GEESTELIJK OPBOUW
De pluriformiteit der Kerk. (2)
De pluriformiteit der Kerk. (2)
De Kerk van Christus is geweest van den beginne der wereld af en zal zijn tot het einde toe — zegt art. 27 Ned. Gel. bel.
Vóór Christus in het vleesch was, was er dus reeds een Kerk des Heeren — Christus is van eeuwigheid Sions Borg en vergadert van den beginne af aan Zijn lichaam tot één — maar de Kerk des Heeren, het volk Gods, vinden we dan uitsluitend en alleen onder het Joodsche volk in Palestina, waarbij Kerk en Staat op 't nauwst verbonden waren en men inderdaad kon zeggen: héél de Kerk en héél het volk!
Na Christus' komst op aarde breidt de Kerk des Heeren zich uit over alle landen en volkeren en wordt de verhouding van Kerk en volk in alle landen geheel en radicaal anders, waarbij wij immers belijden, dat zoowel de gang van zaken onder het Oude Verbond als de gang van zaken onder het Nieuwe Verbond beide is naar Gods bepaalden raad en naar Zijn voorkennis. De Heere die het voor het Oude Verbond héél anders besloten had dan voor de Nieuw-Testamentische bedeeling, is één en dezelfde God, Wiens souvereine wil voor ons wet is en te prijzen tot in eeuwigheid.
Hoe is nu, in 't kort, de gang der zaken onder het Nieuwe Verbond?
Immers alzoo: dat krachtens het zendingsbevel overal het Woord gepredikt wordt en dat in alle landen en onder alle volkeren tusschen een gedachtenwereld, welke vervreemd is van God, een planting des Heeren ontstaat, door Zijn Geest en Woord in 't leven geroepen, om in de wereld doch niet van de wereld te zijn, en als uit de wereld te behouden wat God zich heeft voorgenomen.
Zoo zien we dan te midden van een nationaal leven een Kerk, die niet bij het natuurlijk leven past, maar er als een bizonder werk Gods door Zijn Heiligen Geest in gebracht wordt, alom verrijzen.
Als regel dus héél iets anders dan onder de Oud-Testamentische bedeeling n.l. in alle landen nu een Kerk, die niet héél het volk omvat, maar veeleer als een planting Gods in het midden van het volk staat en daar niet zelden met het leven des volks zal botsen, om er benauwd en verdrukt te worden. De bruid van Christus heeft tot lot haar bruidskleed met tranen te doorvochtigen, in de wereld en van de wereld verdrukt wordend. Wel zal die Kerk, omdat zij zich in den weg der ambten en rondom de sacramenten alom in georganiseerden toestand gaat openbaren en zich in den weg des verbonds in de geslachten gaat handhaven en uitzetten, ook overal met het volksleven in aanraking komen, om zich dan bij het leven der natie zooveel mogelijk aan te sluiten. Daarbij is het ideëel niet uitgesloten, dat een groot deel van het volk, misschien zelfs het grootste deel der natie zich binnen de grenzen van de Kerk des Heeren, rondom de ambten en de sacramenten, voegt. Maar in principe is het toch altijd „velen geroepen en weinigen uitverkoren", of anders gezegd: „de natuurlijke mensch bedenkt niet de dingen die des Geestes zijn''. Wereld en Kerk staan diametraal tegenover elkaar, hoewel de Kerk juist voor de wereld door God gegeven is. Het gaat principieel in den weg van de antithese, van de tegenstelling.
De kracht van de Kerk des Heeren zit nooit in het natuurlijk leven, altijd in het leven dat uit God is, gewerkt door den H. Geest en door Gods Woord, 't welk vleesch en bloed tegenover zich vindt altijd en overal. En gaat de Kerk des Heeren dan in den weg des Verbonds door de geslachten en daandoor dwars door het natuurlijk leven, waarmee de Heere, de God des Verbonds Zijn heilige bedoelingen heeft, dan moet door de Kerk van Christus het Verbond steeds heilig gehouden worden, want het mag niet „uit gewoonte of bijgeloovigheid" geschieden, als 't betreft de kinderen des Verbonds in den Doop en nog veel minder als 't voor de volwassenen gaat om gedoopt te worden. Wat natuurlijk ook geldt als men begeert, aan den disch des Verbonds aan te zitten, 't Moet gaan met oprecht begeeren in leer en leven naar het heil in Christus voor Gods kinderen geopenbaard, in gehoorzaamheid aan en onder de tucht van Gods Woord, 't welk inderdaad velen steeds zal doen afvallen door onbekeerlijkheid des harten en door ongehoorzaamheid in belijdenis en wandel, waarop de Kerk toezicht moet houden en waarover de Kerk tucht moet oefenen.
