De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Buiten Jezus geen heil.

7 minuten leestijd

„Extra ecclesiam nulla solus" of „buiten de Kerk geen heil". Ziehier, waarde lezer, een der stellingen, zoo niet de hoofdstelling, in het credo of de geloofsbelijdenis van onze Moederkerk, die van 't Roomsch-Katholicisme. De ware Protestant gaat hiermede niet accoord. Hij zoekt zijn zaligheid niet in iets, wat dan ook, buiten Jezus, doch eenig en alleen in den Middelaar Gods en der menschen. Zoo wordt dan ook in den Heidelbergschen Catechismus het 2de leerstuk, van 's Menschen Verlossing, door Zondag 5 terstond ingeluid met de gewichtvolle vraag: ,,Aangezien wij dan, naar het rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er eenig middel, waardoor wij deze straf ontgaan mochten en wederom tot genade komen?" en dra gewezen op den Middelaar Jezus Christus, gelijk Zondag 6 Hem dan ook bij name noemt. Bij dezen Middelaar willen wij een oogenblik stilstaan, ziende op Paulus' woord aan zijn zoon Timotheüs.
Tekst: 1 Timotheüs 2 vers 5b: „Eén Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus".
De Heere Jezus, die het afschijnsel is van 's Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, vergelijkt en openbaart zich voor de wereld zijner gunstgenooten als het licht der wereld en voegt er vertroostend aan toe: „Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen". Gewis, in uw licht, roemen zij, zien wij het licht, Hem, die het licht, het leven, de liefde is in zichzelf én voor zijn volk. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn immers alle dingen. Langs dezen weg worden Gods kinderen ook bepaald bij het pad ter verzoening met God, als Hij elders getuigt: „Niemand komt tot den Vader dan door Mij". Hier verklaart Hij zidh dus onomwonden als de eenige Middelaar Gods en der menschen. Wij kunnen tot God niet naderen dan door Zijne bemiddeling. Wie zonder Hem God tracht te ontmoeten, wordt onverbiddelijk afgewezen.
Christus' persoon is het fondament van al den raad Gods, ten opzichte zijner eeuwige heerlijkheid in de roeping, heiligmaking en zaligmaking der Kerk (Efeze 1 vs. 9, 10). God bezat Hem in het beginsel van zijnen weg en zalfde Hem van eeuwigheid af. Hij was van eeuwigheid zijne wezenlijke wijsheid, gelijk Hij altoos was, en altijd is in den schoot des Vaders, in de onderlinge, onuitsprekelijke liefde tusschen den Vader en Zoon door den eeuwigen band des Geestes. „Ik was", zegt Hij, „een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, ten allen tijide voor zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld zijns aardrijks, en mijne vermaken zijn met de menschenkinderen". Dit alles was zoo, „toen Hij nog niet gemaakt had de aarde, noch de velden, noch den aanvang van de stofkens der wereld", dat is, eer nog de mensch geschapen was. Niet alleen was des Vaders vermaak in Hem, maar ook zijn vermaak was in de wereld zijns aardrijks, en met der menschenkinderen voor de schepping der wereld, zoodat hierin gezien wordt op zijn eeuwig gezicht op het werk, dat hij voor de menschenkinderen te doen had. God legde in en met Hem het fondament van al zijnen raad, aangaande zijne liefde tot de kinderen der menschen. 
Van den aanvang af is Hij, Jezus, dan ook voorgesteld — het kon niet anders! — als de eenige troost of hoop des zondaars in leven en sterven. Met Hem is ons stam- en verbondshoofd Adam getroost, toen het gebod, dat ten leven was, oorzaak des doods was bevonden en hij, en wij in hem, gekomen was onder den vloek. Op Hem zijn de patriarchen Abraham, Izak en Jacob gewezen. Op Hem hebben zij geloovig geleund en gesteund. Zij wisten wat het inhield als de Kerk Gods vol-vroolijk uitriep: „Uw stok en uw staf vertroosten mij!" Van Hem spraken als om strijd de profeten. Van Hem weerklonken de velden van Bethlehem-Efratha al de engelen des hemels het ,,Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde en in de menschen een welbehagen" aanhieven. In Hem sohittert en vonkelt 't oog van vreugde, als de herders door de lantaarn zijner menschheid zijne Godheid aanschouwen, buigt zich de van ouderdom stramme knie, het grijze hoofd der Simeon's en Anna's in aanbidding, verlangende te sterven en heen te gaan in vrede, nu hunne oogen Zijne zaligheid hadden gezien. Door genade waren hun alle eigen leunsellen ontvallen en wisten — o, zoete wetenschap! —„het heil is des Heeren!"
