De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

Verdeeldheid en Strijd.
Sinds de Heere na den val tot de slang het strafwoord sprak: „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen" — is de geschiedenis der menschheid gemaakt tot een geschiedenis van verdeeldheid, van vijandschap, van worsteling, van strijd.
Geen poging om die scheidingslijn uit te wisschen helpt hier, want wat God schreef kan geen mensch weg wisschen. 't Staat er en 't blijft er staan. Een historie van strijd. Van strijd tusschen slang en vrouw, van duivel en mensch; maar óók van mensch tusschen mensch, in diepsten zin gescheiden voor of tegen Christus. Dien strijd moeten we aanbinden, aanbinden ook in het midden van ons volk, ook op de erve onzer Vaderen. Voor of tegen God; voor of tegen Christus; voor of tegen Gods Woord, Gods waarlheid. Die strijd is er. Die strijd zal er blijven. Satan strijdt. Christus strijdt. Wij moeten ook strijden. Zij 't de goede strijd des geloofs. Zij 't voor waarheid en recht, naar Gods Woord. Zij 't om 't recht, om de vrijheid, om den welstand van Gods Kerk in dezen lande, als kloeke zonen onzer Gereformeerde Vaderen, verstaande de teekenen der tijden, waarin wij leven.

De Staat en de Kerk.
Een kort berichtje was het, dat we dezer dagen in de couranten lazen. 't Was dit:
»Het Engelsche Hoogerhuis heeft voor de komende twee weken drie dagen vastgesteld ter bespreking van de voorgestelde wijzigingen in het Prayer-Book der Engelsche Kerk. Als het gewijzigde Prayer-Book door het Hoogerhuis wordt aangenomen, zal 't 15 December a.s. bij het Lagerhuis in behandeling komen. De politieke partijen zijn verdeeld. De eerste Lord der Admiraliteit Bridgeman zal het ter aanneming voordragen en de secretaris van Binnenlandsche Zaken, Sir William Joyson Hicks zal waarschijnlijk verwerping voorstellen«.
Toen we dat lazen, zaten we natuurlijk weer even te denken over het vraagstuk van de verhouding van Kerk en Staat; over de vraag: wat is de roeping der Overheid inzake de Kerk en den waren godsdienst? Het komt ons niet als ideaal voor, wat daar nu in Engeland geschiedt. Want de Anglicaansche Staatskerk — Heerlijk woord! — heeft een nieuw gebeden-boek gemaakt, besproken, aangenomen. Of liever: heeft het bestaande gebedenboek gewijzigd, veranderd, aangevuld. Na veel, na lang praten in kerkelijke samenkomsten. Met vóór-en tegenstemmen, natuurlijk. Nu is dat in de Kerk afgehandeld, maar nu moet het in het parlement voor de politieke heeren komen! Ons dunkt — en ieder voelt het — dat deze wijze van doen alleslbehalve in orde is.
Verbeeldt u eens een oogenblik, dat de Hervormde Kerk hier een gewijzigd Psalmboek, of gewijzigde formulieren voor Doop en Avonidmaal had voorgesteld, besproken en aangenomen; maar dat die zaak dan in de Tweede- en daarna in de Eerste Kamer moest worden behandeld! De Minister van Binnenlandsche Zaken een rede houdend over het kerkgezang. Boer Braat over het formulier om te bevestigen Dienaren des Woords. Burger de Zeeuw over het gebed vóór de predikatie en het gebed na den Doop. Zou 't niet vreeselijk zijn?
