De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ADVENTS-BEDE / KERSTOVERDENKING

20 minuten leestijd

Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neder kwaamt. Jesaja 64 vers 1a.Lukas 2 vers 1—7. 

ADVENTS-BEDE.
Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neder kwaamt. Jesaja 64 vers 1a.
Op den dag der geboorte van hemel en van aarde, lag het gansche creatuur zonder vlek of rimpel, zonder barst of scheur, voor het aangezicht van den grooten Maker. Zeker, daar was veel onderscheid in de schepping, de berg was anders dan het dal, de boom was anders dan de rivier, het goud anders dan de steen sardonyx, maar deze onderscheiding was geen scheidimg. Neen, gelijk daar in een accoord de onderscheiden tonen samenklinken in heerlijke harmonie, zoo klonk uit de schepping in tallooze tonen het harmonieuze loflied op, ter eere van God.
Ook hemel en aarde waren in dat accoord begrepen, want bij alle onderscheid stonden ook deze beide samen in den lofzang Gods. Ook zij waren niet gescheiden, want God hield ze samen in Zijne hand en Zijne stem werd gehoord aan den wind des daags, die zijne vleugelen wiekt tusschen hemel en aarde.
Wanneer wij dit voor oogen houden, schuilt er iets wonderlijks in de bede die wij beluisteren in Jesaja 64. Immers dat is een bede om een verscheuring, een bede, dat daar een scheur getrokken mag worden in den hemel. De verklaring van die bede kan Genesis I, dat als slot heeft: zie, het was zeer goed, ons niet geven. De sleutel van dat gebed ligt in Genesis III, het hoofdstuk van de scheiding. Want in Genesis III wordt ons verhaald, hoe Adam scheiding maakte tusschen zich zelve en God. Daar vinden wij het opgeteekend, dat Adam den band heeft doorgesneden die hem bond aan den God des Levens. En de vrucht, de bittere vrucht van deze scheiding is geweest, dat overal het ondersoheid tot scheiding is verworden. Dat spreekt het duidelijkst bij den hemel en de aarde.
Daar boven in den hemel daar wordt Gods heerlijkheid openbaar op den troon der gemade, daar zingen de Engelen den lof van den drieëenigen God. Maar het aardrijk is vervloekt om Adams wille, en het kind van Adam gaat over den akker der wereld, zoekende de heerlijkheid van den mensch.
Zóó is het te verstaan dat van de aarde wordt gekeken naar omhoog: Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neder kwaamt. Maar neen dat is nog niet te verstaan. Want het Adamskind zoekt niet God, maar zoekt zich zelve, het Adamskind vraagt niet naar de openbaring van Gods heerlijkheid, maar naar het opglanzen van zijn eigen heerlijkheid.
Daarom de bede blijft wonderlijk. Maar ook dit laatste bezwaar kan overwonnen worden. Wamt God de Heere wil nog kinderen Adams tot Zijne kinderen maken, God de Heere wil vloekers nog veranderen in bidders, wil dooden nog opwekken tot leven. Ja de Heere will nog een koud hart verbrijzelen, een eigenwillig hart verscheuren, en het is uit een verscheurd harte dat de bede opstijgt: Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neder kwaamt.
*
Een wondere bede. Maar ook een inhoudrijke bede is het woord dat voor ons ligt. Lezer, de biddende ziel is dikwerf een gekooiden vogel gelijk. Immers een gevangen vogel fladdert onrustig in zijn kooi op en neer. Dan zoekt hij een uitweg ter linkerzijde, dan ter rechterzijde. Nu wil hij er aan de voorzijde uit en dan aan de achterzijde. Maar het meest tracht hij omhoog een poort ter bevrijding te vinden. Maar het resultaat is droevig. Aan alle zijden stoot hij zijn kopje en inzonderheid als hij een uitweg maar boven zoekt, botst hij met geweld op tegen het traliedak der kooi.
Gij allen weet wat het resultaat is. Ten slotte ligt de vogel met geschonden hoofd en verlamde vleugels op den bodem, hij heeft alleen nog de kracht om het kopje een weinig op te heffen en met geopenden mond te blikken naar omhoog.
