KERKELIJKE RONDSCHOUW
Advent.
De Adventsweken zijn weer daar. De weken, waarin de Kerk des Heeren bizonderlijk bepaald wordt bij de komste (Advent) van Christus in het vleesch. In Hem ligt het bestaan der Kerk. Ware Hij niet gekomen, dan was de Kerk er niet geweest. Hij draagt de Kerk in Zich, naar des Vaders belofte, hebbende den H. Geest, die uit Hem zou nemen en Zijn erfdeel vergaderen. De Kerk bestaat niet zonder Christus; zou er niet zijn; zou ook niet blijven zonder Hem. De Kerk zou geen kracht, geen sieraad, geen sterkte, geen heerlijkheid hebben zonder Christus. Geen begin, geen toekomst. Maar nu wél! Laat de Kerk het in deze Adventsweken weer bij vernieuwing bedenken: „Hij is ons alles!" Opdat de Kerk zich verzekere Hem te mogen bezitten. Zijn eigendom te mogen zijn. Zoo dan de Kerk zich houdt aan Zijn Woord en innerlijk, vol geestelijk hongeren en dorsten, door den Heiligen Geest zich mag laten leiden, dan zal zij welvaren. Vrede zal in haar veste dan zijn. Maar smaadheid, verachtering, verwarring en verbreking zal haar deel zijn, indien zij Zijn Woord verwerpt en andere goden nawandelt, vervuld van den geest, die niet van Boven, maar van deze aarde is.
,,Blijft dan in Mij en Ik in u", zegt de Heiland. „Zonder Mij kunt gij niets doen". „Alle rank, die in Mij blijft, zal veel vrucht dragen; maar alle rank, die in Mij niet blijft, verdort en zal in 't vuur geworpen worden". Zij dan Christus onze sterkte en onze toevlucht, nu en tot in eeuwigheid.
De zegen van het Modernisme.
De Vrijzinnige Hervormden hebben praatjes voor tien en een man als ds. Creutzberg wordt voor den bokkenwagen gespannen, om den zegetocht voort te zetten van Noord tot Zuid en van Oost tot West. Nu kan men daarmee toch niet ongedaan maken de verwoesting, overal aangebracht. Daar praat men wel overheen en men doet wel heel erg verontwaardigd, als er gezegd wordt, dat het Modernisme de Kerk en het volk tot onberekenbare schade is geweest. Maar met dat hoog-doen kan men 't feit, zooals dat daar ligt, niet ongedaan maken!
Wij waren dezen zomer in een gemeente, waar jaren nu het Modernisme geheerscht heeft, 't Is er alles mors-dood. We zeggen niet, dat er niet een paar rijke boeren in de kerkvoogdij en in den kerkeraad zitten, die — als ze willen — alles naar hun pijpen kunnen laten dansen; die — als ze willen — ook een rijksdaalder in de collecte kunnen doen, zóó, dat het eigenaardig opklinkt in de kleine leege ruimte. Maar de boel is zoo dood als een pier en de weinige Protestanten die er zijn, worden óf Roomsch óf kijken nergens meer naar om; en die van buiten in de gemeente komen, weten niet waar ze heen moeten gaan; zoo dood en akelig en naar is 't.
We waren enkele weken geleden in een moderne gemeente in Noord-Holland, waar een groote kerk staat; maar waar geen mensch meer naar die kerk omkijkt. Jaren en jaren staat daar een moderne dominee, die geen steek uitvoert en niemand is er, die naar de Hervormde Kerk vraagt.
Ook lazen we pas een artikel van ds. Van der Meulen, van Purmerland, over de gemeente Ilpendam (N.-H.), waar het Modernisme lang geheerscht heeft en nu voor de rechtzinnige prediking een plaatsje gevraagd wordt. Ds. Van der Meulen vertelde, dat de kerkcollecten in de gemeente Ilpendam (Classis Edam) in de jaren 1912—'13 (de vrijzinnige jaren) gemiddeld ƒ 42.— per jaar bedroegen; terwijl gedurende de vacature van 1921—'23 (met afwisselend vrij- en rechtzinnige sprekers) de collecte gemiddeld ƒ 68.— bedroeg; en dat nu, onder de tegenwoordige rechtzinnige prediking (1924—'26) gemiddeld ƒ 272.— per jaar wordt ontvangen in de collecte.