En toch hebben we in den „goeden ouden tijd" die dingen eigenlijk gehad. Een lange lijst, een echte zwarte lijst, zou hier inzake de verkeerde verhouding van Staat en Kerk gegeven kunnen worden. 't Stadhuis werd gemaakt tot een soort Synode, waar de aangelegenheden der Kerk werden besproken, vastgesteld en afgehandeld. De Kerk werd eenvoudig aan banden gelegd en zoo als de heeren het beliefden te wijzen, moesten de knechten het prijzen! Want van invloed van de leden der gemeente op de regeering der Kerk wilden de Libertijnen en de Regenten en de Staten en de Vroedschappen vroeger niet weten. Dat was veel te gevaarlijk, zooals dat in de Calvinistische presbyteriale Kerkregeering tot uiting kwam. Ouderlingen waren niet te vertrouwen en het ambt moest niets te zeggen hebben. En daarom zou men 't op 't Stadhuis wel klaar maken, om het dan in potjes en pannetjes op te disschen zooals de politieke heeren het goed vonden. Waarbij dan bovendien, indien de Kerkelijke vergaderingen gehouden werden, nog weer „Commissarissen Politiek" tegenwoordig waren als dwarskijkers, die, eventueel de orde konden bewaren en wanneer het scheef liep de dingen konden recht zetten! Natuurlijk alles in het belang van den Staat en van de Kerk!
Wij begrijpen nooit, dat menschen als ds. Lingbeek, die iets van de geschiedenis der vorige eeuwen kennen, altijd maar luchthartig praten over de Overheid, die zich met de Kerk zou moeten bemoeien; die met den Bijbel zou moeten uitmaken wat en waar de Kerk van Christus is, om dan de ware Kerk te steunen en te beschermen en de valshe Kerk tegen te staan, te weren en uit te roeien; hoogstens te tolereeren of te dulden; maar meer dan ook zeker niet. Op het Stadhuis moeten dan de kerkelijke aangelegenheden besproken worden.
We zullen een voorbeeld noemen.
In een stad willen de Roomschen grond koopen om een kerk te bouwen. Ze vragen een stuk grond, dat aan de gemeente toebehoort. Daarover moeten B. en W. prae advies geven en de Gemeenteraad moet beslissen. Dan zou in den Gemeenteraad over de Roomsche leer gesproken moeten worden en door de laeden van den Gemeenteraad moeten worden uitgemaakt, of de Roomsche Kerk de valsche Kerk is of niet; en de Gemeenteraad zou in het eerste geval den grond moeten weigeren; maar ook moeten besluiten de Roomschen uit de gemeente te bannen, want de Overheid moet ze tegenstaan, weren, uitroeien; nu ja, hoogstens dan: ze zullen per gratie worden geduld, getolereerd! 
Als we dien weg opgaan, zijn we verloren. Want dan wordt straks op het Stadhuis uitgemaakt, wat Hervormd, wat Luthersch, wat Remonstrantsch, wat Gereformeerd is. Dan wordt straks door de Vroedschap er over gepraat, waarom de Lutherschen en de Calvinisten, waarom de Hervormden en de Remonstranten niet kunnen samen wonen. Dan wordt over het Avondmaal, met de leer van de transsubstantiatie! en de consubstantiatie gesproken en de Vroedschap veranderd in een Synode, waarbij de Kerk zelf zwijgen moet, om aan handen en voeten te worden gebonden.
Dit alles ligt heelemaal in de lijn van Oldenbarneveldt, Hugo de Groot, Uytenbogaert enz. Die oordeelden, dat de Overheid in deze een roeping had. En heel mooi, heel vroom werd dat verdedigd. Uytenbogaert zei, dat den Staten niet alleen toekomt hun onderdanen met lichamelijk, tijdelijk goed te verzorgen, maar ook met het geestelijke en eeuwige. De Wet des Heeren, zoo zei hij, is den Overheden niet minder gegeven dan den predikanten. En nu! moesten de predikanten het verkondigen, maar de Overheden hadden toe te zien, dat het wèl en naar waarheid verkondigd werd.
Daar zat onlosmakelijk aan vast, „dat" — zooals in 1582 een Prov. Synode het uitsprak — „dat de predikanten alleen zouden prediken en de sacramenten bedienen en dat de Magistraten de predikanten aan- en afstellen zouden en voorts de Kerk zouden regeeren zooals zij dat het best en bekwaamst zouden oordeelen".
