De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

De Reorganisatie-beweging (1)
De Reorganisatie-beweging in het midden van onze Hervomde of Gereformeerde Kerk is al héél oud. Geen wonder. Want de Gereformeerden in de Hervormde Kerk hebben nooit vrede gehad met de huidige kerkelijke organisatie van 1816, gewijzigd maar niet principieel veranderd in 1852. En omdat de belijders van 's Heeren Naam, die zich mochten vasthouden aan de waarheid Gods, die naar de Schriften is, geen vrede hadden — geen vrede konden hebben — met de Synodale Organisatie, hebben zij veel en dikwijls gesproken over re-organisatie, om alzoo voor de Hervormde Kerk een geheel andere wijze van kerkelijk samenleven te verkrijgen.
Natuurlijk verschilden de inzichten hierbij. Dat gaat immers altijd zoo met zulke dingen! Vooral wanneer ze reeds jaren zitten; en als ze dan bovendien buitengewoon lastig en ingewikkeld zijn; en als ze de Kerk raken!
Er waren er, die wilden in de Besturen — want die Besturen waren vooral een ergernis — andere personen zien te krijgen. In den weg van de stembus. Door de gemeente te laten spreken. Vooral toen de Kiescolleges kwamen (1867). Dan kon men rechtzinnige bestuursleden krijgen, in de plaats van vrijzinnigen. Want de gemeenten wilden over 't algemeen wel een rechtzinnige prediking en ook wel orthodoxe candidaten stemmen voor de besturen.
Vroeger was het maar een onder-onsje. Maar toen werd het anders. En de lidmaten der Kerk, de leden der gemeente, hebben veelszins voor rechtzinnige besturen gezorgd. Zoo kwamen ook in de Synode meer orthodoxe predikanten en ouderlingen, waar 't vroeger alles liberaal, vrijzinnig was.
Er waren er ook, die de Besturen zóó in strijd vonden met de Heilige Schrift en met het Gereformeerd Kerkrecht, dat ze weigerden in de Besturen zitting te nemen. Maar anderen, die wel in beginsel van 't zelfde gevoelen, waren, zeiden, dat de Herv. Kerk met geweld onder die bestuursorganisatie was gebracht en dat heel die wijze van Kerkregeering in strijd was met Gods Woord en het wezen der Kerk, maar dat, nu men in die Kerk was en wilde blijven — ook alles gedaan moest worden in den middellijken weg, om tot andere toestanden te mogen komen. En daarom juist, om de Kerk ter wille te zijn en te helpen, wilden zij, die zóó oordeelden, wél zitting nemen in de Besturen.
Niet om bestuurslid te zijn maar om zoo de Kerk te helpen en in den ordelijken weg mee te helpen, dat de Kerk nog eens een andere en betere wijze van kerkelijk samenleven en een andere en betere Kerkorde mocht krijgen, meer in overeenstemming met de beginselen van Gods Woord en meer overeenkomstig het wezen der Kerk. Dat zou natuurlijk niet zoo gemakkelijk gaan. Want de Synodale organisatie, van Regeeringswege met geweld opgelegd, was er nu eenmaal en die zat zóó kunstig in elkaar, dat een principiëele wijziging bijna onmogelijk was. Men had het wel zóó in elkaar gezet, dat het alles langzaam, héél langzaam, bijna onmogelijk tot verandering zou kunnen komen.
Maar de belijders van den Naam des Heeren namen zitting in de Besturen, om de Kerk des Heeren in dezen lande te dienen en te helpen.
En zoo is 't gezien, dat èn in Kerkeraden, èn in Classicale Besturen, èn in Provinc. Kerkbesturen èn in de Synode de meerderheid in rechtzinnige hand kwam. Door de vrijzinnigen is door de Besturen zooveel kwaads gebracht over de Kerk. En dat is er nog, dat werkt nog na. Maar door de rechtzinnigen kon nu verhinderd worden, dat de Hervormde Kerk heelemaal belijdenisloos werd en heelemaal ingericht voor allen wind van leer. Het kwade kon nog wel niet ongedaan gemaakt. Maar de voortgang van de vrijzinnige beginselen in de wetgeving kon toch, voor een gedeelte althans, worden tegengegaan.
De vrijzinnige voorstellen en wijzigingen dateeren van vóór 1880. De orthodoxen hebben na dien tijd grooten invloed gehad. Maar het doel is niet: rechtzinnige leden in de Besturen. Het doel voor de belijders van 's Heeren Naam is vrijmaking van de Hervormde Kerk van onder den druk van de Bestuurs-organisatie, om haar te brengen tot de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht, waarbij niet kerkelijke Besturen, maar kerkelijke Vergaderingen hoofdzaak zijn. Niet overdracht van recht en plicht op de Besturen, maar zelf haar zaken te mogen behandelen — dat is voor de Kerk des Heeren waar 't om gaat!