En de apostelen? Op het bevel des Meesters gaan zij heen en verkondigen Hem als den Eenigen, die redding en leven geeft, tot de eere van zonen en dochteren des Allerhoogsten verheft en de geopende hemelpoort binnenbrengt. De zonde had een klove gegraven tusschen God en ons: de Christus wierp zich in die klove. Hij dempte haar, volkomen en eeuwig! De zonde had een muur opgetrokken tusschen God en ons: de Christus wierp zich op dien muur en brak hem weg tot den laatsten steen. Zijne voldoening aan Gods gerechtigheid bracht verzoening teweeg. Zijn bloed verzoende God met ons. Zijn Geest verzoent ons met God. Hij, het geslachte, maar ook het verheerlijkte Lam Gods, bekleedt zijn volk uitwendig met de witte wol zijner gerechtigheid in toerekening, en inwendig versiert Hij zijne kinderen met de brandende lampen van geloof, hoop en liefde door zijne gerechtigheid in inplanting. Zoo staat de bruidskerk bij tijden en oogenblikken aan 's Konings rechterhand, nu reeds bij aanvang, gansch en al verheerlijkt!
Eén Middelaar, de Middelaar Jezus! Hij, die van eeuwigheid uitriep: „Zie, Ik kom!" Hoe? Als Middelaar of eigenlijk Middenaar, die dus in het midden staat. Tusschen zijn Vader en den mensch. Een Middelaar van scheiding door de Wet, die Hij den sterveling zet en zelf draagt en vervult als het gouden verzoendeksel onder het spiedend oog der engelen, maar ook een Middelaar van vereeniging door het Evangelie, de blijde boodschap, waarmee Hij zijne kinderen als met 'n zoet engelenbrood voedt en verkwikt ten eeuwigen leven.
Middelaar! Maar voor wie? Voor hen, die de Vader Hem gaf. Voor wie Hij zijn gansche leven op aarde opofferde in gebeden en tranen. Van en voor wie Hij zelf getuigde: „Vader, Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt". Deze is hun aardsche, hun hemelsche Advocaat. Gelukkig de ziel, die in zijne hand hare zaken leggen mag. Zij zal niet beschaamd uitkomen, niet schaamrood wederkeeren.
Zeker, het valt niet te ontkennen, buiten Christus kan men ook komen tot een zekere kennis van God; maar tot den Vader komt niemand dan door Hem. Ook buiten Christus kan men tot op zekere hoogte komen tot kennis van zijne zonden in de algemeene gratiegave des Geestes, gelijk de heidenen, bijzonder de geleerden onder hen; maar zonder Christus komt men niet, ja nooit tot den vrede des rechtvaardigen, die daar doet roemen in Gods vergevende liefde. Ook buiten Christus kan men komen tot een uiterlijk onberispelijk leven; maar tot het leven Gode ter eer, daartoe brengt Hij alleen. Ook buiten Christus kan men gelooven aan onze onsterfelijkheid, aan de onuitbluschbare vlam der ziel; maar zalig in hope, wie was het ooit, die het niet aan Christus te danken had?
Wij leven snel, waarde lezer. Nog ettelijke dagen en onze Moederkerk ontsteekt bij de herdenking van Christus' komst in het vleesch in den Kerstnacht, wederom hare kaarsen. Buiten haar als zoodanig geen heil ..... En wij? Ons past, als dochter, niet waar, geen gram gezicht naar onze Moeder, geen geschetter van ijdele woorden, maar, mocht 't zijn, op den Kerstdag de bede van Israels dichter in 't hart en op de lippen: „Zend uw licht en uwe waarheid, dat die mij leiden, dat zij mij brengen tot den berg uwer heiligheid en tot uwe woningen; en dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, miin God!" 
Bleiswijk (Z.-H.).                                                                                       A. DEKKER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's