De Kerk vormde evengoed een tak van dienst in den Staat als het leger of de waterstaat. De Overheid was in dit alles Gods dienaresse en moest óók de hand houden aan den Kerkedienst. Hugo de Groot (1583—1644) zei dan ook in April 1616 als afgevaardigde van de Staten van Holland in de vergadering van de Vroedschap van Amsterdam: „ dat den Heeren Staten het hoogste opzicht, beleid en bestier toekwam over kerkelijke personen". En hij zei dat in verband met iets, waarover hij het even te voren had gehad, n.l „het schadelijke van verscheidenheid van publieke religie voor een Koninkrijk; 't welk voor een republiek bepaald ruïneerend was". Zoo moest de Overheid dan ook geen moeite sparen om Lutherschen, Calvinisten, Dooperschen, ja ook Roomschen in één Kerk vereenigd te krijgen.
O l d e n b a r n e  v e l d t  dacht er precie 't zelfde over; en hij schreef dan ook in 1623 aan den Engelschen gezant, dat de kerkelijke personen en zaken moeten staan onder de directie van de souvereine Overheid. Met algeheele opzijzetting van de leden der gemeente (want de Calvinistische democratie, welke uit de presbyteriale wijze van Kerkregeering spreekt, was den Heeren Regenten een doorn in 't oog!) en met volkomen negatie van de ambten, moest de Overheid in stad en provincie alles regelen voor de Kerken. Bij keuze van kerkelijke ambtsdragers moest de Overheid beslissen; maar ook bij beslechting van kerkelijke geschillen; gelijk eveneens, wanneer er kwesties waren inzake de leer of de bediening der sacramenten of de oefening der tucht. De kerkelijke wetten van 1576, 1583 en 1591 zijn in deze berucht. Op het Stadhuis klaar gemaakt, wilden ze in de plaats treden van de Kerkeordeningen, die er waren sedert het Convent van Wesel, in 1568 gehouden. De dictator Oldenbarneveldt was in deze de drijver.
Twee beginselen staan hier tegenover elkaar. Het Calvinistisch of gereformeerd beginsel, dat eisch: vrije benoeming van predikanten, ouderlingen en diakenen door kerkeraad en gemeente; vrije vergadering van kerkeraad, van classis, van provinciale en nationale Synode op gezette tijden; handhaving van de eenigheld des geloofs en van de eenvormigheid der examinatie tot toelating tot het predikambt, verplichte onderteekening der Formulieren, waarin de belijdenis der Kerk vervat is, en, desnoods, door censuur afsnijding der afvalligen. Het Libertijnisch beginsel van de Remonstranten en Regentenpartij: kerkelijke personen en zaken onder directie van de souvereine Overheid, benoeming en afzetting van predikanten en ambtsdragers door de Vroedschap, handhaving van rust en orde in de Kerk door den Magistraat, beslissingen inzake prediking, sacramentsbediening en tuchtoefening door de Overheid, kerkelijke vergaderingen voor zoover de Staten het noodig en nuttig achtten.
Zeg nu niet, dat dit zoo'n vaart niet liep, want die dat zou zeggen, zou daarin bewijzen niets van de geschiedenis onzer Vaderlandsche Kerk te kennen. Het is buitengewoon ergerlijk toegegaan in deze, in weerwil van de Calvinistische Kerkinrichting die we hier toch hadden en die door onze Vaderen ook steeds is verdedigd. In weerwil daarvan is het vreeselijk geweest in dezen lande!
Om een paar dingen te noemen. De pensionaris van Rotterdam, Oldenbarneveldt, die nu zoo rustig in reuzen standbeeld staat voor het nieuwe stadhuis, had het netjes voor de Staten van Holland in 1581 klaar gemaakt, dat er een „Kerkewet" zou komen, waanbij geregeld was, dat de beroeping van predikanten enz. zou geschieden door een commissie van vier „wereldlijken", door de Vroedsohap aan te wijzen. Vergaderingen van den Kerkeraad, van de Classis, van de Provinciale Synode waren geoorloofd, mits er alleen kerkelijke zaken behandeld zouden wonden. Van den beroepen predikant mocht geen onderteekeninig van formulieren worden gevraagd en de censuur op de leden der Kerk berustte in laatste instantie bij de Provinciale Synode, aangevuld echter met zooveel stemgerechtigden als de Staten goed vonden uit hun midden af te vaardigen; de meerderheid der stemmen was beslissend.