Een belangrijke kwestie.
Wij bedoelen de verhouding van de Overheid tot den godsdienst en de verhouding van Staat en Kerk. Wij zijn van oordeel, dat de Antirevolutionaire Staatspartij hierin de rechte beginselen onderscheidt en voorstaat. Ook zelf hebben we daarover wel iets geschreven, b.v. in onze artikelen over Artikel 36. Maar ds. Lingbeek met de Herv. Geref. Staatspartij eenerzijds en ds. Kersten en ds. Zandt met de Staatkundig Geref. Partij anderzijds, zijn het inzake artikel 36 niet met ons eens, hoewel ze onderling dan ook weer verschillen en niet weinig ook; Ds. Lingbeek wil een bevoorrechte Kerk en dan de Hervormde Kerk natuurlijk. De Overheid moet haar als de ware Kerk erkennen en alle voorrechten aan haar verbinden. Andere Kerken mogen er niet zijn, hoogstens geduld worden als ze stil in een hoekje zich schuil willen houden. Met ds. Lingbeek en de H.G.S. zijn we het absoluut niet eens. We staan hier principieel tegenover, omdat we veel te goed Calvinist zijn. Gereformeerd is anders in deze dan Lingbekiaan. De Lingbekianen zijn in deze andere Roomschen. Roomsch, maar nu omgekeerd werkend in de richting van de ééne ware Hervormde Kerk.
Staan we principieel tegenover de H.G.S., we kunnen óók niet meegaan met de Staatkundig Geref. Partij, als ds. Kersten met name opkomt voor het beginsel, dat de Overheid maar één godsdienst mag erkennen en dulden en toelaten; en dan als den eenigen godsdienst de gereformeerde religie toelaten in het land.  Onze Gereformeerde Vaderen, op wie ds. Kersten zich zonder meer beroept, hebben ons wel anders geleerd!
't Is ook trouwens wel te begrijpen, daar onze Gereformeerde Vaderen veel te goed hebben verstaan, dat Gods leidingen met Zijn Kerk en Gods leidingen met de natie gansch onderscheiden zijn en Hij de Overheid gegeven heeft, niet om kerkje te spelen, maar om het volk te regeeren en te besturen.
Met de onderscheiding van die twee gansch verschillende terreinen hangt het probleem saam, en een goed Gereformeerde weet hier te onderscheiden, om dan de dingen klaar te zien, zooals de meesten van onze Gereformeerde Vaderen — niet allen — ons dat eeuwen terug al hebben geleerd, handelend naar de beginselen, door Calvijn voorgedragen, verdedigd en aangeprezen al wist Calvijn in de practijk in den beginne ook niet altijd den rechten weg te houden.
Het verblijdt ons, dat nu, mede door de discussies in de Tweede Kamer en op onze politieke vergaderingen, dit moeilijke, maar belangrijke vraagstuk, onderscheiden mannen van Gereformeerden huize aan 't werk gezet heeft! Men is gaan snuffelen, gaan sorteeren, gaan schrijven. En zoo zijn redevoeringen in Kamer en vergaderzaal geboren. Couranten-hoofdartikelen als in „De Standaard" b.v. Maar het is gelukkig nog verder gekomen. De heer H. de Wilde — de oude dus — heeft den rust-tijd van zijn ambteloos leven benut om een studie te maken van dit vraagstuk, bizonder ook om te onderzoeken hoe Prins Willem van Oranje, Petrus Datheen, Oldenbarneveldt, Hugo de Groot, Uytenbogaert —hoe dus Calvinisten en Libertijnen over deze dingen hebben geoordeeld en in betrekking tot deze dingen hebben gehandeld. En deze studie heeft hij nu gepubliceerd in het tijdschrift ,,Antirevolutionaire Staatkunde", uitgave van de Dr. A. Kuyperstichting.
Waar wij zelf in het Dagelijksch Bestuur van de Dr. A. Kuyperstichting mogen zitten, weten we er iets van wat daar zooal omgaat. En het is veel. Het is veel, dat allerbelangrijkst is. Maar dat deze studie van den heer De Wilde Sr. nu gepubliceerd is, verheugt ons uitermate. Men kan nu over deze allerbelangrijkste kwestie aangaande de verhouding van de Overheid tot de religie en de Kerk een prachtstuk lezen, bizonder nu vernemend hoe de Prins van Oranje en hoe Datheen hebben gehandeld en gewandeld, waarbij dan over heel de linie van het vraagstuk — ook over artikel 36 — belangrijk licht wordt ontstoken en verspreid.
De heer De Wilde heeft veel nagezocht. Hij noemt ook al de bewijsplaatsen. Hij schrijft keurig, glashelder, vlot, onderhoudend. De eenvoudigste, die ook maar een weinig van de kwesties op de hoogte is, kan hier genieten. Ja — genieten. Want — eere wien eere toekomt — 't is een prachtstuk!
Wij hopen, dat de Dr. A. Kuyperstichting er voor zal zorg dragen, dat deze studie van den heer De Wilde ook in afzonderlijke uitgave zal verschijnen. En dan moet het bij duizendtallen onder de menschen; onder belangstellenden en meelevenden, die zich interesseeren voor dan godsdienst, voor de Kerk, voor de politiek!
Wij zijn blij, dat de geschiedenis nu spreekt. In de geschiedenis beluistert een Gereformeerd mensch óók Gods stem! Hoort Gods Stem!

