MEDITATIE
Zijnen Naam
Men noemt Zijnen Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst. Jezaja 9 vers 5b.
Welk een uitnemend en rijk begenadigd man was toch die profeet Jezaja, die ongeveer zeven en een halve eeuw voor de geboorte van den Heere Jezus Christus leefde, en meer dan een der andere zieners de komst en het werk des gezegenden Verlossers aankondigde. Met recht mag hij „de profeet-Evangelist" des Ouden Testaments genoemd worden.
Hij zag met zijn profetischen blik den Heere Jezus als reeds geboren. Hij sprak: Een Kind is ons geboren; een zoon is ons gegeven; en de heerschappij is op Zijnen schouder; en men noemt Zijnen Naam Wonderiijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.
Welke heerlijke namen draagt toch de Messias. Hem is wel door den Vader een naam gegeven boven alle namen. In de allereerste plaats wordt Hij genoemd W o n d e r l ij k.
En waarlijk, zoo mag Hij wel heeten.
Wel bezien, is elk kind dat geboren wondt, een wonder. Het bestaat toch uit lichaam en ziel. Het heeft een lichaam, dat straks tot stof vergaat, en tevens een ziel, die nooit sterven kan; terwijl ook dat lichaam eens uit het stof zal herrijzen en met de ziel hereenigd worden, om dan samen eeuwig gelukkig of eindeloos rampzalig te zijn, . Maar hoeveel te meer mag dan dat Kindeke wel Wonderlijk heeten. Pas geboren, en toch van eeuwigheid af bestaande. Binnen de wanden van een enge beestenkrib, en toch overal tegenwoordig. Toenemende in wijsheid en toch de Alwetende. Hulpeloos in moeders armen en toch de Almachtige, Die straks stormen gebiedt en de zeeën wonden stil, kranken geneest, ja, zelfs dooden opwekt; voor Wien de booze geesten moeten vreezen, op Wiens stem de duivelen moeten gehoorzamen.
Ja, boven de kribbe van Bethlehem ziet het oog des geloofs als 't ware geschreven den naam Wonderlijk. De Almachtige hulpeloos. De Eeuwige een kind. De Oneindige en Alomtegenwoordige in een krib. God de Vader zegt van dezen pasgeborene: ,,Dit is Miin Kind, en Maria, de gelukkige maagd, zegt met hetzelfde recht: Het is mijn kind.
Ja, Wonderlijk mag Zijn Naam wel wezen. Hij is de Almachtige God, en toch „vermoeid van de reis, zit Hij straks neer". Hij is de Vorst des levens, en toch sterft Hij. Hij, „de Opstanding en het Leven", gaat in dan dood.
Wonderlijk is Zijn Persoon. Wonderlijk zijn Zijne werken. Wonderiijk is ook Zijn volk. Van allen die Hem toebehooren, mag met volle recht gezegd worden dat zij „wonderen en teekenen zijn van den Heere der heirscharen, Die op den berg Zion woont". Zij zijn door Hem, door Wien de Vader alle dingen regeert, van dood levend geworden. Zij waren niet beter dan alle overige kinderen van Adam, maar Hij heeft Zich hunner ontfermd, de vijandschap huns harten gebroken en hen wedergeboren tot eene levende hoop.
Door Zijn smart en sterven brengt Hij hen tot eeuwige zaligheid.
Ja, zij zijn een wonderlijk volk; en wonderlijk zijn de leidingen, die Hij met hen houdt. Evenals bij Hem, gaat het ook bij hen door lijden tot heerlijkheid. Zij zijn dikwijls arm, doch velen rijk makende; niets hebbende en toch alles bezittende. De apostel Paulus teekent hen als droevig zijnde doch altijd blijde; en het woord van dien apostel kunnen ze meermalen tot het hunne maken: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
R a a d. Zietdaar, een andere naam aan dat Kindeke in de kribbe gegeven. Ook al weder een naam, die Het met recht draagt. Wij zijn zoo schrikkelijk dwaas. En die dwaasheid komt wel allermeest daarin uit, dat we nog wanen wijs te zijn; zoodat wij van nature niet eens kunnen begeeren de wijsheid, die van boven is, en wij voor goddelijk onderwijs niet vatbaar zijn. Aan die dwaasheid werden Zijne discipelen bij aanvang ontdekt, en voor hemelsch onderwijs werden ze in meerdere of in mindere mate vartbaar gemaakt.
