De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prof. Hepp en ’t Paradijsprobleem

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. Hepp en ’t Paradijsprobleem

5 minuten leestijd

Prof. Hepp is geen vriendelijk man. Beleefd werd hem nadere toelichting verzocht over het „Assensch standpunt", waaraan hij normatieve waarde schijnt toe te kennen. Doch hij gaat er niet op in. Het schijnt een soort geheimleer. De Gereformeerde Kerk stond echter oudtijds naar klaarheid en openbaarheid inzake belijdenis.
Prof. Hepp komt naar het exempel der 18e eeuwsche formeele Gereformeerdheid met eenige verdachtmakende beweringen, als: prof. Visscher vraagt slechts naar Mozes' bedoelingen, niet naar die van den Heiligen Geest; hij weigert Schrift met Schrift te vergelijken, laat de Schrift uiteen vallen om elk stuk uit verschillende cultuur-milieus te verklaren, geeft de eenheid van de Schrift prijs, en zoo voort.

Het doet mij leed, maar wie zulk geschrijf leest, kan de vraag niet onderdrukken, hoe het mogelijk is, dat iemand, die de pretentie heeft man van wetenschap te zijn, zulk eene volstrekte onkunde in de exegese kan verraden, en die de pretentie heeft van bij uitnemendheid „Gereformeerd" te zijn, zoo onbekend kan zijn met Calvijn's en dr. Kuyper's theologie. Calvijn legt telkens het verband tusschen Mozes en zijn levensmilieu, waaraan hij zich zelfs volgens Calvijn heeft aangepast. En dr. Kuyper waarschuwt nadrukkelijk de Schrift toch vooral niet tot een stoort Koran te maken en steeds te bedenken, dat zij een „stuk menschelijk leven is onder goddelijke inwerking". En men behoeft toch alleen maar een Hebreeuwsch of N. Testamentisch woordenboek gezien te hebben om te weten, dat voor den zin van elk woord wij met het cultuur-milieu van doen hebben. De Gereformeerde Vaderen hebben zich afgesloofd, de kanteekeningen en de tekst van den Statenbijbel wijzen het uit, om angstvallig den juisten zin der Schriftwoorden te doen kennen. En dat zij bij de verklaring van elke plaats ook het licht, dat van andere Schriftuurplaatsen en ook hetgeen van buiten de Schrift klaarheid brengen kon, hebben gebruikt, is voor ieder, die het wil zien, duidelijk, zelfs voor den eenvoudigste. Maar zij hielden zich daarbij aan de Schrift en onderwierpen zich aan haar gezag. Zij weigerden volstrekt met prof. Hepp eene bedoeling des Geestes te zoeken, die boven de gewijde Schrijvers uitging, indien daarvoor in de Schrift zelve geen grond was te vinden. De echte Gereformeerde theologen waren tegenstanders van de Coccejaansche methode, die met een beroep op den boven de Schrijvers uitgaanden zin van alles alles maken konden. En zij hebben ook alle gewelddadige operaties op den tekst beslist afgewezen.
Zoo is het dus duidelijk, dat als b.v. iemand op grond van Openbaring 22: 2, waar iets van de heerlijkheid van Gods volk wordt vertolkt door voorstellingen, aan het paradijs ontleend, nu zou beweren dat het paradijs geen aardsch paradijs, de boomen geen boomen en de menschen geen menschen waren, dan moet zulk een willekeurige verklaring worden verworpen, al beroept men zich op hoogere werkelijkheden. Van hoogere bedoelingen des Geestes dan die van Mozes of andere Schrijvers, kan eerst dan sprake zijn, als de Schrift zelve daarop wijst, maar men mag ze niet zelf maken. De exegeet, die dat doet, legt niet meer uit, maar legt in. Dat is pure willekeur en miskenning van Gods Geest. Met de boven Mozes' bedoeling uitgaande wijsheid van den heer Hepp hebben wij en heeft ook Gods Kerk niets te maken. Eerst als de Schrift zelve in citaten, vrij of letterlijk, er op wijst, is daarvan sprake. Zulk eene beschouwing der Heilige Schrift als prof. Hepp voorstelt, is met de grondslagen van de gansche Gereformeerde theologie in lijnrechten strijd. Is dit nu soms de geheimleer? Meestal heeft zoo iets de eigenaardigheid van aan niemand duidelijk te zijn, zelfs niet aan hem, die ze huldigt.
Daarom moge ik hier mijne vraag herhalen: „Wat is precies het Assensch standpunt?" Aan vage verdachtmakende beweringen heeft ons Gereformeerde volk niets, maar aan klaarheid op het stuk der Schrift. En prof. Hepp heeft de zedelijke verplichting precies te omschrijven, wat het Assensch standpunt is inzake de Heillge Schrift, gegeven het materiaal, waarover onze tijd beschikt.
H. VISSCHER.

Halve waarheid.
Ds. Schilder beklaagt zich over hetgeen ik hem niet ten laste legde. Ik schreef niet, dat hij met prof. Hepp vooraf heeft gesproken over de recensie van mijn geschrift, maar wees slechts aan, dat de mentaliteit van den kring der Reformatie de mare der onguurheid deed voorafgaan aan de verschijning van het boek.
Ds. Schilder stelt zich nu aan als behartigde hij met de belangen van zijn publiek ook de mijne. In de werkelijkheid deed hij dit op een verdachtmakende wijze, die zelfs bij menschen van zijn eigen Kerk de ergernis opwekte. Hij diende prof. Visscher aan als iemand, waarmede men voorzichtig moest zijn, want „de gereformeerden" hadden al eens eerder met hem van doen gehad. De verontschuldiging van ds. Schilder bevat slechts eene halve waarheid.
Ik zal er daarom de heele waarheid bij voegen: prof. Visscher heeft jaren vóór den oorlog al gewaarschuwd voor de infectie die de Gereformeerde actie bedreigt. Jammer, dat zij niet naar hem geluisterd hebben, dan was Assen niet noodig geweest. Hij heeft gewaarschuwd tegen de aanranding der Heilige Schrift, toen het geheele slot van Markus XVI in naam der tekstcritiek door een hoogleeraar der Vrije Universiteit eenvoudig uit den Bijbel werd geschrapt. En prof. Visscher heeft ook gewaarschuwd tegen het hoog van den toren blazen over een zoogenaamide „gereformeerde" wetenschap, waarvan de heeren zelven niet weten wat zij is. Hij heeft dus het pleit gevoerd onder hoon en smaad, ook van deze „gereformeerden", voor de beginselen der Reformatie. En deze heeren, ds. Schilder, prof. Hepp en dergelijken, die zich aanstellen, alsof zij de gereformeerde wijsheld in pacht hebben en als een soort ijkmeesters rondgaan, houd ik voor een gevaar, niet voor ons, Hervormden, die zij niet benaderen kunnen, maar voor de Gereformeerde Kerken. Calvijn en Kuyper zijn op hunne weegschalen nog veel te licht bevonden. Wie kan er op die wijze nog lid dier Kerken zijn! Dit is de volle waarheid, waarover de heeren maar eens nadenken moeten.
H. VISSCHER.                                                                                        Huis ter Heide, 6 Dec. 1927.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Prof. Hepp en ’t Paradijsprobleem

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's