Zoo is het veelszins de biddende ziel. Zij zoekt een uitweg naar alle kanten en het meest haar omhoog. Zij fladdert onrustig heen en weder, vele zijn de woorden, nog meerdere de gedachten, maar ach, alles schijnt te vergeefsch. Als droevig slot ligt zij met geschonden vleugelen ter neder. Dat vinden wij in een bidpsalm als psalm 42. Ook daar in de eerste verzen tallooze onrustige gedachten. Dat vinden wij ook in het einde van Jesaja 63.
Maar dan als alles verloren schijnt, dan is ook alles behouden. Dan rest daar miets anders dan een machteloos opzien naar omhoog. Maar dan zingt de psalmdiichter het uit: Wat buigt gij u neder o mijn ziel en zijt onrustig in mij? Hoop op God want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts. Dan roept ook de biddende profeet het uit: och, dat Gij de hemelen scheurdet. Dat Gij, want dan wordt 't verstaan, dat God de Heere het moet doen, dan wordt 't ook verstaan, dat de Heere het wil doen, het wil doen voor een uitgestreden en uitgebeden volk. De biddende profeet tracht niet langer den hemel te bestormen, maar smeekt dat de hand des Heeren de scheidingsmuur mag doorbreken.
Daarom is ook de tweede helft der bede zoo wel te verstaan, want de bidder vraagt: dat Gij mederkwaamt. De bidder vraagt niet meer om Gods gunsten, vraagt niet meer om Gods kracht, maar vraagt om den Heere zelve. Hij vraagt niet meer: o Heere, laat uw zaak triumpheeren, laat uw zaak heerlijk worden om mij en in mij, en als het moet door mij. Neen, de biddende profeet weet het: de Heere is de Eenige, die Zijne zaak tot heerlijke openbaring kan brengen. Daarom is de toon: Heere kom, Heere kom zelve; daarom is de toon: dat Gij nederkwaamt. Dat Gij nederkwaamt om Uwe gerechtigheid te openbaren. Om de vijanden van U en van Uwen raad, om Uwen wederpartijders Uw naam bekend te maken. Uw naam van God van gerechtigheid, opdat de vijanden beven voor Uw aangezicht.
Och, dat Gij mederkwaamt om Uw maaksel te behouden. . Uw maaksel dat Gij in vrijmacht hebt gewrocht, gelijk daar de pottebakker 't leem vormt naar zijn welbelhagen. Och, dat Gij nederkwaamt om Uw volk, Uw uitverkoren vat te vervullen met Uwe verlossing, opdat de reuke uwer heerlijkheid opga over het oppervlak der aarde.
*
Een wondere, een inhoudrijke bede, dat is het woord, hetwelk wij overdenken. Maar het is ook een verhoorde bede. Meer nog, de bede is ook al verhoord, vóórdat zij was opgezonden. De Heere had ook ditmaal weer gehoord vóór er geroepen werd. Want de Heere had den hemel al gescheurd, en door die scheur in den hemel was de bede al gedaald van omhoog, vóór dat zij oprees naar den troon der genade.
Maar hierbij behoeven wij niet te blijven staan. De bede van den profeet is meer dan een particuliere bede. De profeet, wien deze bede door den Heiligen Geest op de lippen wordt gelegd, hij is in zekeren zin de vertegenwoordiger van het volk Gods uit het Oude Verbond. Het Israël van den ouden dag, dat waarlijk Israël was, het kende de bede: dat Gij nederkwaamt; het is de adventsbede geweest uit de oude bedeeling. Daarom mogen wij zeggen: de stal van Bethlehem, de nederige kribbe, zij brengen de verhooring van die bede.
Daar in den nederigen stal, daar in de lage kribbe, daar wordt Gods naam verheerlijkt. Daar ligt in doeken gewikkeld, geboren uit een vrouw. God, de Zoon. Hij is nedergekomen van omhoog om te redden een volk, in de diepte verloren. Hij is gedaald, gelijk een straal der zon door een scheur in de wolken, uit een gescheurden hemel, opdat Hij verlichten zou een volk, dat zit in de duisternis en in de schaduwen van den dood. Hij komt daar als de gave van God den Vader tot een dood-arm volk. In Hem wordt de adventsbede vervuld: Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.