Verbrand.
Zóó noemen ze het doorgaans niet. Ze zeggen dan „crematie" of „verassching" (welk laatste woord bijna ieder, op het eerste gezicht, verkeerd leest, om er verrassing van te maken). Maar wij zullen maar zeggen „verbrand" Prof. dr. H. Oort, rustend hoogleeraar, voorman altijd in de moderne beweging op theologisch-en kerkelijk gebied is dezer dagen, op den hoogen leeftijd van 92 jaar gestorven. En nu is deze theoloog van naam „verbrand". Z'n lijk natuurlijk. En dat is geschied naar z'n eigen uitdrukkelijk verlangen, bij z'n leven aan z'n familie kenbaar gemaakt.
Voor ons is de lijkverbranding iets vreeselijks. Dat heidenen dat deden met hun vijanden; dat de heidenen het soms ook deden met hun eigen dooden, dat is bekend. Maar onder christenen is het nooit gewoonte geweest. Trouwens van de eerste tijden af lezen we in de H. Schrift, dat de dooden begraven zijn geworden. Stof zijnde, tot stof wederkeerend; uit de aarde genomen, om in de aarde te worden weggeborgen en daar in de graven te wachten op de ure der opstanding.
Tot asch verbrand te worden is een zoo ruw uitwisschen van de eeuwigheidsgedachte! Het is een terugkeeren tot het heidendom in z'n ruwste vormen.
Want de fijnvoelende heidenen deden anders. Die bewaarden hun lijken. Die balsemden hun dooden. Die gaven hun alles mee, daarbij niet zelden fijngevoeld uitbeeldend eeuwigheidsgedachten! De bezoekers van den modernen tijd worden er nu nog door ontroerd, als ze de koningsgraven der eerste pharao's binnentreden. Dan ligt daar de mummie, maar b.v. ook op de plaats van 't hart een gouden zonnekever, die het leven van de onsterfelijke zon met dat van den gestorven mensch moest verbinden. (Achnaton van prof. v. d. Leeuw, blz. 56). Dood en dan de draden der eeuwigheid, zoo voorzichtig, zoo teer, zoo schoon uitgebeeld en bewaard door heidensche volkeren! En nu in een christenland in de 20e eeuw een bekend godgeleerde, als hij gestorven is, verbrand!
Gaan we niet hard achteruit?
Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven. Die hebben het eeuwigheidsleven. Hun ziel vaart op naar den Heere. Hun lichaam wacht op de komst van den Heiland. De levenden zullen straks veranderd worden in een punt des tijds. Maar moedwillig zich laten verbranden na het sterven, komt bij de eeuwigheidskinderen, die met ziel en lichaam den Heere mogen toebehooren, niet op. Het is heidensch. Het is minder dan heidensch. Want de heidenen, zoekend en tastend naar licht en leven, deden het niet.