Men wilde de Kerk dus heelemaal op 't stadhuis regeeren!
Hoe ging het in Utrecht niet in verband met de gemeente van Duifhuis, den pastoor der Jacobi-kerk? Deze Duifhuis was eerst pastoor geweest en predikte toen tegen, de grove misbruiken van het Pausdom, doch vereenigde zich geenszins met de Gereformeerde belijdenis, met den Catechisimus, met het leerstuk der praedestinatie enz. Ook was hij van oordeel, dat de censuur door de Overheid moest geschieden. Een eigenaardige gemeente dus, welke uiteraard door de Gereformeerden niet als Gereformeerde Kerk wend erkend. Maar nu kwam de Magistraat van Utrecht er tusschen en gelastte den Gereformeerden de gemeente van  D u i f h u i s  te erkennen ; iets, wat veel ellende en moeite gaf. Na Duifhuis' dood in 1581 kwam er wat ontspanning, maar kort daarna werd het nog erger, toen Utrechts Magistraat zelf predikanten ging aanstellen, onder wier gehoor de Gereformeerden niet konden komen. Deze vergaderden nu in conventikelen in en buiten de stad, doch ook die samenkomsten werden door de Staten van Utrecht, bij placcaat in den jare 1590 streng venboden, op straffe van boete of hechtenis. (Denk aan de jaren van de Afscheiding, 1834, enz.).
De Staten van Holland waren geen haar beter. Een resolutie van die Staten in het jaar 1598 gebood, dat te Oud-Beijeriand, waar de meerderheid der gemeente het met den predikant niet eens was, het Avondmaal voorloopig niet zou worden gehouden.
In Zeeland werd na 1638 geene Particuliere of Provinciale Synode toegestaan door de Staten en zonder toestemming kon geen Synode gehouden worden. Voor dien tijd hadden de Staten altijd twee Commissarissen Politiek gezonden ter Synode en de Overheid der stad zond óók één afgevaardigde, om de orde te handhaven en te waken tegen mogelijke inbreuken op het Staatsbelang. 
23 April 1663 werd door de Staten van Holland en West-Friesland — 't was in de dagen van Jan de Wit — een formuliergebed voorgeschreven, waaraan de predikanten zich moesten houden. Voor Oranje mocht toen niet meer gebeden worden!
Zoo kan een lange „zwarte" lijst gegeven worden. Maar duidelijk is bij dit alles toch zeker, dat de Kerken weldra geheel geknecht waren en de Overheid alles te zeggen had. Een Nationale Synode is er na 1618—'19 niet meer gehouden. En toen 1816 kwam, heeft de Overheid voor goed alles onderstboven geworpen en wederrechtelijk de Kerk gebracht in het diensthuis.

De Staat en de School.
Vooral ook ten opzichte van de School, in verhouding tot den Staat, is het gevoelen bij de Confessioneelen nog al eens anders dan bij de Gereformeerden. Hoe dat zit? De Confessioneelen kunnen maar niet de idee loslaten, dat de Staat voor Christelijke Scholen moet zorgen. Dan alleen komt het chirstelijk karakter van den Staat uit, zeggen ze. En als grief tegen de Gereformeerden geldt dan, dat die voor de vrije School zijn.
Als men nu toch eens even wilde nadenken en eens even juist wilde onderscheiden, dan kon men als Confessioneel man toch gemakkelijk tot dit inzicht komen, dat de christelijke Overheid (laten we dat zóó nu eens even mogen zeggen), juist krachtens haar christelijk beginsel, geroepen is om het onderwijs van de kinderen in handen te laten van de ouders; om die ouders dan te helpen voor hun scholen.
Kunnen we nu samen niet zoover komen, dat we voelen en erkennen, dat de Overheid geen roeping en geen recht heeft om schoolmeester te spelen, dan alleen in uitzonderingsgevallen?