*
Adventsbede, dat was het opschrift onzer overdenking.
En, lezer, ruischt er nu iets van deze bede door uwe ziel? Kent gij daar al iets van een bede om een gescheurden hemel, die opstijgt uit een verscheurd harte? Of zijt gij daar nog omsloten door het pantser der eigenwilligheid en eigengerechtigheid, dat zoo zwaar 't hart van Adams kind omsluit? O, kome de Heere u dan door Zijnen ontdekkenden Geest nog te verbrijzelen. Geve Hij u een gescheurd harte, opdat Hij ook tot u kome uit een gescheurden hemel.
En, biddende ziel, zijt gij al uitgestreden en uitgebeden? Want ook dat is noodig als een voorbereiding voor een waarachtig Kerstfeest. Geve de Heere u dan iets van de gestalte van den biddenden profeet, opdat uw adventslied zij het lied van den hopenden psalmist:
Mijn ziel is immers stil tot God,
Van Hem wacht ik een heilrijk lot.
Z.                                                                                v. N.

KERSTOVERDENKING.
En het geschiedde in die zelve dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de geheele wereld zoude beschreven worden. Deze eerste beschrijvimg geschiedde, als Cyrenius over Syrië stadhouder was. En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk maar zijn eigen stad. En Jozef ging ook op van Galilea uit de stad Nazareth, naar Judea tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was), om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij baarde haren eerstgeboren zoon en wond hem in doeken en legde hem neder in de kribbe, omdat voor hen geene plaats was in de herberg.
Lukas 2 vers 1—7.
Het is te begrijpen, dat de wereld, die de heilgeheimen van het Christuskindeke niet kent, zich opnieuw verwondert over 't feit, dat Gods gemeente over het rond der aarde weer stilstaat bij dat Kerstwonder. Maar voor het kind des Heeren is het telkens weer nieuw. Het is als met de beschouwing van een kostelijken edelsteen. Van welke zijde ge er ook het licht op Iaat vallen, telkens staat ge verwonderd bij de schittering van zulk een stralenpracht. Zoo schittert in deze eenvoudige verzen u tegen de rijkdom der genade Gods van dat groote heilsfeit, dat de Heere in Bethlehem zijn eenigst kind heeft gegeven om nog zondaren te redden van het eeuwig verderf.
De eerste verzen van onze overdenking spreken van een machtig monarch, van den verheven keizer Augustus. In het bewustzijn van zijn groote macht, geeft hij aan vertrouwde koeriers de bevelschriften naar de verschillende wingewesten, inhoudende den eisch om zoo spoedig mogelijk al de onderdanen te tellen. En al geven we gaarne toe, dat deze telling wel in verband met nieuwe belastingplannen of met legervormingen zal hebben gestaan, wie gevoelt niet, hoe deze machtige vorst zich in zijn hoogmoed gestreeld gevoelt, als hij bedenkt, hoe straks uit de resultaten der telling zal blijken over hoevele millioenen hij den scepter zwaaien kan.
En toch, machtige Augustus, waart gij, zonder het te weten, slechts een nietig instrument in de hand van den Koning der koningen om diens wil te volbrengen. Het kan wel een oogenblik schijnen, dat het wereldregiment in de handen van de machtigen der aarde is, maar inderdaad wordt van oogenblik tot oogenblik Gods aanbiddelijke raad vervuld. Het woord der profetie moest immers worden vervuld, dat de Christus in Bethlehem het levenslicht zou aanschouwen.
In gedachten zien we ook Jozef en Maria zich opmaken naar de Davidsstad. Ja, naat de Davidsstad. Maar waar is de heerlijkheid gebleven van dat eens zoo doorluchtige Davidische geslacht? Nu was Judea niet meer dan een deel van Syrië, een Romeinsch wingewest.
Wie zou het dan ook aan dien eenvoudigen timmerman en zijne jonge vrouw hebben kunnen aanzien, dat er koninklijk bloed vloeide door hunne aderen? Wat waren ze arm naar de wereld. O, groote Christus, hoe diep hebt gij u willen vernederen om zondaren te redden en te zaligen, dat gij zulke eenvoudige, zondige menschen als moeder en pleegvader wildet hebben!