Het verloren proces.
Natuurlijk hebben velen uitgezien naar de beslissing van den rechter inzake het proces, dat de gemeente Ouddorp had met de Synode in verband met het Reglement op de Predikantstractementen.
Nu is het laatste woord nog niet gesproken. Dat kan nog wel een paar jaar duren. Maar in eersten aanleg heeft de rechter uitspraak gedaan en aan de Hervormde gemeente van Ouddorp het recht ontzegd van de Synode het geld, dat betaald is aan den Raad van Beheer, terug te eischen.
Het Synodaal Reglement is er en de gemeente van Ouddorp behoort tot de Ned. Hervormde Kerk, deel van het geheel, en is mitsdien aan de reglementen onderworpen en moet gehoorzamen, zegt de rechtbank.
Natuurlijk kan in de Kerk kerkelijk op wijziging of wegneming van het Reglement worden aangedrongen, maar de rechter heeft het Reglement, zoolang het er is in de Hervormde Kerk, voor elke Hervormde gemeente bindend verklaard. En het is te verwachten, dat zoo de uitspraak zal blijven straks; ook in hoogste instantie waarschijnlijk.
De Hervormde Kerk zit in haar Bestuursorganisatie beklemd en heeft, nu het meer dan 100 jaar zoo is geweest, zóó rechtsgeldigheid (of we het goed vinden of niet). Vanaf de oprichting van den Gereformeerden Bond is ons, toen we op informatie uitgingen, van de meest vooraanstaande juristen, van onderscheiden Kerkgemeenschap, nooit anders verzekerd.
Langs den weg van de Regeering, langs den weg van de rechtbank komen we er nooit. De aardsche rechter kan hier niet helpen. De Hervormde Kerk is zooals ze is. Dat zij leere zich zelf te helpen, in de kracht Gods en naar uitwijzen van Zijn Woord; opdat de Kerk onzer Vaderen, mee door ons en onze kinderen mag worden gebracht, in ordelijken weg, tot de gewenschte vrijheid, om zelve in kerkelijken weg hare eigene zaken te regelen.
Of dat niet moeilijk zal zijn? Of het niet onmogelijk zal wezen? Onmogelijk zeker bij de menschen. Onmogelijk voor den aardscben rechter. Niet onmogelijk bij den Heere! Dat we het in Zijn kracht mochten wagen, niet om de Kerk onzer Vaderen stuk te maken, maar om haar te helpen, opdat zij — de Nederlandsche Hervormde Kerk — mag worden opgericht in het midden des volks! Met een eigen, vrij, geordend kerkelijk leven, naar de Schrift.

De Oudejaarsavond-collecte.
Door een belangstellend lid van onzen Geref. Bond, ouderling zijnde, wordt ons de vraag gesteld, of wij adviseeren al of niet te collecteeren op Oudejaarsavond voor weduwen en weezen van predikanten en emeritidienaren des Woords in onze Herv. Kerk? Wij zouden onder de huidige omstandigheden, met alles wat in ons is, willen adviseeren: laat men zoo'n collecte houden in de Oudejaarsavondbeurt. Want wij vinden het wel verschrikkelijk (verschrikkelijk zeggen we met nadruk) dat in onze Herv. Kerk die collecte moet plaats hebben — in de Kerk des Heeren moest er toch een andere en betere weg zijn! — maar nog verschrikkelijker vinden we, dat oude predikanten en predikantsweduwen en weezen armoe moeten lijden, dat ze gebrek hebben! Daarom moest men nergens deze collecte negeeren en overal moest de gemeente mildelijk geven, met schuldgevoel, met liefde en mild!
Maar dan is een tweede vraag: moeten we dan collecteeren voor de Oudejaansavond-collecte, waaruit alle oude, arme dominé's krijgen en alle stumperds van weduwen en alle predikantsweezen die gebrek hebben — of alleen voor emeriti en weduwen en weezen van den Geref. Bond of van „het Convent"?
Persoonlijk zeggen we: waar we hier gemeenschappelijk zoo groote schuld hebben en samen in de Herv. Kerk verblijf vinden, hebben wij persoonlijk tegen de Algemeene collecte, die het eerst is ingesteld, toen de nood op 't hoogst was, geen bezwaar. Als we allen geven zonder onderscheid, deelen ook allen mee. Arm is arm; en we hebben te lang hier verwaarloosd, om veel praatjes te mogen maken. Laat in deze financieele aangelegenheid één avond in het jaar de richtingskwestie eens rusten! Temeer waar we gelijk op geven en gelijk op deelen dan.
Maar wil men geven voor de Oudejaarsavond-collecte van „het Convent" — dat intusschen opgeheven is — wij zullen niemand boos aanzien. Als er maar gegeven, als er maar geholpen wordt!'
Echter zouden we dan in bescheidenheid willen adviseeren, laat men dan — zooals van bevriende zijde in „de Rotterdammer" en particulier reeds aan „het Convent" is voorgesteld — deze collecte, deze financieele aangelegenheid, anders opzetten.
Deze dingen moeten royaal en niet van den kleinen kant worden behandeld; in breeden en niet in engen kring. Indien men zich met deze zaak tot den Geref. Bond had gewend, — vooral nu „het Convent" is opgeheven, — zou het Hoofdbestuur — we geven er hier de verzekering van — gaarne over deze zaak gesproken hebben. Dit is intusschen, hoewel er van bevriende zijde op gewezen is, tot nu toe niet geschied. Dat vinden we jammer! Gedenkt intusschen op den laatsten dag des jaars de oude dominé's, de weduwen, de weezen van uwe voorgangeren met liefde en laat ieder, zoo mogelijk een milde gave afzonderen, omdat de nood groot is!