Maar ziet! nu is dat volk dikwijls radeloos. Zij weten geen weg meer. Zij weten niet, welken kant ze uit moeten. Zij zitten van alle zijden vast. Zij wandelen in duisternis en hebben geen licht. Doch geen nood. Zijn naam is Raad. Hij is nooit verlegen. „Op Hem zal rusten de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heeren". Hij is „de Opperste Wijsheid", in Wien „al de schatten der Wijsheid en der kennis verborgen zijn". Daarom behoeven dan ook 's Heeren kinderen nooit verlegen en radeloos te wezen; en wanneer zij in hunne moedeloosheid tot Hem de toevlucht mogen nemen, dan wordt door hen ook steeds de ervaring opgedaan, dat Hij naar waarheid genoemd mag worden: Raad.
S t e r k e G o d ook heet Hij. Welk een gewichtige en voor Zijn volk troostvolle naam! Dat volk toch is van zich zelven zoo zwak. Het woelt zich dikwijls zoo onmachtig en hulpeloos. Daarbij zijn hunne vijanden zoo vele. Zij wonen te midden van een wereld, die in 't booze ligt. En omdat zij van die wereld niet zijn, daarom worden zij door haar gehaat en vervolgd. Den Heere des huizes hebben ze Beëlzebul geheeten, hoeveel te meer Zijne dienaars. Ja, Jezus' discipelen zijn in de wereld „als lammeren in het midden der wolven". En achter die booze wereld staat haar overste, de god dezer eeuw, die de zinnen verblindt, en omgaat als een brieschende leeuw om te verslinden en te verderven, en de boosheid der menschen tegen de levende Kerk gedurig aanwakkert en aanblaast. Die ware Kerk heeft dan ook bijzonder den strijd te voeren tegen de geestelije boosheden, de booze geesten, in de lucht.
En den zwaarsten strijid heeft de geloovige te strijden tegen zichzelven, tegen dat inwonend bederf, dien ouden mensch, dat vleesch, dat steeds tegen den Geest begeert; tegen die inwonende zonde. Al die andere vijanden zijn buiten de poort, maar deze zijn binnen de veste. Waarlijk, indien die amechtige kudde zulk een trouwen Herder niet had, wat zou er van haar worden? Zij zou gewis worden verpletterd. Maar nu geen nood. Die trouwe Herder is de Sterke God. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde; en Hij zal Zijn Woord gestand doen: De poorten der hel zullen Mijne gemeente niet overweldigen.
Verder wordt Zijn Naam genoemd V a d e r d e r E e u w i g h e i d. Al weder met het volste recht.
Van eeuwigheid tot eeuwigheid toch is Hij God. Hij heeft nooit aangevangen te bestaan. „Hij was geboren als de afgronden nog niet waren". Vóór de heuvelen bestond Hij, en „waren Zijne vermakingen met der menschen, kinderen". „Hij is van eeuwigheid af gezalfd". „Jezus Christus is gisteren en heden, en in alle eeuwigheid Dezelfde". Al het ondermaansche gaat voorbij, maar Hij niet. Wat tot den Vader gezegd kan worden, dat mag 't ook tot Hem:
»Als een kleed zal 't al verouden;
Niets zal hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Eeuwig Wezen!
Geen verandering te vreezen;
Gij, Die d' eeuwen telt als uren,
Zult al d' eeuwigheid verduren«.