Daar naderen ze Bethlehem door de vlakten, waar eens David de schapen had gehoed. Wie zal schilderen de reisbezwaren van Maria, die zulk een groote reis moest ondernemen om gehoorzaamheid te betoonen aan het keizerlijk bevelschrift. En waar zullen ze vernachten kunnen! Er heerschte een ongewone drukte in het anders zoo stille Bethlehem. Er hadden er zich zoovelen opgemaakt naar de Davidsstad.
O, welk een bittere teleurstelling! De herberg was overvol. Geen plaats meer voor hen! En dat voor Maria in zulke omstandigheden? En zeg nu niet vergoelijkend, dat het verblijf in dien beestenstal nu maar moet worden aangemerkt als samenloop van teleurstellende omstandigheden. Waren Jozef en Maria onder de aanzienlijken der wereld gerekend geworden, er zou hier of daar nog wel een beter plekje voor hen gevonden zijn. En toch had de Heere het zelf alzoo voorbereid, dat zijn Heilig kind Jezus in zulk een diepe vernedering zou geboren worden. Nergens, maar dan ook zeker hier niet, is plaats voor het toeval. O lezers, denkt het u eens in, hoe Maria hare vermoeide leden op het stroo heeft neergevleid. En de schuchtere Jozef, die daar bij stond, kon aan de vrouw, die hem lief was, niets beters geven.
In die ure is in dien beestenstal Gods Zoon geboren. Toen brak aan de stonde, waarop zelfs Adam en Eva hebben gewacht. Nu was de volheid des tijds gekomen. Nu gingen al de beloften Gods naar het oud profetisch woord in vervulling. En zij nam haar eerstgeboren zoon en wond hem in doeken en leide hem neder in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg. Geen wieg, bekleed met schoon festijn, stond te wachten. Slechts een kribbe met wat schamele doeken.
Scherpe tegenstelling: op den troon in Rome zit de machtige Augustus, en hier in den stal ligt ook een Koning, maar in een kribbe. En toch, aan de heerschappij van keizer Augustus is een einde gekomen, maar aan de grootheid der heerschappij van Koning Jezus zal nimmer een einde zijn.
Wat moet er zijn omgegaan in het hart van de stille Maria. Hemelboden hadden haar bekend gemaakt, dat het kind, hetwelk zij onder haar hart droeg, de Zoon van God zoude wezen. Hoe dan nu te verklaren die armoede en die stille verlatenheid in dien stal? Waar was Herodes en zijn rijksgrooten om den geboren Koning te begroeten? Waar was de overpriester met zijn schaar van priesters en levieten? Het woord des Heeren, haar door den engel verkondigd, kon haar nu alleen in de ure van donkerheden tot een vertroosting wezen.
Ge gevoelt het wel, dat bij dit nederig kribbetafreel geen hoogmoed past. Hier is alleen maar plaats voor wat nederig is van hart. Toch hebt ge van deze schoone heilsgeschiedenis niets begrepen, indien ge zoudt meenen dat de Heere ons hier slechts een les wilde geven in den nederigen levenswandel. Neen, het Christuskindeke vraagt uw of mijn medelijden niet. Dat kindeke is dezelfde, die eens op den via dolorosa tot de weenende vrouwen sprak: „Weent niet over mij, maar over uzelf en over uwe kinderen".
Dat heilgeheim hebbeen de herders begrepen, die, gekomen uit de velden van Efrata, voor de kribbe zich hebben nedergebogen. Zij hebben in het kindeke hun Borg en hun Zaligmaker begroet, die hen verlossen zou van de macht des verderfs en die hen met den Vader zou verzoenen.
Om dit te kunnen begrijpen, moeten we nog weer eens opnieuw die woorden overdenken, dat er voor Hem geen plaats was in de herberg. Neen, bij die eenvoudige weigering blijft het niet. Als de Christus drie en dertig jaar oud geworden is, blijkt het, dat er zelfs geen plaats voor Hem meer op de aarde is. Men nagelde Hem tusschen hemel en aarde aan het vloekhout. En dat alles was slechts het schrikkelijk uitvloeisel van deze korte samenvatting, dat er van nature zelfs geen plaats is in het menschenhart voor Koning Jezus.