Geref. Mannenvereenigingen.

We hebben in den laatsten tijd uit enkele gemeenten brieven ontvangen, waarin ons gevraagd werd: hoe denkt u over de oprichting van een Geref. Mannenvereeniging?

Wij zouden daar wel een en ander over willen schrijven, maar daar is nu geen gelegenheid voor.

Wij voelen voor deze zaak!

Echter adviseeren wij, indien er zooiets nog niet is in de gemeente — want als er reeds iets dergelijks bestaat verandert de zaak natuurlijk eenigszins — om liever een afdeeling van den Geref. Bond op te richten. Als men ten minste met grondslag, doel en streven van den Gereformeerden Bond instemt. Anders moet men het niet doen, want dan zou men toetreden tot een Bond, waarbij men dan toch feitelijk niet hoort; en dat mag niet. Doel en streven van den Gereformeerden Bond, om onze Nederlandsche Hervormde Kerk, die zoo diep in verval is, te dienen en te helpen, opdat zij weder tot een beteren staat en stand mag komen in het midden van ons volk — moet ons steeds voor oogen staan.
Dan vinden we, dat een plaatselijke afdeeling van groot belang is en van groot nut kan wezen. Men kan dan de vergaderingen van de afdeeling zóó inrichten, dat er allerlei onderwerpen behandeld worden, rakende onze Gereformeerde beginselen en rakende ons kerkelijk leven, op z'n breedst genomen.
Eén ding vinden we jammer, en wel, dat men veelal denkt, dat „preeken" 't een en 't al is dan. Als men een spreker vraagt — een dominé altijd — moet er ,,gepreekt" worden, 't Is nooit anders dan „preeken". En nu zullen vvij, die ook nog al eens een enkele maal „preeken" in eigen gemeente en daar buiten, natuurlijk van dominé's, noch van preeken iets kwaads zeggen. Maar als men denkt, dat met „preeken" alles bereikt wordt, heeft men het toch glad mis. Als er geen lust is om onze Gereformeerde beginselen te onderzoeken en te bespreken, dan kan men gerust 't huis aan de plank slaan. Want dan is het „preeken" en nog eens „preeken", waarbij het telkens nog weer méér en beter „preeken" moet zijn, — ook wel „tegen elkaar op preeken" — maar opbouw, verrijking van kennis, betere organisatie, hartelijker kerkelijk meeleven krijgt men op die manier niet. En onze Hervormde Kerk heeft behoefte aan Hervormde — echt Hervormde menschen, die aardig op de hoogte zijn van de dingen inzake onze belijdenis en inzake de dingen belangende het kerkelijk leven.
Hier ligt onder ons een groot gebrek. Waarbij natuurlijk over meer dan één ding, als vermoedelijke oorzaak, zou moeten worden geschreven. Maar waar we nu op wijzen willen is, dat ook in betrekking tot deze zaak geldt: „die niet werkt, zal ook niet eten".
We moeten onder onze Hervormde mannen — en vrouwen — er meer krijgen, die begrijpen wat werken in deze zeggen wil. Laten we er ons voor leeren inspannen. We zullen dan ook om een zegen mogen vragen. We zullen dan ook een zegen mogen verwachten. Want de Heere wil de hand eens vlijtigen zegenen! Laat ons Hervormd volk niet verloren gaan, omdat er geen kennis is!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's