, die de oudste in zitting zijn, hun meening in dezen hebben te kennen te geven. (Art. 62 Algem. Reglem.). Heeft men zoo een totaal van voor-en tegenstemmen verkregen, dan kan natuurlijk worden uitgemaakt of de vereischte meerderheid voor bereikt is, ja of neen.
Hoe zou het nu gaan met het Reglement op de Buurtgemeenten, waarbij de steden met 5 en meer predikanten zouden gedwongen worden, om zich in buurtgemeenten in te deelen? En hoe zou 't gaan met het voorstel inzake de z.g.n. degradatie der Walen?
De stemming in de Kerk was ten opzichte van de buurtgemeenten maar zóó, zóó. Wat zullen de kleinere gemeenten, die de meerderheid vormen, nu toch ook eigenlijk oordeelen over de groote stadsgemeenten, en aan die groote gemeenten de wet gaan voorschrijven? Zijn die groote gemeenten zelf niet mans genoeg om, als het noodzakelijk is, maatregelen te treffen? Moet dat nu van hoogerhand gedwongen en opgelegd worden?
De Synode nam het voorstel tot tweemaal toe aan. De leden van de Provinciale Kerkbesturen, plus de vier Walen, hebben nu gestemd. De uitslag was 38 vóór en 29 tegen; en aangezien 38 geen twee-derde is van 67 stemmen ('t had 45 moeten zijn) is dit voorstel inzake de Buurtgemeenten verworpen.
Toen kwam het voorstel van de Walen, om aan deze kleine groep, welke veel te veel invloed heeft in de Synode en in heel ons kerkelijk organisme — en daarbij altijd in z'n geheel vrijzinnig — een andere en kleinere plaats te geven en ze in te deelen bij het Provinciaal ressort van Utrecht. De uitslag is geweest  42 vóór de wijziging en 25 tegen. Ook deze wijziging is dus verworpen, want 42 is geen 45. Maar 42 is toch bijna 45.
En wat zien we dus weer hier! In de Kerk, op de Classicale Vergaderingen, was de stemming vóór; sterk vóór. In de Synode was de stemming vóór; sterk vóór. En in de Provinciale Kerkbesturen waren er 42 voor en 21 tegen (25 - 4 = 21). Vóór, sterk voor. De Nederlandsche Hervormde Kerk is er dus vóór, sterk voor, dat de Walen, die nu een onbehoorlijk groote plaats innemen in de Nederlandsche kerkelijke organisatie, voortaan een bescheiden plaats zullen gaan innemen, meer overeenkomstig de beteekenis van de Walen. Maar als de Nederlandsche Hervormde Kerk dat wil en dat voorstelt en dat aanneemt, dan zijn de Walen zoo bescheiden en zoo vriendelijk en zoo eerlijk om daarmee mee te doen, gevoelende het billijke en het noodzakelijke?
't Zou wat!
Een paar jaar geleden hebben de Walenn veroorzaakt, dat we de Groote Synode, die de Hervormde Kerk in groote meerderheid begeerde, niet kregen! Nu hebben ze verhinderd, dat er een billijker en betere verhouding zou komen in onze kerkelijke organisatie. Wie voelt niet het nare van deze handelwijze der Walen? Ze hebben eigenlijk niets te maken met onze Nederlandsche Hervormde Kerk en ze steken telkens een spaak in het wiel.
Ja — ze doen zelfs méér tegenwoordig. Want ieder die het verslag van de Synodale Commissie gelezen heeft, weet, dat er een schrijven van den kerkeraad der Ned. Hervormde gemeente te 's Hertogenbosch is behandeld, waarin zich die kerkeraad er over beklaagt, dat door de Waalsche gemeente daar een cursus in de Fransche taal georganiseerd is, om de menschen Fransch te leeren en ze dan zoo van de Nederduitsche Hervormde Gem. te 's Hertogenbosch af te troggelen en ze bij de Waalsche Gemeente te annexeeren.
Wel vriendelijk! Zoo iets als smokkelen! Knoeien!  Een schitterend bewijs, dat de Waalsche gemeenten wel recht van bestaan hebben!! Vooral blijkbaar in den Bosch! Het Rijk geeft er ook nog f 1200,- voor!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's