„Geen plaats voor Hem in het hart! Is dat niet te boud gesproken, zoo denkt misschien menigeen, die deze woorden oppervlakkig leest. Meent toch echter niet, dat er plaats is in uw hart voor Jezus, zoolang ge voortgaat om zijn heilig Woord te versmaden en licht te achten. Zoo we al zeggen, dat we Hem liefhebben, en blijven de zonde dienen, zijn we dan geen leugenaars?
Lezers, als de Heere tot u komt met den heiligen eisch van bekeering, als hij het ontleedmes van zijne heilige wet komt zetten in de wonden van uw verdorven hart, zeg mij, wordt het dan niet openbaar, dat de mensch van nature een vijand is van God en zijn heilig kind Jezus?
Niet naar de eere Gods vraagt de mensch, maar het schepsel, eens geschapen naar Gods heerlijk beeld, is geworden een zoeker naar eigen heerlijkheid. Als dan ook het zielsoog bij Geesteslicht een blik in eigen hart werpt, wordt het helaas met weemoed en smart baleden, dat er evenmin plaats is in het natuurlijk menschenhart voor Christus als voor het Christuskindeke bij de inwoners van Bethlehem.
O, wat zal ten slotte het einde vreeselijk zijn van den mensch, in wiens hart geen plaats voor Christus en zijne genade is. Maar dan zal er ook voor den zoodanige geen plaats zijn in de eeuwigheid in dat Vaderhuis met zijn vele woningen. Vreeselijk zal het dan wezen, om uit zijn mond te hooren: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur.
Lezers, zijt gij er u van bewust, dat dat het einde zou wezen van alle schepselen, indien de Heere in zijne grondelooze barmhartigheid zich niet een weg had uitgedacht om zondaren te redden en te zaligen.
Maar dan moet er een diepe kloof worden overbrugd tusschen een heilig en een rechtvaardig God, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, en een arm, schuldig zondaar, die duizenden talenten schuld heeft en geen penning kan betalen. Wie zal die kloof overbruggen? Wie zal een weg banen, zonder dat het recht des Vaders zal geschonden worden?
Op die vraag kon op aarde door geen schepsel het antwoord worden gegeven. Maar wat geen oog heeft gezien en wat in geen menschenhart is opgeklommen, heeft God de Heere zelf bereid in de stille eeuwigheid.
Het is de Eengeborene des Vaders zelf, die komen wilde om zijn wil te doen. Hij wilde den hemel der hemelen verlaten en alle heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, heeft Hij vrijwillig afgelegd.
Hij nam aan het vleesch en bloed van het verdorven menschenkind, waarover Johannes jubelt als hij zegt: Het Woord is vleesch geworden.
Als Borg en Middelaar heeft Hij zich gesteld onder het recht des Vaders. Uit een vrouw geboren om onzer één te worden, heeft Hij zich gesteld onder de wet van God. die door Adam en al zijne nakomelingen met voeten getreden was.
O, lezers, in dat licht bezien wordt het wonder van Bethlehem aanbiddelijik. Dan wordt zijn nederige geboorte de tweede stap, volgende op de ontvangenis, op den weg van lijden en smart. Dan zeggen we, dat het eigenlijk voor Gods Zoon een lijdensweg geweest is van de kribbe naar het kruis. Dan zien we achter de kribbe het vloekhout, maar ook de triumf der verzoening : Het is volbracht. En dan begrijpen we ook, waarom de engelen zoo hebben gejubeld in de velden van Efrata. Als op de aarde niemand jubelt, dan moet immers de hemel wel te hulp komen, om dat wonder groot te maken.
Maar dan wordt ook het raadsel opgelost, waarom eenvoudige herders zuilk een grootheid hebben gezien in dat kindeke, dat zij op de knieën zijn gevallen om het te aanbidden. Dat kindeke alleen toch kon hunne zonden en ongerechtigheden op zich nemen en die verzoenen. Neen, geen bloed van stieren en varren is genoegzaam om de zonden uit te delgen. Al de eigengerechtigheden zijn maar als een wegwerpelijk kleed. Maar de verworven gerechtigheid van Christus is van volkomen waardij. Hij alleen kon de kloof overbruggen. Hij alleen kon zondaren met God verzoenen. Dat hebben de engelen bezongen, dat heeft herders naar Bethlehem gedreven, instemmend met het engelenlied:
Eere zij God in de hoogste hemelen.