Ds. Van der Meulen schrijft, dat hij zich boos gemaakt heeft, toen onlangs een vrijzinnig propagandist, ds. Baar, van Alkmaar, te Ilpendam optrad om te probeeren bij de verkiezing de gemeente weer „om" te werken. Met „bitterheid" werd hij vervuld — schrijft hij — toen hij dat gewaar werd. Deze bitterheid week later echter voor een gevoel van medelijden met der vrijzinnigen geestelijke armoede. Wat hadden ze eigenlijk te brengen? Ds. Baar sprak over: „Wat gelooven wij, vrijzinnigen?" Dit geloof bleek te bestaan in een afwijzen van materialisme en rechtzinnigheid en een aanprijzen van vrije vroomheid, vrij van Paus en Bijbel. Ds. Zwiep sprak over: „Ons recht in de Ned. Hervormde Kerk". Dit recht werd opgeëischt op grond van den bestaanden toestand en van in den vrijzinnigen tijd opzettelijk vervaagde uitdrukkingen in de kerkelijke reglementen, waaraan werd toegevoegd de bewering, dat afwijzen van de vrijzinnigiheid winst zou beteekenen voor Rome".
Ds. Van der Meulen, die deze vergadering meegemaakt heeft, schrijft dan verder: ,,Bij het debat werd m.i. volkomen terecht er op gewezen, dat in iedere Hervormde Kerk de boeken, welke op den preekstoel liggen, de stomme getuigen zijn tegen de vrijzinnige prediking; dat de hier voorgedragen leer geen troost biedt voor de eeuwigheid en dat de overgangen naar Rome talrijker zijn in de vrijzinnige landstreken en familiën dan in rechtzinnige".
„Ik meende" — schrijft ds. Van der Meulen verder — „den sprekers te mogen vragen, of zij, waar zij stelling namen tegen materialisme en tegen rechtzinnigheid, niet eveneens verplicht waren geweest zich uit te spreken tegen het modernisme, dat in de dagen van zijn heerschappij zijn waardeering voor geestelijke waarden uitdrukte in de tractamenten van predikanten; hoe dit modernisme smulde in minderwaardige spotschriften als Uylenspiegel; terwijl het niemand van minderen stand in de besturen toeliet. Waar tegenwoordig de tractementen tot het vijfvoudige zijn gestegen, waar de hoogere waardeering van geestelijke waarden het bestaan van de oude schotschriften niet meer mogelijk doet zijn, terwijl thans ook arbeiders in de besturen zitten, daar hebben vrijzinnige predikanten en onderwijzers dat mee te danken aan invloed der rechtzinnigheid".
„Saam in één auto zittend" — zegt ds. Van der Meulen — ,,wees ik de vrijzinnige collega's er op, dat toch ook in vrijzinnige kringen de behoefte wordt gevoeld aan een positieve belijdenis en vroeg ik, of zij een standpunt toelaatbaar achtten van een predikant, die destijds in het „Weekblad der Ned. Herv. Kerk" zich aanbood als „vrijzinnig, atheïstische nuance". Zij keurden dezen vorm af, maar meenden, dat ook dan geen leergrens mocht worden getrokken".
Wij zijn ds. Van der Meulen dankbaar voor deze mededeelingen.
Het is niet te ontkennen, dat het modernisme veel op z'n rekening heeft overal, en ja, ,,geen leergrens" is hun ideaal, „geen Paus en geen Bijbel"; en dan — verwoesting op verwoesting aanrichten.
Heel hun „recht" in de Hervormde Kerk steunt daarbij op moedwillig vaag gestelde formuleeringen en omschrijvingen in onze kerkelijke reglementen, waarbij zij moord en brand schreeuwen, als nu de rechtzinnigen een zwakke poging wagen om aan die dubbelzinnige omschrijvingen en dat „onwaarachtig geschipper" inzake „de leer der Kerk" een einde te maken.
„'t Is nu niet een „verruimen" van de leer, maar 't „doorsnijden van elken band" — zegt ds. Van der Meulen; dan ten slotte zeggend: „Ik voel mij allerminst geroepen als geloofsrechter op te traden, ik wil de vrijzinnigen niet uitdrijven, maar wèl de prediking van het Evangelie ook in hunne gemeenten bevorderen en hoe wij hierbij (dit is aan het adres van ds. Creutzberg gericht) met hen zouden kunnen samenwerken, is mij onbegrijpelijk".
De Vrije Gemeente jubileert.