En zoo zijn we als van zelf gekomen tot het georganiseerd leven der Kerk. Want bevindt de Kerk zich onder alle volkeren en in alle landen, overal waar Gods Woord gepredikt is en door Gods Geest het zaad wortelen geschoten heeft, dan kunnen we dus zeggen, dat overal zich bevinden kinderen Gods, die al hun heil verwachten van Jezus Christus en Hem belijden als hun Heiland en Koning. Overal zijn ze dan, die als lichten schijnen in 't midden der duisternis. En ze komen in aanraking met alle kringen, zijnde in de wereld, hoewel niet van de wereld. Ze brengen hun invloed, door Gods genade en in Gods kracht, onder de menschen, die overigens aan het Godsleven vreemd zijn. Ze zijn zegenaars der menschheid door den zegen, dien zij, in Christus, van hun God ontvangen mogen, goede uitdeelers van menigerlei genade. Ze zijn getuigen van Christus naar Zijn Woord en bidders voor de wereld, zooals Abraham bad voor Sodom. Ze zijn door Gods genade voorbeelden door hun stillen wandel, waartoe zij in hun zwakheid kracht ontvangen van den Vader der lichten, van Wien alle goede gaven en volmaakte giften afdalen. Dat is het lichaam van Christus!
Daarbij zijn ze zwak in zichzelf, vol gebreken en vol zonde, tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed, waardoor hun kracht niet zelden gebroken wordt, de naam des Heeren gesmaad en gelasterd en het Koninkrijk Gods verzwakt in zijn werking. Ze worden van alle kanten gehaat en tegen gestaan, omdat de wereld God haat en allen die Zijn Naam belijden en Hem vreezen. Ze worden niet zelden geteekend als waren ze het vuil der natie en een pest voor het land, waarachter de raadslagen des boozen zitten, die als een moordenaar loert op het volk door den Heere uitverkoren en bemind. Dat is het lichaam van Christus!
Maar die geloovigen, hier meer en daar minder in aantal zijnde, gaan zich naar zielsbehoefte en uit gehoorzaamheid aan Gods bevel, vereenigen rondom ambt en sacrament.
En zoo krijgen we dan de Kerk als instituut, de Kerk in haar georganiseerde deelen, in de steden, in de dorpen, in de landen, in de werelddeden.
Heel de Kerk van alle plaatsen en alle tijden ligt volmaakt tot in alle bizondeirheden, van eeuwigheid voor Gods oogen, in heerlijk perspectief voor Hem, Die alle dingen ziet en weet. Dat is het lichaam van Christus! Maar natuurlijk wordt dat stuk voor stuk in de jaren en in de eeuwen openbaar, niet alles tegelijk, maar geleidelijk, nu eens hier en dan weer daar. Wat in Rusland nog niet is, kan en zal komen op Gods tijd. Wat in Indië of Afrika of Australië nog niet is, kan en zal openbaar worden naar Gods raad op Zijn tijd.
En zóó valt de Kerk voor ons, naar Gods bedeeling, plaatselijk en landelijk, door den loop der eeuwen ingedeeld, stuk voor stuk uit elkaar, 't Is één, die ééne algemeene Christelijke Kerk van den beginne der wereld tot het einde der dagen toe, maar 't komt niet ineens, ook niet op dezelfde wijze, ook niet door alle tijden heen met hetzelfde licht, ook niet door alle werelddeelen onder dezelfde vormen. Het is Gods raad, dat het gaat door velerlei vormen en langs velerlei wegen, met een veelzijdige geschiedenis. Eerst in de volheid der tijden, eerst na het laatste oordeel, als de nieuwe en eeuwige bedeeling Gods geopenbaard zal worden, zal het als één groot en heer lijk geheel voor ons oog verrijzen: de ééne Kerk, van alle eeuwen en alle tijden; het lichaam van Christus in heerlijkheid. Dan zal het plaatselijke, het landelijke, het tijdelijke, het gedeeltelijke geheel en voor goed weggevallen zijn en dan zal het Godsgebouw, de Kerk van Christus, het volk Zijner liefde, de schapen Zijner weide in volmaakte heerlijkheid en ondeelbare grootheid voor het oog van God en Sion verrijzen en de Heere zal alles in allen zijn. Dat is de eene, heiliige, algemeene Christelijke Kerk, in den loop der tijden stuk voor stuk toegebracht, op velerlei wijze toevergadend, om dan eeuwig in ongedeeldheid in heerlijke volmaaktheid uit te blinken tot eere Gods en tot zaligheid van een gansch groot volk, uit alle natie, als de herboren menschheid, saamgebracht.
Velen, zéér velen zullen dan uitvallen, naar de keuze van eigen hart in het heden der genade gedaan. Maar de volkeren zullen saamkomen als het volk des Heeren, om in Christus den Heere toe te behooren als een verkregen volk, gerechtvaardigd van de zonde en geheiligd in den Geest.
Maar — deze ééne, heilige, algemeene Christelijke Kerk in ongedeelde heerlijkheid zien we nu nog niet en zullen we, in deze bedeeling, nooit en nergens zien.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's