Vrede op aarde
In de menschen een welbehagen.
Hebt ook gij u al verblijd op dit Kerstfeest, o lezers, over de geboorte van Gods Zoon?
Duizenden zullen zich weer scharen rond om de kerstboomen en vele liederen zullen weerklinken op den geboortedag van Gods Zoon, maar dat alles zal niet baten, indien er in ons hart geen waarachtige behoefte naar Hem geboren is. Onze ouden plachten het wel eens eigenaardig aldus uit te drukken: Hoe groot ook het heilsfeit moge wezen, dat in Bethlehems stal de Christus geboren is, het komt bovenal hierop aan of die Christus ook al in ons hart geboren is. Dit hebben de oude vaderen met recht mogen zeggen.
Indien het oog toch door genade niet geopend werd, indien de blinddoek nog niet van ons aangezicht is weggenomen, zijn wij nog rijk en verrijkt en hebben aan geen ding gebrek en weten niet, dat wij jammerlijk, blind, naakt en ellendig zijn.
Maar dan is het ook te begrijpen, dat er geen behoefte aan verlossing is. Duizenden, die dan ook het heerlijk Kerstevangelie weer zullen hooren prediken, maar er toch koud en onverschillig onder zullen blijven. Ook zij, die het uitroepen met den Farizeer: "O, God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere menschen", hebben geen Zaligmaker noodig voor hunne arme ziel.
O, wat zal dat straks een bittere ontgoocheling wezen, te meenen in te gaan en niet te kunnen, omdat onze eigengerechtigheden ons in den weg hebben gestaan.
Maar welk een rijk evangelie voor arme zondaren! Bij die schamele kribbe behoort alleen een nederig zondaar, zeiden we boven. We zouden het ook anders kunnen zeggen: Een rijke Jezus voor een arm zondaar! Hij daalde neder op aarde, juist, om verlorenen te redden. Maar dan mag het ook vrijuit worden uitgedragen, dat er bij den Heere raad is te vinden voor den ellendigste onder de ellendigen. Voor allen, die het leven niet meer bij zichzelven kunnen vinden, maar het moeten getuigen, dat al hunne wegen zouden uitloopen in het eeuwig verderf. Voor allen, die duizenden talenten schuld hebben en geen penning om te betalen. Voor allen die het hebben ervaren, dat zij met de vollerszeep hunner gerechtigheden nooit meer de vlekken uit hun kleed zullen kunnen reinigen. Pas dan is er plaats in het hart voor dien rijkdom der genade, die er is te vinden in Hem. Dan een nederbukken bij de kribbe om door het geloof te leeren stamelen: Gij zijt ook mijn Borg, mijn Goël, mijn Zondenvernieler. Door het geloof alleen hebben ook de herders Hem mogen omvatten.
O, lezers en lezeressen, gij, die dat rijke evangelie weer zult mogen beluisteren, bedenkt het toch: Zoo het niet tot uw voordeel wezen zal, dan zal het u ten oordeel wezen. Het is nog tijd voor verlorenen om te vluchten naar Bethlehem. Nog nooit werd een arm zondaar afgewezen. Wel lees ik, dat hij, die tot Hem komt, nooit zal worden uitgeworpen. 
O, kinderen des Heeren, laat er bij u geen stilzwijgen wezen, maar een krachtig getuigenis te midden van een krom en een verdraaid geslacht. Eeuwen geleden lag uw Koning vol vernedering in de kribbe. Straks komt Hij weder, maar dan in vollen luister om de zijnen te vergaderen in het Vaderhuis met zijn vele woningen.
Eens kwam ik bij een van Gods kinderen, die voor de poorten des doods lag. Toen ik hem vroeg of hij dacht nog lang te zullen leven, zei hij: Neen, dominé, ik hoop Kerstfeest te vieren met de schaar der verlosten daarboven.
Wat een heerlijk einde!
Moge zoo ook, uit genade, het uwe en het mijne wezen.
Ermelo.                                                                                                                     J. J. TIMMER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's