Het is — zoo schrijft de N.R. Crt. — deze maand vijftig jaar geleden, dat de Vrije Gemeente te Amsterdam gesticht werd. Aan deze Gemeente zijn onafscheideiijik verbonden de namen van de gebroeders Ph.R. en P.H. Hugenholtz. 30 November 1877 is de stichtingsdatum. Toen waren een 150-tal mannen en vrouwen, die het besluit hadden genomen de Hervormde Kerk te verlaten, bijeen gekomen om te beraadslagen, hoe zij 't best „het godsdienstig gemeenteleven nu konden voortzetten". De N. R. Crt. zegt hiervan:
„Aanleiding tot dit besluit is geweest de aanklacht tegen en veroordeeling van ds. Hooykaas Hederscheê, die de belijdenisvragen der Ned. Hervormde Kerk naar eigen inzicht gewijzigd had en wiens zaak door tal van moderne predikanten tot de hunne werd gemaakt. Toen de Synode, ondanks dit verzet, nochtans die vragen als letterlijk verplichtend handhaafde, stak er een storm van verontwaardiging door heel het land op; een adresbeweging verzamelde de handteekeningen van 400 predikanten en 40.000 gemeenteleden, die met alle kracht opkwamen tegen hetgeen zij een schennis van het Protestantsche beginsel achtten.
De Synode van 't volgende jaar kwam aan de wenschen van adressanten tegemoet, maar op een wijze, welke de radicaalste bestanddeelen onder hen geenszins bevredigde. De veelbesproken vragen had zij weliswaar aanmerkelijk gewijzigd en getemperd, maar deze bevatten, naar P.H. Hugenholtz het uitdrukte, „in dubbelzinnige termen toch altijd nog een naar de letter verbindende belijdenis, waarin men o. a. verklaarde J e z u s C h r i s t u s t e v e r e r e n a l s d e n Z o o n v a n G o d".
„'t Was nu maar de vraag" — aldus de stichter van de Vrije Gemeente in een relaas omtrent het gebeurde — „of de moderne predikanten hun leerlingen te goeder trouw konden overreden om op die vragen ja te zeggen. Met andere woorden: de o f f i c i e e l e l e u g e n, het k u n s t m a t i g samenwonen van menschen, wier overtuigingen h e m e l s b r e e d verschilden, bleef daardoor bestendigd. Van de honderden en duizenden die protesteerden, legden nu de meesten zich rustig daarbij neer". Maar de in het lokaal Eensgezindheid te Amsterdam saamgekomenen, konden dit niet langer voor hun rekening nemen. Reeds meermalen was de vraag ter sprake gekomen, of men niet beter zou doen de oude kerk te verlaten en thans ging, na langen en bangen strijd, de weegschaal overhellen ten gunste van een nieuwe formatie.
Het is zelfs voor deze radicalen nog moeilijk geweest, hun aanzeling te overwinnen. „Want sterk zijn de banden, die ons hechten", aldus P.H. Hugenholtz, „aan een kerk, waarin we zijn gedoopt en opgevoed, en, al waren onze grieven ernstig en gegrond, groot was toch de verplichting, die wij aan de oude Moeder hadden".
Nu kwam voor de aldus uitgetredenen de vraag, of ze zich zouden aansluiten bij een der bestaande kerkgenootschappen, die van vrijzinnigen geest zijn doortrokken. De overmatig voorzichtigen gevoelden meer voor 't veilig steun zoeken bij een gevestigd genootschap, dan voor het onzeker drijven op eigen wieken in een zelfstandig georganiseerde vereeniging. Doch de groote meerderheid was, eenmaal de kerkelijke haven uitgeloopen, nu ook verlangend naar 't ruime sop.
Toen de zelfstandige vereeniging „De Vrije Gemeente" was opgericht, heeft men van allerlei kant nog beproefd haar voor een of andere verbinding te vinden. Nog vóór de stichting hadden de Dageraadsmannen in een stormachtige vergadering getracht de beweging voor haar doeleinden te winnen en er haar godsdienstig karakter aan te ontnemen. En kort nadat zij op 3 Februari 1878 haar eerste godsdienstige samenkomst in Maison Stroucken had gehouden, is van Remonstrantsche zijde beproefd, de overbodigheid van een nieuwe organisatie ten overstaan van de Broederschap aan te toonen.
Van den aanvang af echter heeft de Vrije Gemeente zoo wel tegen l i n k s als tegen r e c h t s haar eigen bestaansrecht verdedigd. In een pennestrijd tegen den Remonstrantschen predikant dr. J.W. Bok heeft Ph.R. Hugenholtz het zelfstandigheidsbeginsel gehandhaafd en zijn betoog is in een beantwoording van dr. Groenewegen door P.H. Hugenholtz tien jaar later in de Stemmen herhaald.
