De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

Een dwaze situatie.
Het Kabinet de Geer is, naar men weet, in Maart 1926 opgetreden met de verklaring, dat de politieke vraagstukken, die verband houden met de partijgroepeering, zooals die tot op dat tijdstip in ons land bestond, zouden blijven rusten; of m.a.w. de regeering handhaafde ten opzichte van de principieele politiek den status quo.
Niettemin zien wij op dezen stelregel telkens inbreuk gemaakt.
Om slechts een paar voorbeelden te noemen, moge de aandacht worden gevestigd op de vervroegde invoering van de zevenjarige leerverplichting, een zaak die toch zeker niet buiten de beginselen omgaat, voorts op de uitbreiding, welke wordt gegeven aan de benoembaarheid der vrouw tot allerlei ambt, waartegen laatst nog, toen het openstellen van het griffiersambt der Provinciale Staten voor de vrouw aan de orde was, ernstige principieele bedenkingen werden geuit.
Thans doet zich weer een nieuwe kwestie voor, welke moeilijk schijnt overeen te brengen met de regeeringsverklaring van Maart 1926. Wij bedoelen het vraagstuk der lijkverbranding. Reeds op zich zelf gaat het met de zaak der lijkverbranding heel vreemd, want terwijl de begrafeniswet uitdrukkelijk gebiedt, dat de lijken zullen worden begraven, doen de voorstanders van lijkverbranding net of deze bepaling niet bestaat en gaan zij gewoonweg hun gang met in het crematorium te Westerveld de lijken van hun nabestaanden te verasschen. De Hooge Raad, wiens eindbeslissing indertijd werd ingeroepen, kwam met de zonderlinge uitspraak: De wet gebiedt wel het begraven van de lijken, maar verzuimde den persoon aan te wijzen, die voor het volvoeren van deze daad verantwoordelijk is. Zonder twijfel zal de wetgever in 1869 het zoo natuurlijk hebben gevonden, dat tot het begraven van den gestorvene de naastbestaanden zijn geroepen, dat hij den verantwoordelijken persoon niet aanwees.
Intusschen, hoe dit alles ook zij, de regeering noemt de lijkverbranding een der vraagstukken, waarvan de oplossing, gezien de verklaring vam Maart 1926, het handhaven van den status quo, niet kan worden verwacht.
Laat het Kabinet dus het lijkverbrandingsvraagstuk rusten, alzoo handelt niet het gemeentebestuur van Amsterdam, dat bezig is voorstellen voor te bereiden tot stichting van een crematorium met columbarium op een nieuw aan te leggen algemeene begraafplaats binnen de gemeente.
Een schrijven van B. en W. van Amsterdam aan den Raad der gemeente betreffende den bouw van een gemeentelijk crematorium vestigt er de aandacht op, dat, hoewel destijds de Kroon het Rotterdamsche raadsbesluit, dat voorstellen voor een dergelijken bouw inhield, heeft vernietigd, dit niet geschiedde omdat 't raadsbesluit in strijd was met de begrafeniswet 1869, maar op grond van het feit, dat er een wijziging in de wet bij de Staten-Generaal aanhangig was, waarin o.m. niet werd toegestaan, dat door gemeenten maatregelen werden genomen ter voorbereiding van den bouw van lijkverbrandingsovens. De afdoening dezer wetswijziging behoorde daarom te worden afgewacht.
Dat de gemeente Amsterdam thans toch met voorstellen komt tot het bouwen van een gemeentelijik crematorium, vindt z'n grond in de reeds meer genoemde regeeringsverklaring, dat het aanhangige wetsontwenp tot wijziging van de begrafeniswet 1869 in de huidige wetgevende periode van het Kabinet de Geer niet zal worden behandeld. Dientengevolge zal de regeering — zoo schrijyen B. en W. van Amsterdam aan den Raad — voor het geval de Raad tot den bouw van een gemeentelijk crematorium besluit, niet meer den vroeger aangevoerden grond (bij het vernietigen van het Rotterdamsche raadsbesluit) kunnen gebruiken, aangezien het genoemde wetsontwerp niet door het Kabinet wordt gehandhaafd.
De toestand is dus nu zóó geworden, dat de rijksregeering ten opzichte van het vraagstuk van de lijkverbranding op grond van de verklaring van Maart 1926 werkeloos blijft en niets doet, terwijl de gemeente Amsterdam zich op het standpunt plaatst, dat, nu uit politieke overwegingen voor de regeering het wetsontwerp tot wijziging van de Begrafeniswet niet meer bestaat en de Kroon zich dus op het aanhangig zijn van dit wetsontwerp niet meer kan beroepen, de baan open is om tot oprichting van een gemeentelijken lijkverbrandingsoven over te gaan. Of met andere woorden, het Kabinet-De Geer laat de zaak liggen en omdat de regeering thans den grond, welke vroeger werd aangevoerd tot vernietiging van het besluit, niet meer kan gebruiken, acht Amsterdam den tijd gekomen om over het bouwen van een gemeentelijk crematorium te beslissen.
Kan men zich haast dwazer situatie indenken? En wat thans in Amstendam gebeurt, zal zoo aanstonds in andere streken des lands navolging vinden. Reeds is bekend, dat in Rotterdam, Den Haag en Groningen de gedachten naar het verkrijgen van een eigen crematorium uitgaan.
Het zal ons benieuwen, welke de houding der Regeering zal zijn, als zoo aanstonds de goedkeuring van een eventueel raadsbesluit tot oprichting van een gemeentelijken lijkverbrandingsoven zal binnenkomen, en welk antwoord het Kabinet, dat de kwestie zelf niet wil aanraken, het gemeentebestuur van de hoofdstad des lands zal geven. Op dit punt moet elke anarchie worden geweerd en uitgesloten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's