De vijanden vergaan, hun naam zal verrotten, maar Christus blijft eeuwig dezelfde. En omdat Hij eeuwig blijft en ook altijd dezelfde, daarom kan Hij dat volk, dat Hij van eeuwigheid heeft lief gehad, ook voor altoos zalig maken. Hij is hun „een oorzaak van eeuwige zaligheid gewonden". Hij is en blijft hun trouwe Leidsman tot over dood en graf heen, en zal ook hunne doode lichamen opwekken ten jongsten dage, opdat deze nooit weer sterven, maar, met de ziel hereenigd, eeuwig zullen leven met Hem.
En eindelijk heet Hij V r e d e v o r s t. Wederom: wat een kostelijke en heerlijke naam! Buiten Hem is er geen vrede, maar enkel onvrede. Oorspronkelijk was het vrede in den vollen zin van het woord. De mensch had vrede met God, en de schepselem hadden vrede met elkander. Helaas! Door de zonde is dat anders geworden. Nauwelijks had de mensch Gods gebod overtreden, of de vrede vlood heen, en maakte plaats voor onrust en onvree. De mensch heeft de gehoorzaamheid aan God opgezegd, is van een gewillig dienaar een rebel en oproermaker in Gods rijk geworden, en zoo is in het Paradijs een strijd ontbrand tusschen het schuldige schepsel en den vlekkeloos heiligen God; een klove ontstaan, die buiten dat Kindeke in Bethlehems kribbe steeds dieper en breeder wordt.
Maar ziet! dat Kindeke draagt den naam Vredevorst. Hij was door Jakob reeds aangekondigd met den naam Silo, Vredeaanbrengar, en straks zouden bij Zijne geboorte de engelen in de velden van Bethlehem Ephrata aanheffen: „Vrede op aarde"; zouden Zijne apostelen de wereld ingaan met dat heerlijke Evangelie, welks inhoud zou wezen: „Hij is onze vrede", en zouden zij de banier ontrollen, waarin met gouden letters geschreven zou zijn: „Vrede door het Bloed des Kruises".
Ja, Christus is de groote Vredeaanbrenger. Waar nog vrede en rust mag wezen in onze huizen, in ons Vaderland en onder de volkeren onderling, daar is dat Zijn werk en van Zijne bloedstortinig de vrucht. Geen cherub staat meer aan den ingang van het hemelsche Paradijs, om te bewaren den weg naar den Boom des levens, maar door Hem zijn de engelen gedienstige geesten geworden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen. Bovenal is er voor alle de Zijnen vrede met God. Hij heeft alle hunne zonden achter Zijnen rug geworpen in de zee van eeuwige vergetelheid, en wil er nooit meer aan denken. Hij spreekt tot hen: Ik gedenk uwer zonden niet. En vrede met den Rechter van hemel en aarde, wat wil een gevallen Adamskind nog meer?
De groote vraag voor een iegelijk onzer is maar: Hebben wij aan dat Kindeke deel?
Zoo neen! weet: de naam van dat Kindeke is Wonderlijk. Wondenbaar is daarom Zijne handelwijze met Zijne vrienden, maar ook met Zijne vijanden.
Zeg daarom nooit, dat dit of dat onmogelijk is. Nimmer ook, dat in de hel geen vuur kan zijn, en toch duisternis. Zoudt gij durven uitmaken, wat kan en wat niet kan? Zou Hij, Wiens Naam Wonderlijjk is, en door Wien God den ganschen aardbodem eens rechtvaandig oordeelen zal, ergens in het heelal niet een vuur kunnen bereiden, dat geen licht geeft, maar dat omringd wordt door pikzwarte duisternis?!
Zijn naam is Raad. Wanneer gij naar Hem niet bijtijds ernstig leert vragen, dan zult gij straks moeten ervaren, dat Zijn Woord waarheid is: Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd iebt, Mijne handen uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte, en gij al Mijnen raad verworpen hebt, zoo zal Ik in ulieder verderf lachen. Och, zoek Hem dan haastig. Nog spot Hij niet met uwe vreeze, maar roept u nog toe: Ik raad u, dat gij van Mij koopt oogenzalf, opdat gij zien moogt, en witte kleederen, opdat de schande uwer naaktheid niet openbaar worde. Nog is het de tijd der genade; en Hij verkoopt Zijne oogenzallf om niet. Zonder geld en zonder prijs.