Het dilemma: Remonstrantsche Broederschap of Vrije Gemeente weigerde laatstgenoemde schrijver te erkennen. Men kon volgens hem met evenveel recht de keus stellen tusschen Luthersche, Doopsgezinde, Ned. Hervormde Kerk, Protestantenbond eenerzijds en Vrije Gemeente anderzijds. De vraag moest volgens Hugenboltz luiden: kerkelijke of onkerkelijke gemeenten, want het is haar o n k e r k e l ij k h e i d, welke de Vrije Gemeente vooropstelt. En de Remonstrantsche Broederschap handhaafde in haar grondslag „h e t E v a n g e l i e v a n J e z u s C h r i s t u s" nog altijd een „minimum van kerkelijke comfessie".
„De Vrije Gemeente" — aldus haar stichter — „is van oordeel, dat het religieus geloof van onzen tijd zooveel mogelijk moet worden uitgedrukt in de taal van onzen tijd. De overgeleverde formule: „het Evangelie van Jezus Christus", die tot eindeloos misverstand aanleiding geeft, acht zij dus daarvoor niet geschikt. Met eerbiedige waardeering van zijn religieuse grondgedachte ziet zij ook in het Christendom een historischen godsdienstvorm, die aan de wet van al het menschelijke onderworpen is".
„Er is" — voegde Hugenholtz in het hier aangehaalde betoog aan het vorenstaande toe — „geen reden, waarom wij in onze godsdienstige samenkomsten uitsluitend d e n B ij b e l, niets anders dan de Israëlietische en oud-ChristeIijke geschriften ten grondslag zouden leggen aan onze toespraken en overdenkingen". En voorts: „De Vrije Gemeente" stelt zich op één lijn met vereenigingen als het Nut of Toonkunst. Gelijk menschen zich vereenigen om algemeene volksontwikkeling te bevorderen of door muzikale uitvoeringen elkaar te verheffen, zoo vereenigen wij ons ook om 't hoogste, het godsdienstige leven aan te kweeken. Staan nu formeel die vereenigingen niet volkomen gelijk, al beoogt de eene een hooger doel dan de andere?"
Dat de Vrije Gemeente dit principieel onkerkelijk karakter onverzwakt heeft bewaard, blijkt na 50 jaar nog uit een verklaring van den tegenwoordigen voorgangar H.G. van Wijngaarden, die, in een bijdrage in het Novembernummer van Nieuwe Stemmen aan den tijd herinnerend, waarin hij vóór tien jaar het voorgangerschap aanvaardend, verklaart, dat hij zich tot dien post aangetrokken gevoelde, omdat hij in zijn nieuwe functie niet langer belemmerd zou zijn door „de scheefheid, die er bestond tusschen de vrijzinnige waardeering van de sacramenten en de kerkelijke uitoefening". Als Hervormd man moest men zijns inziens „toch altijd een g e v o e l v a n o n o p r e c h t h e i d" overwinnen bij de bediening der sacramenten, omdat men wist, dat zij, die ze hadden ingesteld en het overgroote gedeelte van hen, die ze nog vereeren, een geheel andere bedoeling met hen hadden, dan men er thans in wilde uitdrukken". Bovendien wordt een kerkelijke gemeente behalve door andere ook door traditioneele banden verbonden; de Vrije Gemeente kent daarentegen „slechts den band der gezindheid". „Tusschen 1877 en 1927 openbaart zich derhalve geen tegenspraak" — zegt de N.R. Crt. Orthodoxen en modernen zullen goed doen van enkele, door ons gespatiëerde uitdrukkingen en verklaringen in bovenstaand stuk, nota te nemen. 't Heeft ook in 1927 nog wat te zeggen, rechts en links.
Nederland een Gereformeerd land.
Men kan zeggen: Nederland is een protestantsche natie, een gereformeerd land. Natuurlijk bedoelt men dan niet, dat alle Nederlanders protestant zijn, nog minder, dat alle Nederlanders gereformeerd zijn, d.w.z. van gereformeerde belijdenis zijn. Maar als men zoo spreekt, dan bedoelt men dat Nederland, als volk en land, het gereformeerde, het protestantsche stempel draagt, omdat in de hervorming van Kerk en volk in de 16e eeuw hier niet het Luthersche, maar het Calvinistische, Gereformeerde stempel is ingedrukt.