Als de christelijke Overheid dat nu verstaat, dat in het midden van het volksleven naar christelijk beginsel aan de ouders vrijheid van onderwijs moet gelaten, dan moet de Overheid ook niet voor een Staatsschool, ook niet voor een christelijke Staatsschool, ook niet voor een neutrale Staatsschool, maar voor de vrije School zijn. In een christenland moeten de ouders zich vrij voelen, om hun kinderen onderwijs te kunnen geven naar hun overtuiging, die eerlijk bij hen leeft en bij hen tot uiting komt.
Waarom zouden de Roomschen — om die nu maar eens speciaal te noemen — niet hun eigen scholen mogen hebben, als daar goed onderwijs gegeven wordt; onderwijs dat voldoet aan de eischen van de landswet? Waarom mogen de Hervormden niet hun eigen scholen hebben, en de Joden?
Als de scholen voldoen aan de voorschriften en de eischen van de wet en als er niets geleerd wordt, dat in strijd is met de landswetten en met de zeden, waarom mogen er dan niet onderscheiden soorten van scholen zijn, die uitgaan van de ouders of van vereenigingen of stichtingen?
Niet alleen dat het mag; maar het moet!
Want als het anders gaat, krijgen we de Staatsschool, waar de Overheid schoolmeestert en voor de kinderen —en voor de ouders der kinderen — een keuze doet, welke aan de Overheid naar christelijk beginsel niet toekomt.
Maar de Openbare Scholen die dan nog overig blijven, hoe moeten die „gekleurd" zijn? Moeten die niet „christelijk" zijn, door de zorg van de Overheid, in stad en dorp?
Wij zouden zeggen: we moeten overal de vrije School hebben; overal scholen onder een eigen bestuur, waarbij het bestuur „de kleur" aangeeft (binnen het kader van de landswet). En waar dan een Openbare School overblijft, is dat uit den aard der zaak dan voor kinderen uit onderscheidene gezinnen, die geen keuze willen doen inzake „de kleur", die dus „lusteloos", zonder bepaalde voorkeur in deze, voortwandelen — en voor de kinderen uit die ge­zinnen, die onderling weer zeer verschillend zijn, moet de Overheid gewoon, zakelijk, neutraal onderwijs doen geven, zonder toe te staan dat die scholen, door wie ook, in een bepaalde richting worden gedreven. Want is er reden voor, om zoo'n Openbare School in een bepaalde richting te drijven, dan moet uit de ouders het initiatief komen om een Schoolvereeniging op te richten, om dan de „Openbare" School van de Overheid over te nemen en om te zetten, met medewerking van de Ovenheid, in een bijzondere, in een vrije school; 't zij een vrije school van christelijk of neutraal type; 't zij een vrije school van Protestantsch of Roomsch type.
In deze richting is, zoo als men weet, ook herhaaldelijk gewerkt en menige Openbare School is omgezet in een Bijzondere School.
Blijft er echter, waar ook, oorzaak om een Overheidsschool in stand te houden, dan moet voor die kinderen uit verschillende huisgezinnen, die, om welke oorzaak ook, op elkander aangelegd zijn, om met elkander van die ééne school gebruik te maken — dan moet die Overheidsschool ook zóó ingericht zijn, dat het ééne gezin weer niet bemoeilijkt wordt, als het andere gezin zou worden geholpen. En in dat uitzonderings- en noodgeval van een gemengde Overheidsschool  moet de Overlheid zorgen, dat het onderwijs neutraal is, om noch den een, noch den ander — die op elkaar aangelegd zijn inzake de school — te bemoeilijken.
Maar dan dragen de ouders de schuld, dat hier de Overheid neutraa moet zijn tegenover burgers van één en hetzelfde land, doordat de ouders te laks, te lusteloos, te onbeslist, te onverschillig zijn om inzake het onderwijs van hun kinderen een bepaalde keus te doen. Daarom zijn wij ook voor de leuze: „de school aan de ouders"; en voor die andere: „de Bijzondere School regel, de Openbare School aanvulling". Als hier het instituut van de school recht onderscheiden wordt, in betrekking tot de ouders én de Overheid, dan is het vraagstuk toch waarlijk zoo moeilijk niet en vele Confessioneelen met name zullen hier de taak van de ouders en de roeping van de Overheid helderder moeten gaan onderscheiden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's