Sterke God is Zijn naam. Hoe lang wilt gij u nog tegen Hem verzetten? Ach! geef den strijid maar op. Gij houdt het toch niet tegen Hem vol. O, dat Hij u niet eenmaal te sterk moge worden in toorn, maar nu in genade, opdat gij met den profeet Jeremia moogt uitroepen: Heere! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht.
Vader der eeuwigheid heet hij. Hij is zonder begin en zonder einde; wat wonder dat Hij u eeuwig zal straffen. Gij eeuwig tegen Hem zondigen, en Hij eeuwig tegen u toornen!
En Vredevorst is Hij. Nog biedt Hij den vrede u aan. O, „kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden". God de Vader waarschuwt u nog; Weest Zijner Stemme gehoorzaam, en verbittert Hem niet, want Hij zal uwe ongerechtigheden niet vengeven. Erskine teekent er bij aan: Hij zal uwe ongerechtigheden niet vergeven, maar Hij zal met u een eeuwigen twist aanhouden in de hel.
Maar gij, die door genade ontdekt mocht worden aan de vijandschap van uw hart en bestaan, die den strijd mocht leeren opgeven en het zwaard der vijandschap van de heup hebt mogen leeren gespe en dat hebt mogen leeren nederwerpen aan den voet van Bethlehems kribbe, en bij het Kindeke in de kribbe vrede hebt mogen vinden, wanhoop nooit; de naam van dat Kindeke is Wonderlijk. Geen gevaar zoo groot, geen toestand zoo hachelijik of Hij kan helpen. Bij Hem is uitkomst.
Wees nooit radeloos! Dat Kind in de kribbe weet altijd raad. Al is het nog zoo donker om u heen, al moet gij ook wandelen in donkerheid en duisternis, al wondt gij door nog zoovele vreezen bevangen, bij Hem is licht. Raad is Zijn naam. Laten ook uwe vijanden vele zijn, laten ze samenspannen, ja, alle machten der hel tegen u losbreken, en de zonde in u woelen, de door Jezaja aangekondigde Redder is geboren en Zijn naam is Sterke God.
Kan het kruis u zwaar vallen en de pelgrimsreis lang, is het bij wijlen wel eens: „Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes dood?" Heere! waarom verbergt Gij U ten dage der benauwdheid? Heere! hoe lang? Ach! bezit uwe ziel in lijdzaamheid. Heb slechts een weinig geduld. Hij heeft den tijd om u eeuwig gdukkig te makew. Vader der Eeuwigheid is Zijn naam.
En stormt het hier om u heen, is het van buiten strijd en van binnen vrees; is het bij oogenblikken schrik van rondomme; dringen de vijanden op u aan en dreigen zij somwijlen u te overmeesteren, geen nood; laat de golven zich verheffen en de orkanen gieren, uw Heere en Zaligmaker is sterker dan al de geweldige baren der zee. En Zijn naam is Vredevorst. Hier beneden is het oord van zonde en moeite; maar nog slechts een weinig tijds en gij verlaat dit land van strijd en van zorgen en gaat heen naar de oorden van stilte en vree.
Ja, hier moogt gij bij oogenblikken wel eens iets smaken van dien vrede, die alle verstand te boven gaat; een vrede, dien de wereld niet kent, maar die alleen gesmaakt wordt in den verborgen omgang met God. Doch wat zal het dan zijn, wanneer gij dit oord van strijd en van zonde voor alltijd vaarwel moogt zeggen en ingaan moogt in die storelooze rust, die er over blijft voor het volk van God.
N e e r l a n g b r o e k. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's