Engeland, Schotland, en tot op zekere hoogte ook Amerika, zijn „gereformeerde landen". Dat will zeggen, dat daar de gereformeerde, calvinistische beginselen wortel geschoten hebben in het midden van 't volksleven, zoodat in Kerk en maatschappij, de gereformeerde, calvinistische beginselen een bepaald stempel op alles gezet hebben. Protestantsch en niet Roomsch. Gereformeerd en niet Luthersch. Duitschland en de Scandinavische rijken zijn meer Luthersch georiënteerd; Frankrijk en Spanje meer Roomsch; maar Nederland is gereformeerd-protestantsch.
Beginselen aangaande de Overheid, aangaande den Zondag, aangaande de Kerk, aangaande de democratie, enz., waren hier gereformeerd of Calvinistisch. Natuurlijik moet dit ten opzichte van het publieke leven en dus ook ten opzichte van den Staat, ruim genomen worden. Gereformeerd voor de Kerk of voor de School is weer anders belijnd, dan gereformeerd voor den Staat, voor het maatschappelijk-burgerlljk leven. Dat kan ook niet anders. Maar toch zijn de gereformeerde karaktertrekken van ons land en volk er geweest en ze zijn er nog. Ook hier geldt, dat in het heden achteruitgang is bij het verleden. Maar historisch is ons volk christelijk, protestantsch-christelijk, gereformeerd-protestantsch naar het type van Calvijn; niet Luthersch, niet Zwingliaansch, nog minder Roomsch, maar gerelormeerd à la Calvijn.
Daarmee hangt samen, dat hier de Kerk zoo'n voorname plaats innam en dat de worsteling op alle terrein des levens, ook op het terrein van het burgerlijk- en staatkundig leven, de theologische vragen van zoo'n buitengewone beteekenis waren en de geestelijke dingen overal om den voorrang worstelden.
De Kerk stond in het centrum. Daardoor ook de theologen. In Luthersche landen was dat anders. Daar drong de Vorst, de Staat, naar naar voren en de Kerk trok zich meer terug, de godsdienst schuilde niet zelden weg in gezelschappen. De Calvinist is actiever en spaart met z'n godsdienst geen enkel terrein des levens, geen enkel ding zelfs.
Zoo is dan ook in Nederland het stempel gezet in de gouden eeuw op alles en het kwam in alles uit, dat Nederland was een protestantsche natie, en dan niet Luthersch, maar Gereformeerd.
Heel veel is in deze veranderd. De bevolking is anders samengesteld. Het publieke leven heeft een ander aanzien verkregen. Maar de grondtrekken van ons volk en van ons Vaderland zijn: protestantsch, gereformeerd. En zoo moet 't blijven, zal het goed zijn.
De Zondagsrust in Engeland.
Dat gaat hard achteruit. De „Engelsche Zondag" komt overal in gevaar. Sport, spel, bioscoop, dans vreet voort als een kanker.
Nu weten we, dat Engeland z'n Zondagswet heeft, die dateert van 1677. 't Is de „Sunday Observance Act", uit de dagen van Karel II. Steen na steen tracht men ook hier los te wringen, om zoo straks van alle belemmeringen aangaande den Zondag af te zijn.
De Vereeniging tot bevordering van Zondagsrust weert zich dapper. Haar leden zitten in de Engelsche Staatskerk en ook in de Vrije Kerken. En men zegt, dat het ook aan deze Vereeniging voor een deel te danken is, dat behalve Manchester, ook Birmingham, Liverpool en 66 andere groote steden zich tege n het openstellen van sportparken en bioscopen op Zondag hebben verklaard.
Over het algemeen wordt in Engeland nog de hand gehouden aan de bestaande Zondagswet. Maar in Londen is het niet meer 't geval. Wel zijn schouwburgen en variété's zonder uitzondering, restaurants en lunchrooms voor 't meerendeel gesloten, maar het aantal bioscopen, dat des Zondags voorstellingen geeft, neemt toe. Niet minder dan 40.000 winkels, waarin chocolade of sigaren verkocht worden, zijn heel den dag open, ook gedurende de uren voor de godsdienstoefeningen bestemd. Oogluikend wordt dit toegelaten, aangezien, naar men zegt, de eigenaars dezer winkels Joden zijn, die immers hun Sabbath op Zaterdag houden! Natuurlijk is dit een van de vele „vonden".
De Zondagsrust verdwijnt, de Zondagsheiliging wordt dan natuuriijk ook bedreigd. We behoeven niet te zeggen, dat het mee de vloek van Nederland wordt, dat sport, spel, dans, bioscoop den dag des Heeren bijna overal vermoorden!
De Ethischen en St. Nicolaas.
De Kerknieuws-redacteur van de N.R. Crt. heeft van iemand een artikel ontvangen, dat hij met welgevallen plaatst. 't Gaat over de Ethischen en het is geplaats op den dag van St. Nicolaas. Geestig wordt daar over de Ethischen van het type ds. Hoek te Amsterdam geschreven. Ze spelen zoo graag voor St. Nicolaas, die allerlei surprices, allerlei verrassingen placht te brengen. Je weet nooit wat je aan de Ethischen hebt. En daarin scheppen ze zelf behagen. Met blije voldoening zeggen ze telkens: „niemand kan eigenlijk zeggen wat Ethisch; de Ethischen zelf kunnen het ook niet zeggen". In het Haarlemsch Predikbeurtenblad moet een van de Ethische dominees — naar we meenen ds. Foeken — naar aanleiding van een lezing van een Ethischen dominee over het Ethisch beginsel, geschreven hebben: „allen moeten naar die lezing gaan; ieder die eenigszins kan moet komen; en dan hoop ik, dat als we huistoe , gaan, dat niemand zeggen kan wat Ethisch is".
't Is wel om op te schieten! Maar met dat al spelen de Ethischen telkens St. Nicolaas. Ze gooien er maar wat uit. Dan dit en dan dat. En het een is dan weer heel anders dan het ander. Je weet nooit wat er komen kan uit den Ethischen boek!
De N.R. Crt. steekt daar echt leuk den draak mee. 't Eene oogenblik zeggen de Ethischen: „we zijn te Ethisch om Confessioneel te zijn". Even later — als deze of gene links kijkt — zeggen ze: „we zijn te Orthodox om Vrijzinnig te zijn", 't Eene oogenblik zeggen ze: „aan stembus gedoe doen we niet mee". Even later — als deze of gene er op rekent, dat ze niet mee zullen stemmen — zeggen ze: „we laten het er niet bij zitten en zullen ons best doen om de heerschappij in handen te krijgen". Trek daar nu maar eens gevolgtrekkingen uit! Te Vrijzinnig om Confessioneel te zijn, te Rechtzinnig om Vrijzinnig te wezen. Geen vogel en geen muis; een vleermuis soms? Wij gelooven niet, dat er van „de" Ethischen gesproken kan en mag worden.. De een kan hier niet spreken voor den ander, omdat de een anders spreekt dan de ander en omdat dezelfde Ethische hier weer anders spreekt dan daar. 't Ethisch beginsel is te rijk — zegt men — dan dat het in één persoon zou belichaamd kunnen worden. Een bedelaar kan dadelijk zeggen hoeveel hij bezit, maar iemand die wat bezit niet. Zoo rijk zijn de Ethischen, dat ze nooit precies kunnen zeggen wat ze zijn en wat ze hebben. Eerst in den hemel — zei een Ethische — zal verstaan worden wat Ethsch is!
Met dat al blijven we staan voor het feit, dat er uit het midden van de Ethischen allerlei verrassingen komen. Ds. Creutzberg heeft het weer bewezen, dat niets daar in dien Ethischen hoek te wonderlijk is, en ds. Hoek van Amsterdam verzekert ons, dat de verrassingen nog geen einde hesbben!
Intusschen zijn er ook Ethischen, die niets van dat gedoe moeten hebben en die met ons van gevoelen zijn, dat iemand die elken dag voor St. Nicolaas wil spelen, den naam van een verstandig bruikbaar man verspeelt. We moeten practische menschen hebben, gedragen door een hoog-heerlijk, kerkelijk beginsel, voor wie Christus, de Christus der Schriften, 't hoogste en 't heerlijkste is en voor wie de Ned. Hervormde Kerk nog wat beteekent, als ze wil en mag zijn een getuige van Hem, „Die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking".
Dit heeft niets met den GereformeerdenBond te maken.
Van meer dan één kant wordt ons gevraagd, of de „Evangelisaties" te Zwijndrecht en te IJsselmonde van den Gereformeerden Bond uitgaan? Wij kunnen alleen meedeelen, dat aan het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond niets bekend is van „Evangelisaties" in genoemde gemeenten. Indien er dus zoo iets gaande is, wete vriend en vijand, dat het in alle opzichten buiten onzen Gereformeerden Bond omgaat. Predikanten, die voor onzen Bond voelen en eventueel gevraagd mochten worden, kunnen, met deze mededeeling hun voordeel doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's